Uitspraak 6 december 2018 (klacht 18/46 AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klaagster, voor wie als gemachtigde optreedt de heer D., tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”, voor wie als gemachtigde optreedt mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer.
Procesverloop
Op 12 februari 2018 is door de gemachtigde van klaagster namens klaagster een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn 8 bijlagen gevoegd.
Bij brief d.d. 10 april 2018 is door de gemachtigde van beklaagde namens beklaagde op de klacht gereageerd.
Met de brief van 26 juni 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klaagster is meegedeeld dat zij haar klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
Bij brief d.d. 19 juli heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster aan het Tuchtcollege verzocht om de klacht in behandeling te nemen.
Op 22 augustus 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde namens beklaagde een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 22 november 2018. Ter zitting is, in aanwezigheid van haar echtgenoot, verschenen klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat –voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.
Klaagster is slachtoffer van een ongeval dat plaatsvond op 29 augustus 2011. Zij is op die datum aangereden door een vrachtwagen. De bestuurder van de vrachtwagen was verzekerd bij [verzekeringsmij.]. [Verzekeringsmij.] heeft aansprakelijkheid erkend. Tussen klaagster en [verzekeringsmij.] is sprake van een civielrechtelijk geschil over de omvang van de aan klaagster als gevolg van het ongeval te vergoeden schade.
In het kader van dat geschil is beklaagde bij beschikking d.d. 1 februari 2017 door de Rechtbank Limburg benoemd als deskundige teneinde een arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar, kort samengevat, de beperkingen die klaagster ondervindt bij het verrichten van arbeid in de eigen onderneming, huishoudelijk werk en/of andere werkzaamheden en de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster.
Op 25 juli 2017 heeft beklaagde zijn concept-rapportage aan de rechtbank en aan de betrokken partijen toegestuurd en is aan partijen, waaronder klaagster, de mogelijkheid geboden om op het concept-rapport te reageren.
Bij brief d.d. 24 augustus 2017 is door de gemachtigde van klaagster namens klaagster op de concept-rapportage van beklaagde gereageerd. Voor zover hier relevant, is in de reactie van klaagster aangegeven dat klaagster zich niet kan verenigen met de wijze waarop beklaagde de uitval huishoudelijke arbeid heeft vastgesteld. Klaagster heeft aangegeven dat het huishouden voor het ongeval in de praktijk volledig op haar neerkwam. Beklaagde gaat echter uit van de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden volgens het systeem-GITHA (Gestandaardiseerde Inventarisatie Taken Huishoudelijke Arbeid) en dat is niet juist, aldus de reactie van klaagster.
Op 13 oktober 2017 heeft beklaagde zijn definitieve rapportage arbeidsdeskundig onderzoek vastgesteld en aan de rechtbank en aan de betrokken partijen toegestuurd. In de definitieve rapportage gaat beklaagde in op de reactie van klaagster op het concept. Beklaagde geeft daarbij het volgende aan:
“Voor de beoordeling uitval huishoudelijke arbeid, ben ik op zoek gegaan naar de maatvrouw op basis van bestaande data welke ik gevonden heb in het zogenaamde GITHA-systeem. Daarmee heb ik de hoeveelheid huishoudelijke arbeid geobjectiveerd en de verdeling van deze taken tussen de echtelieden vastgesteld. Alleen als er voor mij objectieve feiten bekend zijn, kan en wil ik van deze ‘GITHA-data’ afwijken. Dat betrokkene aangeeft dat de verdeling anders lag en ligt, doet daar niets aan af. Als beoordelaar van een door mij niet te controleren situatie in het verleden en heden, kan ik niet anders dan gebruik maken van bestaande data en daarmee van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen echtelieden.”
Bij brief d.d. 27 december 2017 laat de gemachtigde van klaagster aan beklaagde weten dat de definitieve rapportage voor klaagster niet acceptabel is, met name wat betreft hetgeen door beklaagde is gerapporteerd ter zake van de huishoudelijke arbeid. De gemachtigde van klaagster kondigt aan, dat met inachtneming van de wachttermijn van 14 dagen, namens klaagster een klacht tegen beklaagde bij de SRA zal worden ingediend.
Op 12 februari 2018 is de klacht ingediend bij het secretariaat SRA.
