Uitspraak 7 maart 2019 (klacht 18/48 AT)
Uitspraak van 7 maart 2019 (klacht 18-48/AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.
Procesverloop
Op 15 juni 2018 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn een groot aantal bijlagen gevoegd.
Op 27 september 2018 heeft beklaagde op de klacht gereageerd. Aan deze reactie zijn 4 bijlagen gehecht.
Met twee e-mailberichten van 9 oktober 2018 heeft klager op de reactie van beklaagde gereageerd.
Bij brief van 5 november 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege heeft in dat verband tevens kennis genomen van het verslag van het door de Arbeidsdeskundig Ombudsman met klager en beklaagde gevoerde gesprek van 22 oktober 2018 en een brief van beklaagde aan klager van 26 oktober 2018.
Met het e-mailbericht van 12 november 2018 heeft klager aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen.
Op 14 december 2018 heeft beklaagde een verweerschrift met bijlagen ingediend.
Op 6 januari 2019 heeft klager per e-mailbericht op het verweerschrift gereageerd.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 31 januari 2019. Ter zitting is, in aanwezigheid van zijn echtgenote, verschenen klager. Beklaagde is ter zitting verschenen. Beklaagde heeft ter zitting nog kunnen reageren op het e-mailbericht van klager van 6 januari 2019. Verder hebben klager en beklaagde ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat –voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.
Beklaagde heeft in het kader van de Wet verbetering Poortwachter in 2016 in opdracht van de werkgever van klager een arbeidsdeskundig onderzoek spoor 1 verricht.
Op 26 april 2016 is daartoe opdracht aan beklaagde verleend. Door de bedrijfsarts is op 11 april 2016 een FML opgesteld. Na dossierstudie door beklaagde vond op 9 mei 2016 een gesprek met de werkgever op de werkplek plaats. Op 3 juni 2016 bracht beklaagde klager een huisbezoek en had hij een gesprek met klager.
Op 3 juni 2016 heeft beklaagde zijn concept-rapport aan klager (zonder de op het gesprek met werkgever betrekking hebbende tekst) en de werkgever van klager (zonder de op het gesprek met klager betrekking hebbende tekst) toegezonden.
Klager kan zich er niet mee verenigen dat beklaagde klager het eigen werk van klager niet meer passend vindt in verband met veiligheidsaspecten. Klager consulteert de bedrijfsarts daar over. De bedrijfsarts schrijft beklaagde op 22 juni 2016 vervolgens een e-mailbericht met de volgende inhoud:
“We hebben gebeld over je rapportage en heb nu klagergezien. Hij was erg van streek aangezien er iets in het rapport staat dat hij niet kan duiden en er niet mee eens is. Het eigen werk acht je niet passend en dat snapt hij op basis van vele beperkingen die in de FML beschreven zijn. 1 punt kan niet plaatsen: het zou ivm veiligheidsaspecten niet meer passend zijn, want hij zou de aandacht er niet bij kunnen houden. Hier valt hij over. Ik heb de FML nog eens bekeken nu en zie dat ik hem op dat punt ook niet beperkt heb. Ik heb wel beschreven in de toelichting dat hoe smaller de functie is hoe beter. Dat heeft met zijn autisme te maken. Dus in de toekomst zoeken naar taken waarop hij zich kan focussen. Dit veroorzaakt echter geen veiligheidsproblemen. Wat dat betreft moet ik hem dus gelijk geven. Zou je hier nog eens naar willen kijken en mogelijk nog even met mij bellen. […]”
De bedrijfsarts bevestigt per e-mailbericht van 27 juni 2016 aan klager, dat hij beklaagde een mail heeft gestuurd en daarin aan beklaagde bevestigd heeft dat er geen beperkingen zijn op het gebied van concentratie en aandacht.
Op 27 juni 2016 stuurt beklaagde klager ook een e-mailbericht, waarin hij, kort samengevat, aangeeft, dat hij, ondanks contact met de bedrijfsarts, op basis van een combinatie van overschrijdingen van de belastbaarheid in eigen werk/functie, bij zijn standpunt blijft. Die combinatie betreft “Vasthouden van de aandacht (hoe smaller de taak hoe beter hij zich kan focussen)”, “Inzicht in eigen kunnen (zie toelichting, moet rem leren vinden)” en “Zien (linkeroog ziet een vertekend beeld, veranderd kleurenzien en moeite met in donker zien)”, waarmee volgens beklaagde ook de veiligheid niet volledig is geborgd gezien de werkomgeving van klager.
