Uitspraak 9 mei 2019 (klacht 19/49 AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.
Procesverloop
Op 19 september 2018 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn 15 bijlagen gevoegd.
Bij zijn brief d.d. 11 november 2018 heeft beklaagde een verweerschrift ingediend.
Met de brief d.d. 20 december 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
Bij e-mail d.d. 21 december 2018 heeft klager aan het Tuchtcollege verzocht om de klacht in behandeling te nemen.
Bij e-mail d.d. 18 februari 2019 heeft beklaagde schriftelijk verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar het eerdere verweerschrift van 11 november 2018.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 28 maart 2019. Ter zitting is verschenen klager, bijgestaan door zijn zoon. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat – voor zover hier relevant – uit van de navolgende feiten.
Beklaagde was ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd zelfstandig register-arbeidsdeskundige.
Klager is op 20 juni 2017 in zijn functie bij zijn werkgever op medische gronden uitgevallen. Gedurende het re-integratieproces heeft klager op 13 april 2018 bij het UWV een Deskundigenoordeel aangevraagd met betrekking tot de re-integratieinspanningen van de werkgever. Het door UWV opgestelde Deskundigenoordeel is bij brief d.d. 29 mei 2018 aan klager, diens werkgever en de bedrijfsarts gezonden. Het Deskundigenoordeel komt er kort samengevat op neer dat het UWV van oordeel is dat de werkgever van klager onvoldoende meewerkt aan de re-integratie van klager.
Bij e-mail d.d. 12 april 2018 is beklaagde door de [arbobegeleider] geïnformeerd over de inzet van beklaagde als arbeidsdeskundige. Beklaagde is in deze e-mail ingekopieerd.
Op 30 mei 2018 heeft beklaagde klager per e-mail geïnformeerd over het arbeidsdeskundig onderzoek dat zou gaan plaatsvinden. Aan klager is daarbij een procesbeschrijving toegestuurd en een invulformulier en een machtiging met het verzoek deze beide formulieren ingevuld te retourneren.
Op 4 juni 2018 is klager uitgenodigd voor een gesprek met de werkgever en beklaagde. Voorafgaand heeft beklaagde met de werkgever gesproken. Beklaagde en de werkgever hebben eerst de inhoud van het Deskundigenoordeel besproken, in het bijzonder de vragen die door UWV waren gesteld over het re-integratietraject. Naar aanleiding daarvan heeft de werkgever beklaagde verzocht alvorens het arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren prioriteit te geven aan het opstellen van een conceptbeantwoording van de door UWV gestelde vragen.
Beklaagde heeft vervolgens deze wijziging van de werkopdracht met klager besproken. Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Kort na het gesprek met de werkgever en met klager heeft beklaagde twee documenten geproduceerd. Op de eerste plaats een op verzoek van de werkgever opgesteld document met een beantwoording van de openstaande vraagpunten rondom het door UWV opgestelde Deskundigenoordeel van 29 mei 2018. Beklaagde heeft dit document bestempeld als een “halffabricaat” dat de werkgever van klager zou kunnen gebruiken voor de beantwoording van het Deskundigenoordeel. Dit zogenoemde halffabricaat is aan de werkgever gestuurd en in kopie aan beklaagde.
Daarnaast heeft beklaagde een opzet gemaakt van het werkgeversdeel van het Arbeidsdeskundig onderzoek en dit aan de werkgever verzonden.
Op 6 juni 2018 heeft klager per e-mail laten weten dat hij beklaagde niet langer accepteerde als arbeidsdeskundige in zijn dossier. Beklaagde heeft vervolgens het besluit genomen de opdracht neer te leggen, aangezien klager niet meer met beklaagde wenste te spreken, klager het machtigingsformulier niet had teruggestuurd en klager had aangegeven tegen beklaagde een klacht in te zullen dienen bij SRA. Beklaagde heeft zich over het terugtrekken verstaan met SRA en zich aldaar laten informeren.