De klachten
Klaagster verwijt beklaagde, dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 1 (algemene toetsnorm) en artikel 3 (eisen aan rapportages) Gedragscode SRA. Terwijl klaagster heeft aangegeven dat zij voor het ongeval alle huishoudelijke arbeid deed, is beklaagde volgens klaagster, in weerwil van de reactie van klaagster op de concept-rapportage, zonder deugdelijke motivering en verantwoording, zonder nader feitelijk onderzoek te doen en zonder klaagster in de gelegenheid te stellen ‘tegenbewijs’ te leveren, in zijn rapportage uitgegaan van de standaardverdeling van huishoudelijke arbeid tussen echtelieden (ieder de helft) volgens het systeem GITHA.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragscode SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege toetst dus niet aan civielrechtelijke normen en geeft ook geen oordeel over de mogelijke (civielrechtelijke) consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de klager heeft. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde getoetst aan de binnen de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen ter zake daarvan geldende gedragsnormen.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1 en 3 van de Gedragscode SRA van belang.
Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen een rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen. In dit geval is met name hetgeen in artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA is vastgelegd van belang, namelijk dat de methode van onderzoek die door de arbeidsdeskundige wordt toegepast teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel kan leiden, waarbij de rapporteur de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschrijdt.
De overwegingen van het Tuchtcollege
Ter zake van de inhoud van de klacht overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Het Tuchtcollege is op basis van het dossier en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen van oordeel dat door klaagster, behoudens haar klacht over de wijze waarop beklaagde het systeem-GITHA toepast en de verdeling van de huishoudelijke taken tussen de echtelieden voor het ongeval heeft vastgesteld, niet duidelijk is gemaakt op grond waarvan beklaagde bij de verrichting van zijn onderzoek en opstelling van zijn rapportage niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht heeft genomen. Het Tuchtcollege acht dit onderdeel van de klacht dan ook ongegrond.
Verder is het Tuchtcollege van oordeel dat de rapportage van beklaagde aan de eisen voldoet die in artikel 3 Gedragscode SRA worden gesteld.
Het door beklaagde toegepaste GITHA-systeem geeft, en dat wordt op zich ook niet door klaagster bestreden, een objectief uitgangspunt om de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden vast te stellen en biedt naar het oordeel van het Tuchtcollege als zodanig een, zoals artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA voorschrijft, methode die tot het beoogde doel kan leiden, namelijk een geobjectiveerde en onafhankelijke beantwoording van de door de rechtbank vastgestelde en aan beklaagde voorgelegde vraagstelling. Gezien de door beklaagde onderzochte feiten en omstandigheden en de motivatie van beklaagde, heeft beklaagde zich daarbij naar het oordeel van het Tuchtcollege in redelijkheid ook op het standpunt kunnen stellen dat er voor hem onvoldoende objectieve aanknopingspunten waren om van de standaardverdeling van huishoudelijke taken volgens het GITHA-systeem af te wijken.
Dat klaagster daar een ander standpunt over inneemt, doet daar naar de mening van het Tuchtcollege niet aan af. Dit dient in de civielrechtelijke discussie over de omvang van de schade aan de orde te komen. Het is niet aan het Tuchtcollege om daar inhoudelijk een uitspraak over te doen.
Aan het verwijt van klaagster aan beklaagde, dat beklaagde naar aanleiding van de reactie van klaagster op de concept-rapportage van beklaagde nader onderzoek had moeten doen naar de concrete verdeling van huishoudelijke taken voor het ongeval dan wel beklaagde in de gelegenheid moeten stellen ‘tegenbewijs’ aan te leveren, gaat het Tuchtcollege voorbij. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde zorgvuldig onderzoek gedaan en arbeidsdeskundige rapportage opgesteld die aan de eisen voldoet. De door hem vastgestelde feiten en omstandigheden zijn in voldoende mate geverifieerd en gecontroleerd. Daar komt bovendien bij dat klaagster zowel voor als na de concept-rapportage alle gelegenheid heeft gekregen om beklaagde in het kader van zijn onderzoek van alle noodzakelijke en relevante informatie te voorzien.
Daarmee dient de klacht van klaagster naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond te worden verklaard.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht ongegrond is.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klaagster ingediende klacht ongegrond.
Aldus gegeven op 6 december 2018 door:
mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
C. Boulonois, lid
F. Hoebink, lid