Uitspraak AT 19 augustus 2013

Uitspraak AT 19 augustus 2013

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”,  op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.

Procesverloop

Bij brief van 25 mei 2012, aangevuld met het e-mailbericht van 18 september 2012, heeft klager bij het secretariaat SRA een klacht ingediend over de handelwijze van beklaagde.

Bij brieven van 20 juni 2012 en 20 september 2012 heeft beklaagde zich verweerd.

Bij brief van 27 december heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA  meegedeeld dat bemiddeling geen resultaat heeft opgeleverd. Het Tuchtcollege heeft kennis genomen van het dossier van de Arbeidsdeskundig Ombudsman.

Bij brief van 3 februari 2013 heeft klager zijn klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd.

Bij brief van 1 maart 2013 heeft beklaagde schriftelijk verweer gevoerd.

Met het e-mailbericht van 13 april 2013 heeft klager een nadere toelichting op zijn klacht gegeven en een aantal stukken aan het Tuchtcollege overgelegd.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 18 juli 2013. Klager en beklaagde zijn ter zitting van het Tuchtcollege verschenen. Zij hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Feiten

Het Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

Op 20 augustus 2010 is klager vanwege arbeidsongeschikt uitgevallen voor het werk in de eigen functie bij de werkgever.

Via de arbodienst van de werkgever is aan beklaagde als zelfstandige opdracht verstrekt om ten behoeve van de werkgever een arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar de mogelijkheden om klager te re-integreren en een plan van aanpak op te stellen. In dat kader had beklaagde met klager, vergezeld van zijn moeder, een gesprek ten kantore van de werkgever op 23 januari 2012.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij de arbodienst. Over de klacht vond op 6 maart 2012 een gesprek plaats bij de arbodienst waarbij klager met zijn moeder en beklaagde aanwezig waren.

Op 21 maart 2012 had klager een gesprek met de werkgever over de re-integratie waaraan beklaagde als arbeidsdeskundige van de werkgever deel nam.

Op 27 maart 2013 is door het UWV op verzoek van klager een deskundigenoordeel uitgebracht waarvan de conclusie is dat werkgever onvoldoende doet om werknemer weer aan het werk te krijgen. Namens de werkgever heeft beklaagde  bij het UWV geklaagd over dit oordeel en het UWV verzocht om het oordeel  te vernietigen.

Bij besluit van 30 juli 2012 heeft het UWV aan klager een WGA-uitkering toegekend. Daartegen is door beklaagde namens de werkgever bezwaar gemaakt. Op de hoorzitting in het kader van de behandeling van dit bezwaar op 6 december 2012 heeft beklaagde het bezwaar namens werkgever toegelicht en aangeven dat het afkeuringspercentage onjuist is.

De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat: partijdigheid, een intimiderende en respectloze houding tegenover klager en zijn moeder, het vertellen van onwaarheden en het verspreiden van onjuiste informatie, het negeren van de inbreng van klager, het stellen van een medische diagnose en het delen van die diagnose met anderen, het niet nemen van verantwoordelijkheid, belangenverstrengeling, het achterhouden van belangrijke documenten, het negeren van wet- en regelgeving, het liegen over door klager gewerkte uren en het schenden van de privacy van klager.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hierna volgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen betreffende de werkwijze van het Tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het Tuchtcollege de klacht aan de Statuten, Reglementen en de Gedragscode van de SRA.

De overwegingen van het Tuchtcollege

Het gaat er bij de beoordeling van het beroepsmatig handelen van beklaagde niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten, maar om het geven van een antwoord op de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met het handelen waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard. Daarbij is met name de Gedragscode SRA van belang.

Voor zover bij de beoordeling van de klacht van belang wijst het Tuchtcollege op Artikel 1 van de Gedragscode (de algemene zorgplicht), waarin is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt en hij daarbij handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de op dat moment voor arbeidsdeskundigen geldende professionele standaard.

