Uitspraak AT 15 oktober 2018

Uitspraak AT 15 oktober 2018

Uitspraak van 15 oktober 2018 (klacht 18-45/AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: "het Tuchtcollege", op de klacht van klager, voor wie als gemachtigde optreedt mevrouw mr. K.F.J. Machielsen, advocaat te Utrecht, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: "beklaagde", voor wie als gemachtigde optreedt mr. B. Holthuis, advocaat te Deventer.

Procesverloop

Op 16 oktober 2017 is door de gemachtigde van klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn 6 producties gevoegd.

Op 20 december 2017 is door de gemachtigde van beklaagde naar aanleiding van de klacht een verweerschrift met 7 producties ingediend.

Met de brief van 7 mei 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

Bij brief d.d. 14 mei 2018 heeft de gemachtigde van klager de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd. Daarbij is verwezen naar de oorspronkelijke klacht van 16 oktober 2017.

Bij brief d.d. 18 mei 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde een reactie van beklaagde op de brief van de Arbeidsdeskundig Ombudsman van 7 mei 2018 overgelegd.

Op 18 juni 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar het eerdere verweerschrift van 20 december 2017 en de eerdere reactie van beklaagde op de brief van de Arbeidsdeskundig Ombudsman van 18 mei 2018.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 20 september 2018. Ter zitting is verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, mevrouw mr. K.F.J. Machielsen. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. B. Holthuis. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Het Tuchtcollege heeft aan het einde van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

Feiten

Het Tuchtcollege gaat -voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.

Beklaagde was ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij een verzekeringsmaatschappij.

Klager had ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd als zelfstandige samen met een compagnon een bedrijf. Met een op 7 september 2011 ingevuld meldingsformulier heeft klager zich per 1 september 2010 voor 90% arbeidsongeschikt gemeld bij de verzekeringsmaatschappij, waar klager is verzekerd tegen de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid door ziekte of ongeval.

Na de nodige discussie tussen klager en de verzekeringsmaatschappij over de mate van arbeidsongeschiktheid in de periode 2012-2014, geeft de medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij eind 2014/begin 2015 naar aanleiding van nader medisch onderzoek beperkingen aan. Deze beperkingen worden door de medisch adviseur niet nader gekwantificeerd.

In opdracht van de verzekeringsmaatschappij heeft beklaagde in januari 2015 vervolgens een inventariserend arbeidsdeskundig uitgevoerd met als doel: het inventariseren van de bedrijfsactiviteiten en het werk van klager, het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid van klager op basis van het advies van de medisch adviseur van de verzekeringsmaatschappij en het geven van advies over de mogelijkheden van werkhervatting van klager en klager daarbij zo nodig ondersteuning te bieden.

Naar aanleiding van deze opdracht heeft beklaagde klager op zijn bedrijf bezocht op 26 januari 2015 en een arbeidskundig rapport opgesteld.

In het rapport geeft beklaagde als conclusie onder andere het volgende aan:

"De medisch adviseur heeft de aangegeven beperkingen en noodzakelijke rust niet gekwantificeerd. Het is daarom niet mogelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Op basis van het verhaal van verzekerde over uren, groei en vervanging lijkt een inzet van 50% passend. Uitgaande van zijn aangegeven aanwezigheid met verminderde inzet lijkt deze beredeneerde inzet ietwat aan de hoge kant. Verzekerde schat zijn eigen inzet op 25%. Ik geef in overweging om vooralsnog een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse 55-65% aan te houden."

Op basis van dit rapport heeft de verzekeringsmaatschappij bij brief d.d. 5 maart 2015 aan klager meegedeeld, dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2014 wordt vastgesteld op 55-65% (=60% uitkering).

Bij brief d.d. 7 april 2015 heeft klager daar bezwaar tegen gemaakt en verzocht om per 1 juli 2014 uit te gaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 75%. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de verzekeringsmaatschappij klager bij brief d.d. 22 april 2015 meegedeeld dat klager eerst een voorgestelde behandeling dient te ondergaan teneinde zijn beperkingen te kunnen kwantificeren en door de arbeidsdeskundige te laten vertalen naar de mate van arbeidsongeschiktheid, op basis waarvan deze zo nodig en met terugwerkende kracht wordt gewijzigd.

Tegen deze opstelling van de verzekeringsmaatschappij heeft klager op 18 mei 2015 een klacht ingediend bij het Klachtinstituut Financiële Dienstverlening. Bij uitspraak van 11 november 2015 (een niet-bindend advies) is de klacht en vordering van klager door de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening afgewezen.

