Uitspraak 5 maart 2010
Uitspraak van de Raad van Toezicht van de Stichting Register Arbeidsdeskundigen (SRA), hierna aangeduid als "de Raad", op de klacht van klaagster, tegen de registerarbeidsdeskundige, hierna aangeduid als beklaagde.
Procesverloop
Bij brief van 6 juli 2009 is door klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde. Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd middels een door haar op 21 september 2009 ingediend verweerschrift. Klaagster heeft op het verweer van beklaagde gerepliceerd bij brief van 5 november 2009. Op 21 januari 2010 heeft de mondelinge behandeling van de klacht ten overstaan van de Raad van Toezicht plaats gevonden, waarbij klaagster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Beklaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer X, directeur van een arbeidskundig bureau waaraan beklaagde als arbeidsdeskundige is verbonden.
De feiten
Beklaagde, werkzaam als Register Arbeidsdeskundige is op 12 februari 2009 door de werkgever ingeschakeld met het verzoek om haar te adviseren over de re-integratiemogelijkheden van klaagster die sedert 1 mei 1999 bij werkgever in dienst is. Werknemer was laatstelijk werkzaam als coördinator administratie op de vestiging T. De volgende vraagstelling is aan beklaagde voorgelegd:
– is het mogelijk dat klaagster, gelet op haar klachten en beperkingen, zoals die uit de FML blijken, binnen redelijke termijn haar eigen functie of een andere passende functie bij haar werkgever zou kunnen vervullen?
– Hoe luidt uw advies met betrekking tot de voortgang van de re-integratie van klaagster?
Op 6 april 2009 brengt beklaagde haar rapportage uit. Blijkens haar rapportage heeft zij de beschikking gehad over de door de bedrijfsarts opgestelde FML, heeft zij met de werkgever en de bedrijfsarts gesproken en heeft zij tweemaal telefonisch contact gehad met klaagster. Om tot een oordeel te komen over passendheid van de eigen functie heeft beklaagde de belastbaarheid van klaagster en de in haar functie voorkomende belasting tegen elkaar afgewogen. Dit zelfde heeft beklaagde gedaan ten aanzien van de functie medewerker werkstraf waarvan klaagster heeft aangegeven dat zij voor die functie in aanmerking wil komen. De conclusie van beklaagde is dat de functie van coördinator administratie, noch de functie medewerker werkstraf passende functies zijn. Er zijn mogelijkheden om werkzaam te zijn in administratief werk, mits praktisch gezien rekening kan worden gehouden met de bij klaagster aanwezige beperkingen. Klaagster werkt 3 x 4 uur in aangepast werk. Deze re-integratiewerkzaamheden zijn voor klaagster als passend te beschouwen. Echter, de negatieve houding van klaagster in het kader van haar re-integratie en haar afwijzende houding jegens het arbeidskundig onderzoek en begeleiding is zorgelijk en belemmert ernstig de voortgang van de re-integratie.
Beklaagde adviseert om de mogelijkheden tot het verrichten van administratieve werkzaamheden voor klaagster binnen de eigen organisatie te onderzoeken. Bij toename belastbaarheid kan uitbreiding van taken worden onderzocht. Is er geen passende administratieve functie aanwezig, dan is een extern traject aangewezen.
De klachten
Klaagster klaagt erover dat beklaagde in het bezit gekomen is van de FML zonder dat klaagster daartoe toestemming heeft verleend. Daardoor heeft beklaagde haar privacy geschonden. Er is sprake van een partijdige en onprofessionele rapportage, die zonder medewerking van klaagster tot stand is gebracht, hoewel klaagster slechts heeft aangegeven voorlopig niet te kunnen meewerken aan het door beklaagde uit te voeren arbeidskundig onderzoek. Beklaagde heeft gebruik gemaakt van verouderde illegaal verkregen gegevens, want de FML was een momenttaxatie, wat de bedrijfsarts ook aan beklaagde heeft laten weten.
Had beklaagde geverifieerd of de aangeleverde medische gegevens wel juist zijn, dan had ze tijdig van de bedrijfsarts kunnen vernemen dat er een actuele FML aangeleverd moest worden voor beklaagde het arbeidskundig rapport uit bracht.
Het is onbegrijpelijk dat beklaagde toch in gaat op het verzoek van werkgever om een arbeidskundig rapport uit te brengen zonder medewerking van klaagster. Beklaagde kan
geen maatwerk leveren zonder deelname van klaagster aan het onderzoek. Tijdens het tussen klaagster en beklaagde gevoerde telefoongesprek op 30 juni 2009, in welk telefoongesprek klaagster aan beklaagde een aantal vragen heeft gesteld, heeft beklaagde die aan haar gestelde vragen niet professioneel beantwoord.
Het verweer
Beklaagde voert in grote lijnen het volgende verweer.