Daarnaast is  Artikel 2 lid 1 Gedragscode (te verschaffen en vergaarde informatie) van belang: de arbeidsdeskundige licht de cliënt op duidelijke wijze in over zijn opdracht. Daarbij laat hij zich leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan.

Ten slotte wijst het Tuchtcollege op Artikel 6 en 7 Gedragscode (geheimhouding en respect) waarin is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige tot geheimhouding verplicht is en streeft naar een verhouding met onder andere cliënten die berust op respect.

In het licht hiervan oordeelt het Tuchtcollege over de handelwijze van beklaagde als volgt.

Algemeen

Het merendeel van de klachten van klager komt naar de opvatting van het Tuchtcollege voort uit onduidelijkheid bij klager over de positie, opdracht, rol en werkwijze van beklaagde als arbeidsdeskundige.

Beklaagde heeft ter zitting zijn werkwijze  toegelicht. Regelmatig wordt hij als zelfstandige door een arbodienst ingehuurd voor een bepaalde opdracht. Beklaagde neemt dan contact op met betrokkenen, maakt in het kader van het onderzoek een afspraak met betrokkenen en rapporteert vervolgens zijn (concept-)bevindingen aan de arbodienst. De communicatie met betrokkenen laat beklaagde over aan de arbodienst. Als hij naar aanleiding van zijn concept-bevindingen geen reactie meer krijgt van de arbodienst, is de opdracht volgens beklaagde afgerond.

Ook in het geval van klager kreeg van een arbodienst de opdracht om ten behoeve van de werkgever een arbeidsdeskundig onderzoek te doen en een plan van aanpak op te stellen. In het kader daarvan heeft hij telefonisch contact met klager opgenomen en met hem een afspraak gemaakt voor het gesprek op 23 januari 2012. Beklaagde geeft aan tijdens dit gesprek te hebben aangegeven wat zijn opdracht en rol is en een toelichting te hebben gegeven op de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Klager geeft aan dat dit niet duidelijk was en door beklaagde ook niet duidelijk is gemaakt en het gesprek als respectloos en intimiderend te hebben ervaren.

Ter zitting heeft beklaagde aangegeven dat hij na het gesprek met klager diezelfde dag nog met de werkgever heeft gesproken over mogelijkheden om klager bij de werkgever te re-integreren. Vervolgens heeft hij –eveneens op dezelfde dag- zijn concept-rapport opgesteld en aan de arbodienst toegezonden in de verwachting dat de arbodienst het –zoals te doen gebruikelijk- verder met betrokken zou afhandelen. Volgens de toelichting van beklaagde was zijn opdracht daarmee afgerond. Beklaagde heeft niet meer nagegaan of klager zijn rapportage had ontvangen en wat zijn reactie daarop was. Dat liet hij- zoals altijd- ter afhandeling aan de arbodienst over.

Klager geeft aan van de arbodienst geen rapport te hebben ontvangen, maar pas veel later met de bezwaarstukken van het UWV bekend te zijn geworden met de rapportage van beklaagde.

Beklaagde heeft aangegeven van de arbodienst ook de opdracht te hebben gekregen om werkgever te ondersteunen bij het gesprek op 21 maart 2012 over de voortgang van de re-integratie. Beklaagde zag dit als nieuwe opdracht.

Klager was daarvan niet op de hoogte en werd tijdens het gesprek met de aanwezigheid van beklaagde geconfronteerd. Ook van dit gesprek heeft beklaagde een rapport opgesteld en aan de arbodienst verzonden. Klager geeft aan ook van dit rapport pas kennis te hebben genomen met de bezwaarstukken van het UWV.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde met de gevolgde handelwijze niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht heeft genomen en in strijd met Artikel 1 Gedragscode (algemene toetsnorm) heeft gehandeld door niet te handelen in overeenstemming met de op beklaagde rustende verantwoordelijkheid als arbeidsdeskundige. Naar het oordeel van het Tuchtcollege is de handelwijze van beklaagde eveneens in strijd met Artikel 2 lid Gedragscode (informatieplicht).