Op 11 juni 2018 heeft op het kantoor van klager een gesprek plaatsgevonden tussen klager en beklaagde. Daarin is aan de orde gekomen dat beklaagde zich zou onttrekken als arbeidsdeskundige in het dossier van klager. Beklaagde heeft de werkgever dezelfde dag geïnformeerd over het neerleggen van de opdracht.
Naar aanleiding van een tussen beklaagde en klager gemaakte afspraak heeft beklaagde onder meer de [arbobegeleider] schriftelijk verzocht om het werkgeversgedeelte te vernietigen.
In zijn e-mail schrijft beklaagde de desbetreffende contractpersoon van de [arbobegeleider]:
“Wil je s.v.p. alle inhoudelijke informatie van mij over [klager] verwijderen uit het systeem bij de [arbobegeleider]?
Zou je ook [werkgever] willen informeren hierover, met hetzelfde verzoek om al het geschrevene als niet-geschreven te beschouwen c.q. te verwijderen uit zijn media/opslag archief e.d.”
Tussen klager en de werkgever is vervolgens een arbeidsconflict gerezen. Naar aanleiding van het ingediende ontbindingsverzoek en de daarbij gewisselde processtukken heeft klager bij zijn e-mail van 20 augustus 2018 aan beklaagde een aantal vragen gesteld over het verloop van het arbeidsdeskundig traject.
Beklaagde heeft de vragen van klager in zijn e-mail van 24 augustus 2018 beantwoord.
Bij zijn e-mail van 28 augustus 2018 heeft klager aan beklaagde nog een aantal vervolgvragen gesteld, door klager “verdiepingsvragen” genoemd. Beklaagde heeft die vragen in zijn e-mail van 4 september 2018 aan klager beantwoord.
De klacht
Klager verwijt beklaagde (i) dat beklaagde zich onvoldoende onafhankelijk tegenover klagers werkgever heeft opgesteld en zelfs met de werkgever heeft samengespannen, (ii) dat de door beklaagde opgestelde rapportage onjuist, manipulerend en van onvoldoende professioneel niveau is geweest, (iii) dat beklaagde zich niet heeft gehouden aan de afspraak om de over beklaagde opgestelde stukken terug te trekken of te laten vernietigen waardoor sprake is van ongeautoriseerd gebruik van persoonsgegevens.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een "blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid".
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege toetst dus niet aan civielrechtelijke normen en geeft ook geen oordeel over de mogelijke (civielrechtelijke) consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de klager heeft. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde getoetst aan de binnen de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen ter zake daarvan geldende gedragsnormen.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 lid 2 en 3 van de Gedragscode SRA van belang.
Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toeziet dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken. Artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.
Klager heeft op 21 maart 2019 nog enkele stukken en een geluidsopname bij het Tuchtcollege ingediend. Ingevolge artikel 14.3 van het Tuchtreglement SRA slaat het Tuchtcollege op deze stukken geen acht, waarbij van belang is dat klager reeds in juni 2018 over de geluidsopname beschikte en niet is gebleken dat hij deze niet eerder heeft kunnen overleggen. Gebruik van de opname zou bovendien niet stroken met de toezegging van klager aan beklaagde in zijn gespreksverslag van 12 juli 2018 dat de geluidsopname niet met derden (buiten klagers advocaat) zou worden gedeeld.
De overwegingen van het tuchtcollege
Ter zake van de klachten overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Het Tuchtcollege stelt voorop dat het van het allergrootste belang is, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig
onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren. Het zal ook de
maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een
negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen.
Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel over het vermeende gebrek aan onafhankelijkheid heeft klager gesteld dat beklaagde buiten de opdracht heeft geopereerd door het gesprek op 4 juni 2018 niet over het arbeidsdeskundig onderzoek te laten gaan terwijl beklaagde door klagers werkgever was ingeschakeld voor het onderzoeken van het tweede spoor.