Beklaagde heeft geen oordeel over de persoon van klaagster, noch over haar relatie met de werkgever. Bij haar onderzoek is zij uitsluitend uitgegaan van de maatmanfunctie en mogelijke alternatieven. Bij het vergelijken van een FML (van de werkgever verkregen en als zodanig ook gecommuniceerd naar klaagster) met de belasting in de maatmanfunctie is het oordeel en de conclusie van beklaagde niet betrokken op de persoon van klaagster maar op een vergelijking van belasting en belastbaarheid.
Het is een onderdeel van het werk van een arbeidsdeskundige om werknemers een toelichting te geven op de verplichtingen in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter en de werknemer te wijzen op de consequenties van het niet meewerken aan een arbeidskundig onderzoek. Beklaagde heeft klaagster een toelichting gegeven op haar verplichtingen en ook de bedrijfsarts heeft klaagster geadviseerd om mee te werken aan het onderzoek.
Onder "gegevens werkgever" is de informatie samengevat zoals die werd verkregen van werkgever, waaronder de mededeling dat de casemanager immer positief en stimulerend is gebleven. Duidelijk is in de rapportage aangegeven dat dit de visie van de werkgever betreft en niet een conclusie van beklaagde.
Beklaagde heeft aan klaagster een redelijke reactietermijn gegeven. In de met klaagster gevoerde telefoongesprekken heeft klaagster aangegeven niet met beklaagde te willen spreken, ook niet nadat zij door beklaagde op haar re-integratieverplichtingen werd gewezen.
Klaagster heeft in het tweede met haar gevoerde telefoongesprek en overigens ook nadien nimmer aangegeven dat ze in een later stadium wel mee wilde werken aan het arbeidskundig onderzoek.
Beklaagde heeft terecht in haar rapportage aangegeven dat de houding van klaagster zorgelijk is voor de voortgang van het re-integratieproces.
Wat de FML betreft stelt beklaagde dat zij drie keer telefonisch contact heeft gehad met de bedrijfsarts. Toen zij de FML ontving, was die exact één maand oud. Er is dus geen sprake van verouderde gegevens. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat de FML altijd een momentopname is en dat het om die reden goed is om samen met klaagster te onderzoeken wat er nu kan en wat op termijn de mogelijkheden zijn. De bedrijfsarts zou klaagster daarom oproepen en haar adviseren om wél het gesprek met beklaagde aan te gaan. Volgens de bedrijfsarts zou de psycholoog van klaagster haar eveneens adviseren om mee te werken aan het arbeidskundig onderzoek.
Bij het opstellen van het rapport heeft beklaagde zich gebaseerd op de beschikbare informatie over de belasting in diverse functies bij de werkgever en de belastbaarheid zoals die werd weergegeven in de FML. Beklaagde onthoudt zich van commentaar ten aanzien van de beschuldiging dat zij de door klaagster gestelde vragen niet professioneel zou hebben beantwoord.
Beklaagde heeft aan klaagster aangegeven dat zij, hoewel de werkgever opdrachtgever is, een onafhankelijke positie inneemt. Desalniettemin vereenzelvigt klaagster beklaagde ten onrechte met de werkgever. Klaagster miskent dat beklaagde zich – kort samengevat – bezighoudt met de relatie tussen belasting en belastbaarheid, hetgeen veeleer een technisch analytisch proces is dan enige vorm van betrokkenheid bij een der partijen. Het feit dat klaagster er – in strijd met de adviezen van de bedrijfsarts en haar psycholoog – voor kiest om niet met beklaagde te spreken, betekent niet dat beklaagde zich geen oordeel zou kunnen vormen over belasting, belastbaarheid en herplaatsbaarheid. De rapportage van beklaagde is gebaseerd op objectieve maatstaven en heeft afdoende afstand om van waarde te kunnen zijn. Uit de conclusie in het rapport blijkt geenszins van een partijdige en onprofessionele houding van beklaagde. De door klaagster ingediende klacht is naar het oordeel van beklaagde dan ook niet terecht.
De werkwijze van de Raad
Art. 4 van het Reglement van de Raad van Toezicht bevat bepalingen betreffende de
werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klachten aan de hand van de Statuten en Reglementen van de Stichting en de Gedragsregels. In de werkwijze van de Raad staat centraal de vraag of de arbeidsdeskundige heeft gehandeld binnen de door Gedragsregels aangegeven kaders.