Zoals het Tuchtcollege eerder heeft geoordeeld, is de grondgedachte van de gedragsregels dat degene die onderwerp is van arbeidsdeskundig onderzoek vooraf over het onderzoek alsmede over de aard, inhoud en doel daarvan wordt geïnformeerd. Het gaat er om dat een betrokkene begrijpt waarom de arbeidsdeskundige is ingeschakeld (zie onder andere: de uitspraken van het Tuchtcollege van 22 oktober 1997 en 22 januari 2010). Het is naar de opvatting van het Tuchtcollege de verantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige om zich daarvan te vergewissen.

Het Tuchtcollege stelt vast, dat beklaagde zich er onvoldoende van heeft verzekerd en vergewist dat zijn positie, opdracht, rol en werkwijze duidelijk waren bij beklaagde. Zeker gezien de positie en aandoening van klager had het op de weg van beklaagde gelegen om dat verifieerbaar duidelijk te maken aan klager. Een schriftelijke bevestiging was in dat verband raadzaam geweest. Ook in het proces daarna (de opstelling van de rapporten en verzending daarvan) heeft beklaagde niet de zorg betracht die van hem als arbeidsdeskundige verwacht mag worden door niet na te gaan of zijn concept-rapporten klager bereikt hadden en klager daarop nog wenste te reageren. Het Tuchtcollege constateert dat beklaagde vooral met de arbodienst heeft gecommuniceerd en niet met klager.

Het verweer van beklaagde dat de gevolgde werkwijze gebruikelijk is bij de arbodienst wordt door het Tuchtcollege verworpen. Beklaagde heeft als register-arbeidsdeskundige een eigen verantwoordelijkheid, mede in het licht het genoemde Artikel 1 en Artikel 2 lid 1 Gedragscode. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde die verantwoordelijkheid veronachtzaamd en niet de zorg jegens klager betracht die van hem als arbeidsdeskundige verwacht mag worden.

De klachten van klager die hierop betrekking hebben (onjuiste informatie, het negeren van de inbreng van klager, het niet nemen van verantwoordelijkheid, het achterhouden van belangrijke documenten en het negeren van wet- en regelgeving) acht het Tuchtcollege gegrond.

Partijdigheid en belangenverstrengeling

Klager klaagt er over dat beklaagde partijdig was en sprake is van belangenverstrengeling doordat beklaagde in het eerste gesprek op 23 januari 2012 optrad als arbeidsdeskundige, daarna in het tweede gesprek op 21 maart 2012 als deskundig ondersteuner van de werkgever en vervolgens als rechtshulpverlener van de werkgever bij de reacties op het deskundigenoordeel van het UWV en het bezwaar tegen het WIA–besluit. Klager geeft aan dat deze rolwisseling hem niet duidelijk was en daarover door beklaagde ook niet hem is gecommuniceerd.

Een aantal klachten van klager (partijdigheid, intimiderende en respectloze houding, belangenverstrengeling, het schenden van de privacy) komen naar de opvatting van het Tuchtcollege uit deze onduidelijkheid voort.

Beklaagde voert als verweer dat hij bij de uitvoering van het arbeidsdeskundigenonderzoek en bij het gesprek op 21 maart 2013 als onafhankelijk arbeidsdeskundige handelde en dat dit onderscheiden moet worden van zijn rol als rechtshulpverlener van de werkgever bij zijn acties richting het UWV. Het gaat volgens beklaagde om onderscheiden opdrachten.  Beklaagde is van mening dat het hem volledig vrij stond op deze manier te handelen. Naar het oordeel van beklaagde was er geen aanleiding om daarover met beklaagde te communiceren.