Deze klacht en de stellingen van klager zijn door beklaagde gemotiveerd betwist. Beklaagde heeft aangegeven dat tijdens zijn gesprek van 4 juni 2018 met de werkgever op diens verzoek prioriteit zou worden gegeven aan de beantwoording van de vragen in het Deskundigenoordeel. Deze lezing wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van de werkgever die beklaagde heeft overgelegd.
Beklaagde heeft voorts onweersproken aangegeven dat het beantwoorden van de door UWV gestelde vragen was bedoeld om het re-integratieproces weer vlot te krijgen. Klager had immers het Deskundigenoordeel aangevraagd. Volgens beklaagde wordt een tweede spoor bovendien pas ingezet indien een werknemer niet meer in staat is om het eigen werk te doen en er geen andere re-integratiemoeilijkheden bij de werkgever meer mogelijk zijn. Volgens beklaagde toonde het Deskundigenoordeel aan dat het eerste spoortraject onvoldoende was onderzocht.
Het Tuchtcollege stelt op grond van het voorgaande vast dat de werkgever in het voorafgaande overleg op 4 juni 2018 de werkopdracht heeft gewijzigd in die zin dat niet het arbeidsdeskundig onderzoek prioriteit had maar de beantwoording van de voor het re-integratieproces relevante vragen die UWV in het Deskundigenoordeel had gesteld. Beklaagde heeft vervolgens klager deze vragen met klager in hun gesprek op 4 juni 2018 besproken.
De omstandigheid dat de werkgever kort voor het gesprek met klager de werkopdracht heeft gewijzigd is naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende om aan te nemen dat beklaagde partijdig is geweest en niet onafhankelijk. Beklaagde heeft klager bovendien geïnformeerd over het feit dat beklaagde in overleg met de opdrachtgever de opzet van de opdracht heeft aangepast.
Voorts is niet gebleken dat het beklaagde was die heeft ingezet op een tweede spoortraject. Uit het dossier komt naar voren dat de bedrijfsarts heeft geadviseerd om een tweede spoortraject in te zetten. Beklaagde heeft gemotiveerd gesteld dat hij van mening was dat een tweede spoortraject op dat moment niet deugdelijk onderbouwd kon worden.
Of sprake is geweest van een vooraf ingenomen standpunt al dan niet in samenspraak met de werkgever heeft het Tuchtcollege op grond van de feiten niet kunnen vaststellen. Dit onderdeel van de klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
Klager heeft zich er verder over beklaagd dat de door beklaagde opgestelde rapportage onjuist, manipulerend en van onvoldoende professioneel niveau is geweest. Uit de stukken in het dossier maakt het Tuchtcollege op dat klager met deze rapportage de opzet bedoelt van de beantwoording van de vragen van UWV (Bijlage 3 bij het klaagschrift).
Het Tuchtcollege stelt vast dat dit document (door beklaagde betiteld als “halffabricaat”) geen onderdeel uitmaakt van een rapportage in het kader van het door beklaagde uit te voeren arbeidsdeskundig onderzoek. In die zin gelden voor dit document niet zonder meer de eisen die aan een arbeidsdeskundige rapportage moeten worden gesteld.
Of de opzet voor de beantwoording van de vragen in algemene zin niet aan de eventueel te stellen professionele eisen voldoet kan hier in het midden blijven. Klager heeft naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende gesteld en aangevoerd dat als grondslag voor een dergelijk oordeel zou kunnen dienen. Ook dit onderdeel van de klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.
Ten overvloede merkt het Tuchtcollege nog op dat een tuchtrechtelijke beoordeling van het eveneens door beklaagde opgestelde concept-werkgeversgedeelte niet mogelijk is nu dit document op uitdrukkelijk verzoek van klager is ingetrokken c.q. vernietigd.
Met betrekking tot het derde klachtonderdeel oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Als gevolg van het neerleggen van de opdracht door beklaagde zijn partijen tijdens het gesprek op 11 juni 2018 overeengekomen dat beklaagde de over klager aanwezige stukken bij de [arbobegeleider] en bij de werkgever zou laten terugtrekken.