De overwegingen van de Raad
De klachten
Beklaagde heeft de privacy van klaagster geschonden door via de werkgever in het bezit te komen van de F. Beklaagde heeft gebruik gemaakt van verouderde, illegaal verkregen medische gegevens;
De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is. Beklaagde heeft de beschikking gekregen over de door de bedrijfsarts opgestelde FML, die overigens geen medische gegevens bevat. Op de FML wordt aangegeven welke fysieke en psychische beperkingen er bij een arbeidsongeschikte werknemer zijn om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren. In het kader van de Wet Verbetering Poortwachter hebben werkgever en werknemer over en weer een verplichting om mee te werken aan re-integratie. Om aan die verplichting te kunnen voldoen zal de werkgever inzicht moeten hebben in de bij de werknemer bestaande klachten en beperkingen. Indien de werkgever zich ter zake zijn verplichting tot re-integratie laat adviseren en bijstaan door een arbeidsdeskundige, zal ook de laatst genoemde kennis moeten hebben van de bij de werknemer aanwezige fysieke en psychische beperkingen om gedurende een hele werkdag te functioneren. De i.c. door de bedrijfsarts opgestelde FML verschaft de arbeidsdeskundige die kennis. Er is in het licht van het bovenstaande dan ook geen sprake van door beklaagde illegaal verkregen verouderde (medische) gegevens, temeer nu de FML pas één maand oud was toen die in het bezit kwam van beklaagde. Wat dit laatste aspect betreft staat bovendien onomstreden vast dat beklaagde, nadat zij in het bezit is gekomen van de FML, nog enkele keren telefonisch contact heeft gehad met de bedrijfsarts die haar adviseerde om samen met klaagster te onderzoeken in hoeverre de FML nog actualiteitswaarde had.
Het is vervolgens klaagster zelf geweest die een gesprek met beklaagde over de in de FML opgenomen beperkingen uit de weg is gegaan, hoewel zij tot het voeren van een dergelijk gesprek (medisch gezien) zowel door de bedrijfsarts als door haar psycholoog in staat werd geacht.
Beklaagde geeft in haar rapportage blijk van partijdigheid. In een objectieve rapportage had het weerwoord van klaagster, althans haar visie, dienen te worden opgenomen;
De Raad oordeelt deze klacht als ongegrond. Het is de Raad gebleken dat klaagster diverse malen is uitgenodigd om mee te werken aan het arbeidskundig onderzoek. Klaagster heeft aangegeven om persoonlijke redenen aan een dergelijk onderzoek niet mee te willen respectievelijk te kunnen meewerken. De Raad stelt vast dat er geen objectieve (medische) gegevens voorhanden zijn waaruit onomstotelijk blijkt dat klaagster op goede gronden niet mee heeft willen respectievelijk kunnen werken aan het arbeidskundig onderzoek. Klaagster heeft het door de bedrijfsarts en haar behandelend psycholoog gegeven advies om wél mee te werken aan het door beklaagde ingestelde arbeidskundige onderzoek genegeerd. Ondanks voornoemd advies wilde klaagster geen gesprek met beklaagde, waardoor beklaagde de rapportage heeft voltooid zonder uit eigen mond van klaagster haar visie op de re-integratie te vernemen. De opmerking van beklaagde in haar rapportage dat de houding van klaagster in het kader van haar re-integratie zorgelijk is en de voortgang daarbij belemmert, getuigt, gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van de Raad niet van partijdigheid.
Klaagster is door beklaagde ten onrechte niet betrokken bij het opstellen van de rapportage;
De Raad oordeelt deze klacht als ongegrond. Beklaagde heeft klaagster diverse keren in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan het arbeidskundig onderzoek. Klaagster is van mening dat zij daaraan om gezondheidsredenen niet kon meewerken. Het is de Raad evenwel duidelijk geworden dat aan het niet meewerken door klaagster ook andere motieven ten grondslag lagen. Door eerdere door klaagster met haar werkgever opgedane ervaringen, had klaagster het vertrouwen in de oprechte bedoelingen van haar werkgever verloren. Dat heeft bij klaagster aanvankelijk geleid tot weerstand tegen het door de werkgever in gang gezette onderzoek.
Gaandeweg zijn het de gezondheidsklachten geweest die klaagster ertoe hebben gebracht om niet mee te werken aan het arbeidskundig onderzoek, hoewel zij daartoe door haar bedrijfsarts en behandelend psycholoog wél in staat werd geacht. Naar het oordeel van de Raad heeft beklaagde in voldoende mate getracht om klaagster bij haar onderzoek te betrekken en zijn het in de risicosfeer van klaagster liggende omstandigheden die ertoe hebben geleid dat het arbeidskundig rapport zonder de medewerking van klaagster tot stand is gebracht.
Klaagster is door beklaagde niet professioneel te woord gestaan in een telefoongesprek waarin klaagster aan beklaagde vragen heeft gesteld over de arbeidskundige rapportage;
De Raad oordeelt deze klacht ongegrond. Voor zover de Raad heeft kunnen vaststellen, heeft beklaagde zich in het met klaagster gevoerde telefoongesprek niet onoorbaar of onprofessioneel opgesteld. Het is wel duidelijk dat klaagster zeer ontevreden was over de gang van zaken en over de rol van beklaagde in het geheel. Uit de aan de Raad overgelegde stukken is evenwel niet gebleken dat beklaagde zich jegens klaagster zodanig heeft opgesteld respectievelijk gedragen dat zij daarmee enige Gedragsregel heeft geschonden.
Conclusie
De Raad oordeelt de klachten van klaagster ongegrond.
Aldus gewezen op 5 maart 2010