Uitspraak 3 mei 2007
UITSPRAAK
Uitspraak van de Raad van Toezicht van Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van mevrouw H., hierna te noemen klaagster, tegen de registerarbeidsdeskundige, de heer B., hierna te noemen beklaagde.
Procesverloop
Bij brief van 1 november 2006 is door klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een verweerschrift d.d. 9 december 2006. Klaagster heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 15 januari 2007. Partijen hebben vervolgens hun standpunten nader toegelicht tijdens een hoorzitting op 5 maart 2007, waarbij partijen in persoon zijn verschenen en beklaagde zich liet vergezellen door diens raadsman.
De feiten
In verband met een eenmalige herbeoordeling in het kader van het nieuwe Schattingsbesluit per 1 oktober 2004, heeft beklaagde van het UWV opdracht gekregen om een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten betreffende klaagster. In verband hiermee heeft op 15 november 2005 tussen klaagster en beklaagde een eerste gesprek plaatsgevonden. Een vervolggesprek, waarin beklaagde klaagster informeert over zijn eindconclusie, na afronding van het gehele arbeidsdeskundig onderzoek, vindt op 24 november 2005 plaats, na een telefonisch contact tussen partijen op 23 november 2005.
De klacht
Volgens klaagster heeft beklaagde zich tijdens het gesprek op 15 november 2005, binnen enkele minuten na aanvang van het gesprek, reeds uitgesproken over de uitkomst van
haar herbeoordeling. Klaagster zou volgens beklaagde in staat geacht worden om 36 uren per week te werken, hetgeen intrekking van de WAO-uitkering met zich zou meebrengen. Ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek was klaagster nog ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. Volgens klaagster kwam beklaagde tot zijn conclusie zonder diepgaand onderzoek of voorbereidingen. Er stond niets op papier, er was op dat moment geen FML-score formulier en klaagster bleef verstoken van verdere uitleg.
Beklaagde gaf in het met klaagster gevoerde gesprek dat het slechts ging "om de cijfers/statistieken, die het UWV moest halen en niet om de mens". Vervolgens ontstond tussen klaagster en beklaagde een heftige discussie over zijn manier van doen, die door klaagster als bijzonder intimiderend, arrogant en onbeschoft werd ervaren.
De klacht van klaagster heeft verder betrekking op het feit dat beklaagde volgens klaagster zijn toezegging om uiterlijk 17 november 2005 zijn definitieve bevindingen kenbaar te maken niet nakwam, als gevolg waarvan haar gezondheidsklachten sterk toenamen.
Het verweer
Beklaagde stelt zich, blijkens het door hem gevoerde verweer, op het standpunt dat hij zich in het gesprek op 15 november 2005 ten doel gesteld had om onder andere meer te weten te komen over de opleiding en/of de cursus die klaagster op dat moment volgde. Naar het oordeel van beklaagde gaf deze cursus weinig arbeidsmarktperspectief. Gelet op haar opleiding en maatmanloon, zou een beperkte arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de mogelijkheden behoren. Dit moest door beklaagde echter eerst nog worden berekend en gecontroleerd met behulp van het CBBS-systeem. Volgens beklaagde heeft klaagster er in het gesprek sterk op aangedrongen om een verwachting betreffende haar toekomstige uitkering uit te spreken. Beklaagde heeft dat gedaan op basis van de gegevens die hem op dat moment ter beschikking stonden, met de gebruikelijke toelichting dat het louter en alleen een verwachting betrof en zeker geen definitief resultaat.
Het tweede gesprek met klaagster wilde beklaagde telefonisch plaats laten vinden omdat hij klaagster het reizen wilde besparen en het eerste gesprek zo emotioneel verlopen was. Nadien heeft hij tijdens zijn lunchpauze alsnog een gesprek met klaagster gevoerd.
De werkwijze van de Raad
Art. 4 van het Reglement van de Raad van toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige zijn onderzoek binnen de in de gedragsregels gestelde kaders heeft uitgevoerd.
De door klaagster naar voren gebrachte klacht heeft betrekking op de onderdelen 2 en 3 van de gedragsregels, die toezien op de relatie tussen de arbeidsdeskundige en de cliënt.
Deze gedragsregels luiden onder punt 2 ter zake als volgt.