Bij brief d.d. 29 juni 2017 heeft de gemachtigde van klager namens klager een klacht ingediend bij beklaagde over het arbeidsdeskundig rapport van 26 januari 2015.

De klachten

Klager verwijt beklaagde:

dat zij in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA heeft gehandeld door een uitspraak te doen over de mate van arbeidsongeschiktheid van beklaagde (indeling in ao-klasse 55-65%) zonder te beschikken over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens over de belastbaarheid van beklaagde (de medisch adviseur had weliswaar beperkingen aangegeven, maar deze niet gekwantificeerd op basis waarvan het niet mogelijk was om de mate van arbeidsongeschiktheid te beoordelen);

dat zij in strijd met artikel 3 Gedragscode SRA haar arbeidsdeskundig rapport heeft gebaseerd op veronderstellingen (een veronderstelde inzet van de echtgenote van klager 20% en een uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid van beklaagde zonder betrouwbare gegevens over de belastbaarheid van klager);

dat zij geen deugdelijke en uitgediepte taak-/functieanalyse heeft gedaan;

dat zij in strijd met artikel 1 Gedragscode SRA heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van klager.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een "blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid".

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de uitkering van klager heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.

Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 lid 2 en 3 van de Gedragscode SRA van belang.

Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toe ziet dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on)mogelijkheden in voldoende mate blijken. Artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.

De overwegingen van het Tuchtcollege

Ter zake van de klachten overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

De wijze waarop beklaagde de functie en taken van klager heeft geanalyseerd en heeft beschreven in haar rapport van januari 2015 (blz. 7 van het rapport) is naar het oordeel van het Tuchtcollege deugdelijk en in voldoende mater uitgediept, mede bezien in het licht van het feit dat het onderzoek van beklaagde een inventariserend karakter had. Bovendien motiveert klager niet waarin de taak- en functie analyse tekort zou schieten.

Dit onderdeel van de klachten is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

Niet in geschil is dat, zoals door beklaagde ook in haar rapport is vastgelegd, de medisch adviseur naar aanleiding van het medisch onderzoek beperkingen heeft aangegeven, deze beperkingen en noodzakelijke rustmomenten niet nader heeft gekwantificeerd en het daarom niet mogelijk is om de mate van arbeidsongeschiktheid te beoordelen. Verder staat niet ter discussie dat beklaagde in haar rapport toch een uitspraak doet over de mate van arbeidsongeschiktheid en in overweging geeft om vooralsnog een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse van 55-65% aan te houden.

De vraag die het Tuchtcollege moet beantwoorden is in hoeverre beklaagde daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA. Mocht beklaagde, ondanks het feit dat de beperkingen van klager door de medisch adviseur niet nader waren gekwantificeerd en het daarmee niet mogelijk was om de mate van arbeidsongeschiktheid te beoordelen, toch een (voorlopige) uitspraak doen over de mate van arbeidsongeschiktheid van klager?

Het Tuchtcollege stelt, bij de beantwoording van deze vraag, voorop, dat het in zaken als de onderhavige (arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) niet ongebruikelijk is om een oriënterend arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten, waarbij dan tevens voorlopig de mate van arbeidsongeschiktheid wordt ingeschat op basis van de op dat moment beschikbare gegevens.

Het Tuchtcollege heeft dit eerder overwogen en deze handelwijze op zich ook niet als een onjuiste handelwijze aangemerkt (zie: uitspraak AT 2 mei 2016). Beklaagde is in principe zo ook te werk gegaan bij het opstellen van haar rapportage van januari 2015.

Het Tuchtcollege ziet geen aanleiding om van de eerder door het Tuchtcollege aangegeven lijn af te wijken en acht de handelwijze van beklaagde op dit punt in principe niet onjuist. In het kader van een inventariserend onderzoek is het mogelijk om op basis van de op dat moment beschikbare gegevens een voorlopige inschatting te doen van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Daarbij overweegt het Tuchtcollege dat de verwijzing door klager naar de uitspraak AT 18 juli 2014 niet opgaat omdat het daar een situatie betrof waarin door de register-arbeidsdeskundige een voorlopig oordeel omtrent de ongeschiktheid werd gegeven, terwijl nadien nog een antwoord werd gevraagd op de belangrijke vraag waar de betrokkene in de uitvoering van haar werkzaamheden tegenaan liep. Dat is in dit geval niet aan de orde. Het gaat hier om een afgerond inventariserend arbeidsdeskundig onderzoek waarin een uitspraak wordt gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid.