Op 28 juni 2016 geeft beklaagde klager om 10:34 per mail antwoord op vragen en opmerkingen van klager over de in het geding zijnde beperkingen (zicht linkeroog, aandacht, inzicht) en het veiligheidsaspect. Klager reageert daar op om 11:05 uur. Kort en goed geeft klager aan zich niet in de reactie en het oordeel van beklaagde te kunnen vinden.
Vervolgens stuurt beklaagde op 28 juni 2016 om 14:09 aan klager een e-mailbericht waarin hij aangeeft tot een afronding te willen komen met daarbij onder andere de volgende mededeling:
“Nu mijn laatste vraag/verzoek of conceptrapport nu verstuurd kan worden, anders dien ik het in met de vermelding dat jij het niet eens bent met de conclusies en dat ik je gewezen heb op de mogelijkheid tot het indienen van een deskundigenoordeel bij het UWV.”
Klager antwoordt in een e-mailbericht op dezelfde dag met de mededeling dat er onjuistheden in het rapport staan, zowel door de bedrijfsarts als door klager zelf aangegeven. Klager geeft aan het rapport niet goed te keuren en geen toestemming te geven de door hem aangeleverde informatie met de werkgever te delen. Daarbij geeft klager aan:
“Je kunt het rapport zoals eerder door jou met de werkgever opgesteld als eindrapport presenteren. Ik zal daarna verder beslissen.”
Vervolgens zendt beklaagde op 28 juni 2016 om 21:12 uur per mail zijn arbeidsdeskundig rapport aan de werkgever van klager met een cc aan klager. Daarbij vermeldt beklaagde het volgende:
“Cliënt geeft aan niet concreet op de inhoud van zijn tekst te willen reageren en eea te willen bespreken met de bedrijfsarts, ik/ondergetekende heb cliënt daarbij gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een deskundigenoordeel.”
De aan de werkgever toegezonden Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van beklaagde van 28 juni 2016 vermeldt onder andere de tekst van cliënt (p. 3 en 4) met de hiervoor vermelde toevoeging inzake deze tekst en vermeldt dat cliënt toestemming geeft om de door hem verstrekte informatie en zoals verwerkt in de rapportage aan de opdrachtgever ter beschikking te stellen (p. 13).
Per e-mail van 29 juni 2016, 7:17 uur, stuurt beklaagde een aangepaste rapportage aan de werkgever van klager (cc naar klager) met het verzoek de vorige rapportage te verwijderen en als niet verzonden te beschouwen.
In de aangepaste Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van 29 juni 2016 is de in de rapportage van 28 juni 2016 vermelde tekst van cliënt geschrapt (p. 3) en wordt vermeld dat klager “geen inhoudelijke tekst vanuit het gesprek wil verstrekken voor dit onderzoek” (p. 3) en dat klager geen toestemming geeft om de door hem verstrekte informatie van het inhoudelijke gesprek aan de opdrachtgever ter beschikking te stellen (p. 12).
Naar aanleiding daarvan laat klager op dezelfde dag nog aan beklaagde weten het met deze gang van zaken niet eens te zijn, er over de aanpassing van het rapport geen contact met hem is opgenomen, het niet toe te staan dat het rapport inhoudelijk wordt gewijzigd en het een vreemde zaak te vinden dat hem geen ruimte is geboden vooraf te reageren.
Op 30 juni 2016 en 1 juli 2016 wordt tussen klager en beklaagde nog per mail over de rapportage(s) van beklaagde gecorrespondeerd, maar dit brengt geen wijziging in de situatie met zich mee.
Op 25 januari 2017 wordt door beklaagde aan klager een op verzoek van de werkgever (mail van 24 januari 2017) aangepaste rapportage toegestuurd met het verzoek daarop te reageren. Klager reageert daarop met de mededeling dat hij het rapport voor kennisgeving aanneemt en verwijst beklaagde naar de mediator. De aangepaste rapportage wordt door beklaagde op 26 januari 2017 aan werkgever (met een cc aan klager) toegezonden.
