Uitspraak 3 januari 2006
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als de Raad, op de klacht van A, hierna te noemen klager, tegen de registerarbeidsdeskundige C, hierna te noemen beklaagde, werkzaam bij E.
Procesverloop
Bij brief van 27 september 2005, door de Raad ontvangen op 5 oktober 2005, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd door middel van zijn verweerschrift d.d. 17 oktober 2005. Partijen hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd bij brieven dd. 25 oktober 2005, respectievelijk 10 november 2005. Laatstgenoemde brief werd door de Raad ontvangen op 16 november 2005. Op 23 november 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij partijen ten overstaan van de Raad hun standpunten mondeling hebben toegelicht.
De feiten
Klager is werkzaam geweest als zelfstandig (onder)aannemer in de bouw/metselaar. In verband daarmee heeft hij zich verzekerd tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid bij verzekeringsmaatschappij G. Op 17 september 2004 heeft klager zich arbeidsongeschikt gemeld in verband met ernstige knieklachten. Inmiddels heeft klager zijn bedrijfsactiviteiten volledig beëindigd.
Op 28 januari 2005 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden door een andere arbeidsdeskundige dan beklaagde, te weten I. Met de uitkomst van dit onderzoek, althans de wijze waarop dit onderzoek werd uitgevoerd door voornoemde arbeidsdeskundige, kon klager zich niet verenigen. Klager had geen vertrouwen in de onafhankelijkheid en het beoordelingsvermogen van I. Klager stemde er dan ook niet mee in dat I het vervolgonderzoek zou verrichten. De verzekeraar heeft in verband daarmee aan beklaagde verzocht het arbeidsdeskundig onderzoek opnieuw uit te voeren, hetgeen op 26 juli 2005 geschiedde. Beklaagde heeft zijn bevindingen uit dit arbeidsdeskundig onderzoek schriftelijk vastgelegd in een drietal arbeidsdeskundige rapportages.
De klachten
Klager stelt dat beklaagde:
1. tijdens het (langdurige) gesprek op 26 juli 2005 geen aantekeningen heeft gemaakt;
2. het arbeidsdeskundig rapport van arbeidsdeskundige I niet met klager besproken heeft;
3. een aantal functies als passend definieert (parkeerwachter, chauffeur besteller), terwijl de uitoefening daarvan voor hem, gelet op zijn gezondheidsklachten, tot problemen zou leiden;
4. in zijn eerste rapportage een fout maakt ten aanzien van het opleidingsniveau van klager in het kader van een door klager te volgen opleiding;
5. feitelijke onjuistheden in zijn rapportages heeft opgenomen in het bijzonder ten aanzien van het moment van bedrijfsbeëindiging en het moment waarop klager zich arbeidsongeschikt heeft gemeld.
6. tijdens het met klager gevoerde gesprek op 28 januari 2005 meerdere malen aangegeven zou hebben een "uitkering van 75%" te zullen adviseren.
Het verweer
Beklaagde stelt zich op het standpunt dat hij het arbeidsdeskundig rapport, opgesteld door I wel met klager heeft doorgesproken. Tijdens het lezen van dit rapport door klager heeft beklaagde inderdaad geen aantekeningen gemaakt, hetgeen naar het oordeel van beklaagde ook geen enkele zin zou hebben gehad. Tevens stelt beklaagde dat er blijkbaar een belangrijk verschil van inzicht bestaat tussen klager en de medisch adviseur over de belastbaarheid van klager, omdat de door beklaagde als passend beschouwde functies binnen de grenzen van de door de medisch adviseur vastgestelde belastbaarheid vallen. Beklaagde
stelt wel degelijk naar klager te hebben geluisterd, waar het zijn kritiek op de vastgestelde belastbaarheid betreft. Het ligt echter buiten de bevoegdheid van de arbeidsdeskundige om het oordeel van de medisch adviseur omtrent de belastbaarheid van klager te veranderen.
Ten aanzien van de door klager veronderstelde verkeerde inschatting van het opleidingsniveau van klager en van het niveau van de door klager te volgen opleiding tot calculator, wijst beklaagde erop dat klager bij het doornemen van het rapport van I heeft aangegeven dat zijn opleidingsniveau juist is weergegeven. Na de latere discussie daarover met klager heeft beklaagde dit niveau overigens aangepast.
Tevens geeft beklaagde aan dat klager met name in het tussen hem en klager gevoerde telefoongesprek medio september 2005, nadat beklaagde juist was teruggekeerd van een vakantie gedurende vier weken, door klager verbaal geweld is gebruikt. In dat gesprek heeft klager zich naar het oordeel van beklaagde onredelijk opgesteld. Dit gesprek heeft de verhouding tussen klager en beklaagde vertroebeld.
Oordeel van de Raad van Toezicht
Art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht bevat bepalingen betreffende de werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de ingekomen klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels.
De door klager naar voren gebrachte klacht, hiervoor genoemd onder punt 6, betreffende de mededelingen van beklaagde omtrent het door hem uit te brengen advies, heeft betrekking op onderdeel 2 van de gedragsregels, die toezien op de relatie tussen arbeidsdeskundige en de cliënt. Deze gedragsregel luidt als volgt:
Vertrouwelijkheid en het wekken van verwachtingen
• De arbeidsdeskundige beperkt zich bij het verwerven en verstrekken van informatie, van respectievelijk over de cliënt tot die feiten en omstandigheden, die noodzakelijk zijn voor de aard, doel en inhoud van het onderzoek. De verstrekte informatie wordt door de arbeidsdeskundige vertrouwelijk behandeld. Hij maakt hiervan slechts gebruik voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de aan hem verstrekte opdracht.