Tegelijkertijd en zeker bij de door beklaagde gevolgde handelwijze geldt echter het uitgangspunt dat van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid wordt verwacht (zie: AT SRA 22 oktober 2014) en de arbeidsdeskundige op grond van artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA gehouden is op basis van betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens te motiveren en op navolgbare uiteen te zetten op basis waarvan tot een (voorlopige) inschatting wordt gekomen.

Daarbij volledigheidshalve het volgende. Een en andermaal heeft het Tuchtcollege reeds geoordeeld dat van een arbeidsdeskundige mag worden verwacht dat de rapportage van de register-arbeidsdeskundige als zodanig geen bron van conflicten wordt, doordat de rapportage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen. Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang dat hij volstrekt helder in zijn rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen op een in de rapportage beschreven wijze en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse hij per onderdeel tot welke conclusies komt.

Beklaagde heeft zich van deze verplichting naar het oordeel van het Tuchtcollege in dit geval onvoldoende gekweten.

Zoals beklaagde zelf ook aangeeft, waren de medische beperkingen en noodzakelijke rustmomenten van klager ten tijde van de opdrachtvertrekking niet gekwantificeerd en was het daarom niet mogelijk om de mate van arbeidsongeschiktheid te beoordelen. Opvallend is dat beklaagde over die mate van arbeidsongeschiktheid vervolgens toch een uitspraak doet en de verzekeraar in overweging geeft om vooralsnog een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse van 55-65% aan te houden. Het rapport is daarmee naar het oordeel van het Tuchtcollege innerlijk tegenstrijdig en hinkt op twee gedachten.

Gezien het ontbreken van gekwantificeerde beperkingen, lag er naar het oordeel van het Tuchtcollege een zware motiveringsplicht op beklaagde en had zij, nu ze er voor koos toch een uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid van klager te doen, haar conclusie over de mate van arbeidsongeschiktheid, mede gezien het belang van het rapport voor de uitkering van klager en het ontbreken van consensus met klager, van een duidelijke en verifieerbare onderbouwing moeten voorzien. Daaraan ontbreekt het naar het oordeel van het Tuchtcollege.

In de eerste plaats is in het rapport van beklaagde niet goed herleidbaar wie nu wanneer aan het woord is. Is dat klager die informatie verstrekt of is dat beklaagde die uitgaat van bepaalde aannames om tot haar conclusie te komen?

Uit het rapport blijkt naar de mening van het Tuchtcollege ook niet duidelijk wat de omvang is van het aantal uren dat klager ten tijde van het onderzoek nog werkt. Het rapport en de daarin vermelde gegevens verschaffen daar geen concreet en eenduidig beeld van. De informatie daarover kent een hoge onzekerheidsmarge. Vervolgens gebruikt beklaagde een inschatting van het aantal uren dat de echtgenote van klager in het bedrijf vervangt om op die wijze tot een bepaling te komen van de uren die klager nog kan werken. De uren die klager nog werkt en de uren dat de echtgenote klager vervangt zijn door beklaagde niet feitelijk vastgesteld en ook niet bij klager en zijn echtgenote geverifieerd. Het gaat om een inschatting van beklaagde die niet meer is besproken met klager. Daar komt bij, dat de aanname van het aantal werkuren van klager door klager, blijkens het rapport van beklaagde, gemotiveerd door klager is weersproken (klager schat zijn inzet maximaal op 25% uitgaande van het aantal uren dat hij aanwezig is). Naar het oordeel van het Tuchtcollege had het, mede gezien de discrepantie tussen de informatie van klager en de aanname van beklaagde, en het belang van de omvang van de inzet van klager voor de uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid, op de weg van beklaagde gelegen haar uitgangspunten c.q. aannames met betrekking tot het aantal uren dat klager nog werkt zorgvuldig te onderzoeken en te verifiëren en deugdelijk aan de hand van betrouwbare feitelijke gegevens te motiveren.

Klager kan naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook gevolgd worden in zijn klacht dat het rapport op dat punt niet voorzien is van betrouwbare en (belangrijker nog) verifieerbare gegevens.

Vanwege het ontbreken van deugdelijke vaststelling van het aantal uren dat klager nog werkt en de naar de mening van het Tuchtcollege onvoldoende onderbouwde aannames ter zake daarvan, is het Tuchtcollege vervolgens van oordeel dat de inschatting van beklaagde om vooralsnog uit te gaan van een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse van 55-65% ook niet van een deugdelijke onderbouwing is voorzien. In het rapport wordt volgens het Tuchtcollege niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welk grond deze conclusie steunt. Daarmee schiet de rapportage naar de overtuiging van het Tuchtcollege tekort op het essentiële onderdeel van een heldere uiteenzetting van de mate waarin de beperkingen in de weg staan aan het uitoefenen van de aan het verzekerd beroep verbonden werkzaamheden.