In de Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek (aangepast) van 26 januari 2017 zijn door beklaagde een aantal feitelijke onjuistheden over de re-integratie van klager in 2015 (50% werkhervatting) gecorrigeerd, wordt uit contact met de bedrijfsarts op 6 juli 2017 verkregen nadere informatie vermeld (p. 3: geen beperkingen vasthouden en verdelen van de aandacht, visus beperkt op niveau 1, geen veiligheidsrisico) en wordt als concepttekst de tekst van cliënt met de reactie van cliënt daarop vermeld (p. 4 en 5).
Op 15 juni 2018 heeft klager zijn klacht over de handelwijze bij het secretariaat SRA ingediend.
De klachten
Klager verwijt beklaagde, dat hij in strijd met artikel 1 (algemene toetsnorm) Gedragscode SRA heeft gehandeld, door op 28 juni 2016, 29 juni 2016 en 26 januari 2017, zonder toestemming van klager dan wel zonder klager daarin te kennen, arbeidsdeskundige rapporten over klager aan de werkgever van klager te verzenden terwijl deze rapporten (nog) onjuistheden bevatten. Daarnaast verwijt klager beklaagde dat beklaagde bij de afweging van de belastbaarheid van klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA niet is uitgegaan van betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
In deze zaak gaat het daarbij dus om de handelwijze van beklaagde bij de opstelling van de arbeidsdeskundige rapportages over klager van 28 juni 2016, 29 juni 2016 en 26 januari 2017.
Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klager: het Tuchtcollege geeft in deze zaak dus geen oordeel over de (omvang van de) schadelijke gevolgen van de handelwijze van beklaagde voor klager, over het gebruik door de werkgever van de rapportages van beklaagde, over hetgeen in deze zaak bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan de orde is geweest, over de vraag of beklaagde al dan niet het dossier aan klager heeft verstrekt dan wel moet verstrekken en over de vraag of klager heeft gehandeld in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1 en 2 lid 2 van de Gedragscode SRA van belang.
Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 lid 2 is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toeziet dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken.
De overwegingen van het Tuchtcollege
Ter zake van de inhoud van de klacht overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Het Tuchtcollege is op basis van het dossier en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen van oordeel dat klager er terecht over heeft geklaagd dat beklaagde bij vaststelling en verzending van zijn (aangepaste) arbeidsdeskundige rapportages op 28 juni 2016, 29 juni 2016 en 26 januari 2017 in strijd heeft gehandeld met de algemene toetsnorm van artikel 1 en de norm van artikel 2 lid 2, dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toeziet dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit dienst (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken.
Ondanks een wezenlijk verschil van inzicht met de bedrijfsarts en klager zelf over de voor klager geldende beperkingen, althans de interpretatie daarvan (met name op het punt van de veiligheid), heeft beklaagde zijn (aangepaste) rapportages van 28 juni 2016 en 29 juni 2016 ongewijzigd vastgesteld en aan de werkgever als opdrachtgever gestuurd. Gezien de (herhaalde) signalen van de bedrijfsarts en klager over de concept-rapportage van beklaagde, de lange staat van dienst van klager bij de werkgever en het feit dat klager al langere tijd met, in ieder geval een deel van, de aangegeven beperkingen bij werkgever werkzaam was (zonder dat de veiligheid klaarblijkelijk in het geding was), had beklaagde, naar het oordeel van het Tuchtcollege een nader onderzoek naar de (medische) beperkingen van klager en de consequenties daarvan moeten (laten) doen, alvorens zijn conclusies te trekken.
Nu kan naar de mening van het Tuchtcollege niet gezegd worden dat beklaagde bij de opstelling van zijn rapportages over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens beschikte waaruit de (on)mogelijkheden van klager in voldoende mate bleken.
Dat wordt ook bevestigd door het feit dat in de (aangepaste) rapportage van 25 januari 2017 alsnog nadere informatie van de bedrijfsarts van 6 juli 2017 is opgenomen die in ieder geval een ander licht werpt op de beperkingen van klager en de consequenties daarvan.
In het licht van de op klager rustende toenaderingsverantwoordelijkheid en de bij beklaagde ten tijde van de vaststelling van zijn (aangepaste) rapportages bekende omstandigheden omtrent de beperkingen en opstelling van klager (ondersteund door de bedrijfsarts) had beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege tegemoetkomender naar klager moeten zijn en had beklaagde meer tijd moeten nemen en een grotere mate van zorgvuldigheid moeten betrachten door klager meer uitleg te verschaffen en met klager en de bedrijfsarts zo veel als mogelijk op één lijn te komen.