• De arbeidsdeskundige waakt ervoor naar de cliënt toe verwachtingen te scheppen ten aanzien van besluitvorming die naar aanleiding van het door hem ingestelde onderzoek nog moeten plaatsvinden.
De door klager geuite klachten, hiervoor genoemd onder 1,2,4 en 5 betreffen onderdeel 3 van de gedragsregels, die toezien op de relatie tussen arbeidsdeskundige en cliënt. Deze gedragsregel luidt als volgt:
3. Onderzoeksmethode
• De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid.
• Indien van de Register-Arbeidsdeskundige een dossiercommentaar verlangd wordt dan kan dit in beginsel niet meer bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek.
De onder punt 3 geformuleerde klacht heeft betrekking op de voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde schattingmethodiek en methode van functieduiding. Dit betreft de inhoudelijke aspecten van de tussen partijen bestaande discussie, die buiten het beoordelingskader van de Raad vallen. Dit onderdeel van de klachten staat derhalve niet ter beoordeling van de Raad. Klager heeft omtrent deze inhoudelijke aspecten bij de verzekeraar een klacht ingediend, welke nog in behandeling is. De Raad onthoudt zich dan ook van een oordeel op dit punt.
Gelet op het bovenstaande en hetgeen door partijen, zowel mondeling als schriftelijk naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.
Uit de door partijen overgelegde stukken, alsmede de tijdens de hoorzitting gegeven toelichting, komt niet duidelijk naar voren wat door partijen exact over en weer is gezegd en gedaan, in het bijzonder waar het de inhoud van het gesprek op 27 juli 2005 betreft. Met name de vraag of het arbeidsdeskundig rapport van I met klager besproken is, blijft onbeantwoord (klacht nr. 2). Vast staat wel dat het contact tussen arbeidsdeskundige en klager in de loop der tijd (veel) minder zakelijk werd. Aldus ontstond een situatie waarin over en weer de neiging tot luisteren naar elkaars standpunten sterk afnam.
De Raad is van oordeel dat beklaagde er klaarblijkelijk niet in is geslaagd klager te doordringen van de essentie van het door beklaagde uitgevoerde arbeidsdeskundige onderzoek en de daarbij door beklaagde gevolgde werkwijze. Klager heeft in diverse gesprekken nadrukkelijk blijk gegeven van zijn gebrek aan volledig inzicht in de achtergronden van de arbeidsdeskundige beoordeling. Uit de schriftelijke, arbeidsdeskundige rapportages die aan de Raad ter kennis zijn gebracht, blijkt naar het oordeel van de Raad echter dat door beklaagde aan klager correcte en voldoende informatie is verschaft over alle aspecten van de arbeidskundige beoordeling. Daarom kan, aldus de Raad, niet gesteld worden dat beklaagde in dit opzicht onzorgvuldig gehandeld heeft. Beklaagde heeft dan ook niet in strijd met onderdeel 3 van de Gedragsregels gehandeld.
De klacht betreffende het niet maken van aantekeningen door beklaagde (klacht nr. 1) acht de Raad evenmin gegrond, nu de keuze om al dan niet aantekeningen te maken een vrije keuze van de arbeidsdeskundige is. Het niet maken van aantekeningen ( overigens ontkent beklaagde dat zulks het geval geweest is ) heeft naar het oordeel van de Raad niet geleid tot overschrijding van de in casu geldende zorgvuldigheidsnormen die de arbeidsdeskundige bij het maken van zijn arbeidskundige rapportage heeft te betrachten.
De klacht betreffende de onjuiste vermelding van het opleidingsniveau van klager (klacht nr. 4) acht de Raad ongegrond, nu beklaagde in zijn latere rapportages het opleidingsniveau van klager heeft aangepast.
De klacht betreffende de onjuiste vermelding van de data waarop klager zich ziek meldde, respectievelijk zijn bedrijfsactiviteiten stopte (klacht nr. 5) acht de Raad eveneens ongegrond nu beklaagde ook ten aanzien van deze feiten in zijn laatste rapportage opmerkt, dat hij de door klager genoemde data als zijnde de juiste, overneemt.
De Raad is tevens van oordeel dat de klacht, hiervoor genoemd onder nr. 6, betreffende de verwachtingen die door beklaagde zouden zijn gewekt ten aanzien van het door hem uit te brengen advies, ongegrond is. De Raad acht deze klacht door beklaagde voldoende gemotiveerd weersproken, doordat beklaagde stelt zich nimmer op dergelijke wijze te uiten in het contact met door hem te beoordelen personen en dat hij zich ook tegenover klager niet heeft uitgelaten over uitkeringspercentages dan wel anderszins verwachtingen zou hebben gewekt ten aanzien de hoogte van de arbeidsongeschiktheids¬uitkering. Nu uit geen enkel aan de Raad ter kennis gebracht stuk blijkt dat beklaagde jegens klager verwachtingen omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van klager heeft gewekt, dient ook deze klacht ongegrond te worden verklaard.
Conclusie
De Raad van Toezicht concludeert op basis van het bovenstaande tot ongegrondverklaring van de door klager ingediende klachten.