Beklaagde geeft aan klager met het rapport juist te hebben willen helpen (klager werd ten tijde van het onderzoek minder dan 25% arbeidsongeschikt beschouwd en ontving geen uitkering) en hem een oplossing te hebben willen bieden. Er waren immers recent medische beperkingen vastgesteld. Door vooralsnog uit te gaan van een arbeidsongeschiktheid in de klasse van 55-65% in afwachting van een nadere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, was klager in die situatie volgens beklaagde meer geholpen dan met een arbeidsdeskundig rapport waarin geen (voorlopige) inschatting van de mate van arbeidsongeschiktheid zou worden gegeven. Klager zou dan nog steeds geen dan wel een te lage uitkering hebben ontvangen, aldus beklaagde.

Hoewel voor dit streven naar een oplossing voor klager begrip valt op te brengen, heeft beklaagde met deze handelwijze naar het oordeel van het Tuchtcollege haar rol als register-arbeidsdeskundige te veel uit het oog verloren. Het is immers de primaire taak van een register-arbeidsdeskundige om volgens de in de beroepsgroep geldende regels arbeidsdeskundig onderzoek te doen. Het had naar de mening van het Tuchtcollege op de weg van beklaagde gelegen om in dit geval hetzij op basis van met klager te bereiken consensus een arbeidsongeschiktheidspercentage te adviseren, hetzij af te zien van het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid in verband met het ontbreken van voldoende (medische) gegevens, zo nodig met het advies de beperkingen van klager alsnog te laten kwantificeren en/of nader onderzoek te (laten) doen naar de feitelijke inzet van klager.

Behoudens in het geval sprake is van deugdelijk vastgelegde consensus, is het bereiken van een (tussentijdse) oplossing naar het oordeel van het Tuchtcollege geen verantwoordelijkheid van beklaagde als register-arbeidsdeskundige, maar ligt dat bij de verzekeraar.

De wijze waarop beklaagde tot haar uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid van klager is gekomen, levert naar het oordeel van het Tuchtcollege strijd op met het bepaalde in artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA. De conclusie van het Tuchtcollege luidt dan ook dat ook de klachten ter zake van de handelwijze van beklaagde op dit onderdeel gegrond zijn.

Het Tuchtcollege volgt klager niet in zijn stelling dat beklaagde geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager en daarmee in strijd heeft gehandeld met de zorgplicht van artikel 1 Gedragscode SRA. Nog afgezien van het feit dat deze klacht naar het oordeel van het Tuchtcollege niet dan wel onvoldoende concreet onderbouwd is om deze te kunnen beoordelen, heeft beklaagde juist wel, en op grond van het vorenstaande misschien wel te veel, rekening willen houden met het belang van klager bij een oplossing van het meningsverschil met de verzekeraar en, gezien de vastgestelde beperkingen, een uitkering van de verzekeraar.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover hier voor is aangegeven, gegrond is.

Tuchtmaatregel

Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.

Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

Zoals eerder overwogen, wordt van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. In de rapportage van de arbeidsdeskundige dient duidelijkheid te worden verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen, mede omdat de rapportage, zoals ook hier, jarenlang een eigen leven kan gaan leiden. Het is daarom van het grootste belang dat in de rapportage op deugdelijk gemotiveerde en navolgbare wijze wordt aangegeven op basis van welke verifieerbare feiten en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse de arbeidsdeskundige tot zijn conclusies komt. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk en vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren.

Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde is in de periode van 16 jaar dat zij (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Bovendien stelt het Tuchtcollege vast dat beklaagde heeft laten zien haar werkzaamheden zeer serieus en nauwgezet te verrichten en zich terdege bewust te zijn van haar positie als register-arbeidsdeskundige en van de dilemma’s die het werken als register-arbeidsdeskundige, ook in een geval als het onderhavige, met zich meebrengt. Ten slotte laat het Tuchtcollege meewegen dat beklaagde bij de behandeling van de klacht een grote mate van bereidheid toonde tot (kritische) reflectie op de haar gevolgde handelwijze en daar lessen uit te trekken. Dat is, zo merkt het Tuchtcollege op, ook een belangrijk doel van het tuchtrecht.

Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval volgens artikel 22.1 onder b van het Tuchtreglement SRA kan worden volstaan met een gegrondverklaring van de klacht zonder de oplegging van een maatregel.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond zonder de oplegging van een maatregel.

Aldus gegeven op 15 oktober 2018 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

B. Gerringa, lid

P. Hulsen, lid