Vertrouwelijkheid en het wekken van verwachtingen
(…)
De arbeidsdeskundige waakt ervoor naar de cliënt toe verwachtingen te scheppen ten aanzien van besluitvorming die naar aanleiding van het hem ingestelde onderzoek nog moet plaatsvinden.
Tevens houdt de door klaagster ingediende klacht verband met gedragsregel 3, die luidt:
Onderzoeksmethode
De Register-Arbeidsdeskundige onthoudt zich van methoden van onderzoek en/of begeleiding, welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. Hij betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid.
(…)
De overwegingen van de Raad
Gelet op het bovenstaande en hetgeen door partijen, zowel mondeling als schriftelijk naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.
Uit het verhandelde op de hoorzitting is niet geheel komen vast te staan wat er tussen partijen precies gezegd en gedaan is. Voor een inzicht in de exacte gebeurtenissen bestaat een te groot verschil tussen de beleving van hetgeen is gebeurd tussen klaagster enerzijds en beklaagde anderzijds. Wel is naar het oordeel van de Raad helder naar voren gekomen en door beklaagde ook niet met zoveel ontkend, dat de voorbereiding van het eerste gesprek tussen beklaagde en klaagster aan de zijde van beklaagde te wensen overliet. Beklaagde beschikte weliswaar over de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst , maar had geen wetenschap over de cursus c.q. opleiding die klaagster volgde en ook het CBBS was door hem nog niet geraadpleegd.
Evenmin kan worden ontkend dat de expliciete uitspraken van beklaagde tijdens het eerste gesprek omtrent de te verwachten uitkomst van het arbeidsdeskundig onderzoek door hem in een te vroeg stadium en te stellig werden gedaan, zonder dat beklaagde daarbij voldoende nuancering heeft aangebracht.
Ten aanzien van het tweede deel van de klacht, bestaande uit het feit dat beklaagde zijn afspraak om op 16 of 17 november contact op te nemen met klaagster voor nader overleg niet nakwam en het tweede gesprek tussen partijen in eerste instantie via de telefoon poogde af te doen, overweegt de Raad dat niet uitgesloten moet worden geacht dat beklaagde getracht heeft om tijdig met klaagster in contact te komen. De Raad merkt daarbij wel op dat het in het algemeen niet wenselijk is dat gesprekken tussen een arbeidsdeskundige en cliënt slechts telefonisch worden gevoerd.
Dit geldt zeker indien op voorhand vaststaat dat de inhoud van het gesprek van belangrijke betekenis zal zijn voor klaagster. Nu voor beklaagde vaststond dat het eerste gesprek relationeel "gespannen" verlopen was en hij de verwachting had dat het vervolggesprek ook gespannen zou verlopen, had hij dit zeker niet telefonisch af moeten willen wikkelen. Hij had als alternatief kunnen kiezen voor een gesprek samen met een collega, om zodoende de bestaande spanning bij klaagster weg te nemen. Het behoort naar de mening van de Raad tot de competentie van een arbeidsdeskundige om een probleem zoals zich dat voordeed, te onderkennen en adequaat aan te pakken.
Conclusie
De Raad concludeert op grond van het bovenstaande tot gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht. De Raad is op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter
zitting tot de overtuiging gekomen dat beklaagde al te snel en te gemakkelijk de naar zijn oordeel te verwachten arbeidskundige uitkomst van de herbeoordeling in ongenuanceerde bewoordingen aan klaagster kenbaar gemaakt heeft. Voorts heeft beklaagde niet voldoende zorgvuldigheid betracht bij het aanzeggen van zijn eindconclusie. Zijn poging om de zaak telefonisch af te doen was in het licht van de in deze zaak beschreven voorgeschiedenis inadequaat en jegens klaagster onzorgvuldig.
Sanctie
Beklaagde heeft zich naar het oordeel van de Raad buiten de in de Gedragsregels, in het bijzonder gedragsregel 2, neergelegde kaders begeven door zich tijdens het eerste gesprek met klaagster uit te spreken over de bij hem op dat moment bestaande verwachting dat klaagster op basis van de herbeoordeling volledig arbeidsgeschikt zou worden verklaard.
In verband hiermee gelast de Raad tot een schriftelijke waarschuwing.