Beklaagde heeft op zeer korte termijn (de volgende ochtend) aan de [arbobegeleider] schriftelijk opdracht gegeven de desbetreffende stukken te verwijderen uit het systeem. Ter zitting heeft beklaagde onweersproken aangegeven dat hij dit bij de [arbobegeleider] nog ter bevestiging heeft nagevraagd en heeft geconstateerd dat er geen stukken over beklaagde meer aanwezig waren. Het verzoek tot vernietiging van de desbetreffende stukken is voorts aan de werkgever doorgeleid.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde, overeenkomstig de afspraken die tussen hem en klager zijn gemaakt, al het redelijke gedaan wat in zijn vermogen lag om te bewerkstelligen dat derden niet langer gebruik zouden kunnen maken van het concept-werkgeversgedeelte. Voor zover door derden – in weerwil van het verzoek van beklaagde – nog gebruik zou worden gemaakt van de teruggetrokken documentatie kan dat beklaagde niet worden tegengeworpen.
Vastgesteld moet worden dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen voor het wissen van het concept-werkgeversgedeelte van de arbeidsdeskundige rapportage.
Het Tuchtcollege neemt evenwel tot uitgangspunt, zoals ook ter zitting is gebleken, dat bij klager misverstand is ontstaan over het onderscheid tussen de beantwoording van de vragen van UWV in het Deskundigenoordeel (het “halffabricaat”) en het concept-werkgeversgedeelte.
Volgens het Tuchtcollege had het op de weg van beklaagde gelegen om over de status van dit “halffabricaat”, op zichzelf genomen en in samenhang met het andere door hem vervaardigde document, vanaf het moment dat hij deze documenten had opgesteld zodanige duidelijkheid te verschaffen dat daarover bij klager geen verwarring of misverstand kon ontstaan. Deze voor beklaagde geldende zorgplicht ligt in het verlengde van de verplichting van de register-arbeidsdeskundige om de cliënt op duidelijke wijze in te lichten over zijn opdracht.
Van beklaagde mag worden verwacht dat hij ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan klager bevestigt. Voor beklaagde als professioneel dienstverlener dient het ontstaan van misverstand of verwarring aan de kant van klager voor rekening en risico van beklaagde te komen, ongeacht of deze informatieverplichting ontstond gedurende de zeer kortstondige betrokkenheid van beklaagde in het dossier van klager. Als gevolg hiervan acht het Tuchtcollege het handelen van beklaagde op dit punt onvoldoende zorgvuldig.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover hiervoor is aangegeven, gegrond is.
Tuchtmaatregel
Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.
Het Tuchtcollege acht van belang dat door middel van zijn oordeel alle leden van de beroepsgroep te attenderen op de plicht om de cliënt adequaat te informeren, ook indien de opdracht formeel wordt beëindigd, en belangrijke informatie en afspraken schriftelijk te bevestigen.
In het onderhavige geval heeft klager evenwel materieel geen gevolgen ondervonden van het gerezen misverstand.
Het Tuchtcollege laat voorts meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde is in de periode dat hij (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.
Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval overeenkomstig artikel 22.1 onder a van het Tuchtreglement SRA kan worden volstaan met een gegrondverklaring van het desbetreffende klachtonderdeel zonder oplegging van een maatregel.
Voor zover klager met zijn klacht heeft beoogd schadevergoeding te verkrijgen, merkt het Tuchtcollege ten overvloede nog het volgende op. Schadevergoeding kan niet worden verkregen door middel van een tuchtrechtelijke procedure, ook niet als de klacht gegrond wordt verklaard. Daarvoor bevat het tuchtrecht, zoals geregeld in het Tuchtreglement SRA, geen grondslag.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond zonder oplegging van een maatregel.
Aldus gegeven op 9 mei 2019 door de heer R. Sanders, voorzitter, mevrouw C. Boulonois en mevrouw B. Gerringa, leden.