Het Tuchtcollege acht het in het licht van Artikel 1 Gedragscode van groot belang dat de register-arbeidsdeskundig onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt. Het is naar het oordeel van het Tuchtcollege laakbaar dat beklaagde jegens klager binnen een periode van enkele maanden en zonder enige communicatie met klager daarover verschillende posities jegens klager heeft ingenomen. Het Tuchtcollege stelt vast dat beklaagde niet heeft geverifieerd of de verschillende rollen bij klager duidelijk waren en of daar al dan niet bezwaar tegen bestond . Dat is naar het oordeel van het Tuchtcollege mede van belang omdat voorkomen moet worden dat informatie die  aan een arbeidsdeskundige in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige wordt verstrekt, door de arbeidsdeskundige later in een andere hoedanigheid tegen de verstrekker van de informatie wordt gebruikt. Dat is strijdig met Artikel 6 Gedragscode (geheimhouding).  Alleen al de  schijn dat daarmee in strijd wordt gehandeld moet naar het oordeel van het Tuchtcollege worden vermeden.

In het verlengde daarvan ligt de klacht van klager dat beklaagde zijn privacy heeft geschonden doordat beklaagde in het kader van het bezwaar tegen de WIA-beslissing de beschikking heeft gekregen over het medisch dossier van klager. Beklaagde verweert zich hiertegen door aan te voeren dat klager hem gemachtigd had en deze machtiging niet is ingetrokken,  en hij de informatie door het UWV als rechtshulpverlener toegezonden kreeg. Beklaagde geeft aan de stukken niet aan derden (waaronder de werkgever) ter beschikking te hebben gesteld.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat deze handelwijze voortvloeit uit de rolwisseling van gedaagde, waarover hiervoor reeds geoordeeld is.

Juist het feit dat beklaagde in zijn hoedanigheid van rechtshulpverlener de beschikking krijgt over het medisch dossier van een persoon die eerder onderwerp was van een arbeidsdeskundig onderzoek met de mogelijkheid dat dit tegen die persoon wordt gebruikt, maakt dat van een register-arbeidsdeskundige verwacht mag worden dat hij er van afziet om ten opzichte van een en dezelfde persoon verschillende en zelfs tegenstrijdige posities in te nemen.

Ten overvloede wijst het Tuchtcollege er daarbij dat beklaagde zich niet op de machtiging van klager mag beroepen nu deze aan hem in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek is verstrekt en niet verder strekt dan dat beklaagde in kader van dat onderzoek bij de bedrijfsarts medische gegevens mag opvragen en bespreken.

Overige klachten

Een aantal klachten (intimiderende en respectloze houding, onwaarheden en onjuiste informatie, stellen medische diagnose en het delen daarvan en het liegen over gewerkte uren), behoeven naar het oordeel van het Tuchtcollege in het licht van het bovenstaande geen bespreking meer. Bovendien is het voor het Tuchtcollege moeilijk om de feitelijke aannemelijkheid van deze klachten vast te stellen. Klager en beklaagde spreken elkaar ten aanzien van de feiten tegen. Het Tuchtcollege heeft in beginsel geen reden om aan de verklaring van de klager meer geloof te hechten dan aan de verklaring van beklaagde. Het Tuchtcollege constateert dat nader bewijs ontbreekt.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gegrond is voor zover dat hiervoor is aangegeven.

Het Tuchtcollege is voorts van mening dat de schendingen van de binnen de beroepsgroep geldende Gedragscode en normen ernstig is en een zware maatregel zouden rechtvaardigen. Te meer omdat beklaagde tijdens de zitting weliswaar aangaf dat hij een en ander achteraf bezien beter had kunnen doen, maar er weinig blijk van gaf dat de door hem gevolgde gebruikelijke werkwijze wijziging behoeft en de verschillende posities die hij jegens klager heeft ingenomen strijdig zijn met de op hem rustende verantwoordelijkheid als register-arbeidsdeskundige. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat beklaagde niet eerder onderwerp was van een klachtprocedure. Het Tuchtcollege volstaat daarom met het opleggen van de maatregel van een berisping.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond voor zover dat hiervoor is aangegeven en legt beklaagde ter zake de maatregel van een berisping op.

Deze uitspraak is gegeven op 19 augustus 2013 door M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter en de heren F. Hoebink en J. van Hek, leden.

Voor dezen:

 Mr drs. M.C. van Meppelen Scheppink