Bovendien stelt het Tuchtcollege vast, dat de wijze waarop de rapportages van 28 juni 2016, 29 juni 2016 en 25 januari 2017 zijn vastgesteld een aantal ernstige gebreken vertonen:
-
ondanks het ontbreken van toestemming van klager, is in de rapportage van 28 juni 2016 toch de zogenaamde ‘tekst van cliënt’ opgenomen en wordt ten onrechte vermeld dat cliënt toestemming heeft gegeven om deze informatie te delen;
-
zonder klager daarin te kennen is de rapportage van 28 juni 2016 door beklaagde aangepast met de onjuiste vermelding dat cliënt “geen inhoudelijke tekst wil verschaffen”;
-
de (aangepaste) rapportage van 25 januari 2017, is een halfjaar later zonder overleg met klager en op eerste verzoek van de werkgever eenzijdig aangepast en bevat een correctie van onjuistheden die eerder al door klager waren aangegeven en een wezenlijke aanvulling van de bedrijfsarts.
Gezien de ten tijde van de vaststelling van de rapportages reeds bestaande discussie met klager en de bedrijfsarts en de zorgvuldigheid die van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, acht het Tuchtcollege deze handelwijze van beklaagde onaanvaardbaar.
Het verweer van beklaagde dat de Gedragscode SRA hem niet verplicht een concept aan de cliënt voor te leggen, kan naar het oordeel van Tuchtcollege hier beslist niet slagen. Beklaagde heeft (en daar viel in dit geval ook veel voor te zeggen!) de keuze gemaakt om wel een concept aan klager als cliënt voor te leggen en zal dan ook de zorgvuldigheid moeten betrachten die daarbij hoort. Het gaat naar de mening van het Tuchtcollege niet aan om je dan als register-arbeidsdeskundige, bij latere klachten over je handelwijze en de wijze van totstandkoming van je rapportages, op het standpunt te stellen, dat dit geen consequenties kan hebben omdat je niet verplicht bent eerst een concept aan de cliënt te sturen alvorens je je rapportage definitief maakt.
Daarmee dient de klacht van klager naar het oordeel van het Tuchtcollege ter zake van de hiervoor genoemde onderdelen gegrond te worden verklaard.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gegrond is.
Tuchtmaatregel
Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.
Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.
Van een register-arbeidsdeskundige wordt, zo blijkt uit de Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde tuchtrechtspraak, een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. Van een register-arbeidsdeskundige mag verwacht worden dat hij er alles aan doet om te voorkomen dat zijn rapportage en optreden een bron van conflicten wordt doordat hij zijn werk onvoldoende zorgvuldig en nauwkeurig uitvoert en zich er onvoldoende van vergewist of de (medische) beperkingen die ten grondslag liggen aan zijn rapportage betrouwbaar, actueel en verifieerbaar zijn. Daarin heeft de register-arbeidsdeskundige een hoge mate van toenaderingsverantwoordelijkheid, dat wil zeggen de verantwoordelijkheid om, zolang dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven. Als dit niet strikt wordt nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk en vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren.
Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Bovendien stelt het Tuchtcollege vast dat beklaagde, zowel in zijn schriftelijke verweer als ter zitting, heeft laten zien zich terdege bewust te zijn van zijn positie als register-arbeidsdeskundige. Ten slotte laat het Tuchtcollege meewegen dat beklaagde bij de behandeling van de klacht de bereidheid toonde tot (kritische) reflectie op zijn handelwijze en daar lessen uit te trekken. Dat is, zo merkt het Tuchtcollege nog maar weer eens op, ook een belangrijk doel van het tuchtrecht.
Een en ander laat naar het oordeel van het Tuchtcollege echter onverlet dat de tekortkomingen in de handelwijze van beklaagde ernstig zijn.
Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde een schriftelijke berisping volgens artikel 22.1 aanhef en onder c van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gegrond en legt beklaagde een schriftelijke berisping op.
Aldus gegeven op 7 maart 2019 door:
mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
C. Boulonois, lid
B. Gerringa, lid