Uitspraak AT 19 maart 2018

Uitspraak AT 19 maart 2018

Uitspraak van 19 maart 2018 (klacht 17-38/AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”, voor wie als gemachtigde optreedt mevrouw mr. H.

Procesverloop

Op 28 februari 2017 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. In de klachtbrief wordt verwezen naar de klachtbrief van klager d.d. 27 februari 2017 gericht aan de directie van werkgever van beklaagde met 5 delen en bijlagen genummerd 1 tot en met 25.

Bij brief d.d. 24 april 2017 heeft beklaagde op deze klacht gereageerd.

Op 22 september 2017 heeft klager op deze reactie van beklaagde gereageerd.

Met de brief van 18 oktober 2017 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

Bij brief d.d. 17 november 2017 heeft klager zijn klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd. Daarbij is de oorspronkelijke klacht aangevuld met een mail van klager aan de directeur van werkgever van beklaagde van 3 maart 2017.

Met een e-mailbericht van 17 november 2017 heeft klager nog twee nadere stukken ingediend.

Op 2 januari 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift met 1 productie ingediend.

Met e-mailberichten van 8 februari 2018 heeft klager per We Transfer nogmaals alle stukken aan het Tuchtcollege toegezonden en een reactie op het verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 15 februari 2018. Ter zitting is verschenen klager, vergezeld van zijn dochter. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mevrouw mr. H, en vergezeld van de directeur van werkgever. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Het Tuchtcollege heeft aan klager en beklaagde aan het einde van de zitting medegedeeld, dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

Feiten

Het Tuchtcollege gaat -voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.

Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij werkgever, bureau voor arbeidsconsultancy.

Klager was werkzaam als Hoofd Financiële Administratie voor 40 uur per week. Op 14 februari 2012 is klager volledig arbeidsongeschikt uitgevallen wegens fysieke klachten en beperkingen in zijn persoonlijk functioneren.

In opdracht van de toenmalige werkgever van klager heeft beklaagde in november 2012 arbeidsdeskundig onderzoek gedaan naar de re-integratiemogelijkheden van klager bij de eigen werkgever dan wel elders op de arbeidsmarkt. Dat heeft geleid tot de arbeidsdeskundige rapportage van 22 november 2012.

Op 25 november 2013 heeft klager een WIA-uitkering aangevraagd. Op 6 februari 2014 liet het UWV aan de toenmalige werkgever van klager weten, dat de arbeidsdeskundige van het UWV over onvoldoende informatie beschikt om tot een weloverwogen oordeel te komen in verband waarmee aan de werkgever de sanctie van 52 weken loondoorbetaling opgelegd is.

Naar aanleiding daarvan is door de toenmalige werkgever van klager aan beklaagde opdracht verstrekt aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor klager om bij de eigen werkgever te re-integreren. Vraagstelling van het onderzoek was: wat waren de mogelijkheden voor klager om bij zijn eigen werkgever te re-integreren, ten tijde van de reorganisatie (2012)/omstreeks het einde van het eerste ziektejaar en wat zijn momenteel de mogelijkheden voor klager om bij zijn eigen werkgever te re-integreren.

In verband met dit onderzoek heeft beklaagde op 24 februari 2014 en 3 april 2014 bezoeken gebracht aan de toenmalige werkgever van klager en is door beklaagde op 5 juni 2014 een bezoek afgelegd aan klager. Beklaagde heeft per e-mail diverse concepten van zijn rapport met klager gewisseld. Door klager is per e-mail op de concepten gereageerd.

Op 9 juni 2014 is door beklaagde aan klager de laatste concept-versie van het rapport toegestuurd met de vraag aan klager of deze kans ziet spoedig te reageren. Op diezelfde dag heeft klager per mail aan beklaagde laten weten dat hij het op die dag door beklaagde aan hem toegezonden rapport “voor akkoord bevestigd” onder dank aan beklaagde voor de “genomen moeite en inspanning”.

Het definitieve rapport (verslagdatum 5 juni 2014) is op 9 juni 2014 door beklaagde vastgesteld.

Het dienstverband tussen klager en zijn werkgever is geëindigd. Klager is daarover in een juridische procedure met zijn voormalige werkgever verwikkeld.

De klachten

Klager verwijt beklaagde:

  • dat hij onjuiste informatie heeft geproduceerd en ingediend door het niet dan wel onjuist of verkeerd aanpassen van, tevens het schrappen van relevante informatie uit het concept-rapport van 16 mei 2014 en het vervolgens zonder nadere redigeer- of controlemogelijkheid voor klager vaststellen en indienen van het definitieve rapport met verslagdatum 5 juni 2014;

  • dat de passage over een reorganisatie binnen de organisatie van werkgever in het rapport van 22 november 2012 slechts met voorkennis kan zijn verkregen (de medewerkers, waaronder klager, waren toen door de werkgever nog niet op de hoogte gesteld), en het rapport van klager daardoor opzettelijk misleidend is (de re-integratie en terugkeer zou door de reorganisatie immers niet meer bij de eigen werkgever kunnen plaatsvinden);

  • dat hij in het kader van de totstandkoming van de rapportage in 2014 meer contact heeft gehad met de werkgever dan met klager en er te weinig mondeling contact met klager is geweest. Pas een maand na het eerste bezoek aan werkgever is pas bezoek aan klager afgelegd. Klager voelt zich daardoor door beklaagde achter gesteld;

  • het rapport-2014 niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Klager verwijt beklaagde dat hij in korte tijd 3 (concept-)rapporten moest doornemen en 2 keer moest reageren, dat beklaagde een intimiderend telefoontje heeft gepleegd met klager en er met klager geen contact meer is geweest over de aanpassingen die tot het definitieve rapport met verslagdatum van 5 juni 2016 hebben geleid.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de re-integratie-inspanningen van werkgever en treedt ook niet in de inhoud van het geschil tussen klager en zijn voormalige werkgever. Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de relatie tussen klager en werkgever en/of de opstelling van het UWV heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.

Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1 en 3 van de Gedragscode SRA van belang. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.

Ter zake van de klacht overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

De ontvankelijkheid van de klacht over het rapport van 2012

Een onderdeel van de klacht van klager betreft het verwijt dat klager beklaagde maakt met betrekking tot het rapport van 2012. Dat rapport is definitief vastgesteld op 22 november 2012.

Beklaagde heeft ter zake van de klacht over het rapport van 2012 bij wijze van verweer aangevoerd, dat in artikel 3.3. aanhef en onder b Tuchtreglement SRA is vastgelegd dat een klacht niet-ontvankelijk is als deze niet is ingediend binnen 3 jaar na de dag waarop de gedraging betrekking heeft. Beklaagde heeft er op gewezen dat de klacht over het rapport van 2012 dateert van 28 februari 2017, daarmee niet binnen de genoemde termijn van 3 jaar is ingediend en de klacht, voor zover betrekking hebbend op dit rapport, daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het Tuchtcollege heeft klager ter zitting voor de behandeling van alle andere onderdelen van de klacht in de gelegenheid gesteld om zich eerst over dit verweer uit te laten en beklaagde in de gelegenheid gesteld om dit verweer nader toe te lichten. Vervolgens heeft het Tuchtcollege de zitting geschorst voor beraad. Na de schorsing heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde meegedeeld, dat het Tuchtcollege van oordeel is, dat de klacht, voor zover betrekking hebbend op de rapportage van beklaagde van 2012, op grond van artikel 3.3. aanhef en onder b Tuchtreglement SRA niet-ontvankelijk is, omdat dat deze niet binnen 3 jaar na bekendmaking van het rapport is ingediend, en bij de verdere behandeling door het Tuchtcollege buiten beschouwing zal worden gelaten.

Enkel de klacht, voor zover betrekking hebben op de wijze van totstandkoming en de inhoud van de rapportage van beklaagde van 2014, is nog aan de orde.

De nadere stukken van klager van 8 februari 2018

Ter zitting van het Tuchtcollege heeft de gemachtigde van beklaagde bezwaar gemaakt tegen de stukken die door klager nog op 8 februari 2018 zijn ingediend.

Daarbij is gewezen op het bepaalde in artikel 14 van het Tuchtreglement SRA, namelijk dat nadere stukken door partijen tot uiterlijk 14 dagen voor de zitting bij het secretariaat kunnen worden ingediend.

Door de gemachtigde van beklaagde is aangegeven dat de stukken, met indiening daarvan op 8 februari 2018 en een zitting op 15 februari 2018, door klager te laat zijn ingediend. Nu in artikel 14.3 Tuchtreglement SRA is vastgelegd, dat op stukken die te laat zijn ingediend door het Tuchtcollege geen acht wordt geslagen, is namens beklaagde verzocht om de op de 8 februari 2018 door klager ingediende stukken buiten de behandeling van de klacht te houden.

Na klager ter zitting in de gelegenheid te hebben gesteld zich over deze stellingname van beklaagde uit te laten, heeft het Tuchtcollege de behandeling ter zitting geschorst voor beraad. Na de schorsing is aan partijen meegedeeld dat het Tuchtcollege heeft besloten de op 8 februari 2018 door klager nog ingediende stukken toch bij de behandeling van de klacht te betrekken.

Deze beslissing is door het Tuchtcollege ter zitting als volgt gemotiveerd.

Beklaagde heeft weliswaar gelijk met zijn stellingname dat de betreffende stukken niet tijdig door klager zijn ingediend en daarmee op deze stukken volgens artikel 14.3 Tuchtreglement SRA in principe geen acht wordt geslagen. Tegelijkertijd biedt artikel 14.3 Tuchtreglement SRA met de toevoeging “tenzij anders wordt beslist” aan het Tuchtcollege de ruimte om anders te beslissen. Nu de op 8 februari 2018 door klager nog ingediende stukken merendeels voordien al bekende stukken betreffen, de stukken weliswaar laat maar nog ruim voor de zitting aan beklaagde ter hand zijn gesteld, gedaagde daarmee een redelijke termijn heeft gehad om van deze stukken kennis te nemen en een reactie daarop voor te bereiden, ter zitting ook alle gelegenheid krijgt om op de stukken te reageren en beklaagde daarmee niet zijn belangen wordt geschaad, ziet het Tuchtcollege geen aanleiding om de stukken buiten beschouwing te laten en maakt het Tuchtcollege gebruik van de bevoegdheid op grond van artikel 14.3 Tuchtreglement SRA om anders te beslissen.

De klacht over het rapport van 2014

De inhoud van het rapport van 2014

Ter zake van het rapport-2014 verwijt klager beklaagde in de eerste plaats onjuiste informatie in het definitieve rapport te hebben vermeld, door het niet, dan wel verkeerd aanpassen van het concept-rapport van 16 mei 2014 en het -zonder aan klager nogmaals een controlemogelijkheid te bieden- vaststellen van het definitieve rapport gedateerd 5 juni 2014.

Daarbij gaat het klager, blijkens de stukken en de toelichting ter zitting, om de volgende passages in het rapport van 2014:

  • Klager: op het titelblad van de rapportage (pag. 1) is bij vermelding van de reden van arbeidsongeschiktheid ten onrechte volstaan met de algemene vermelding “Medische klachten” terwijl daar de specifieke aard van de klachten en beperkingen van klager had moeten worden genoemd.

Beklaagde geeft aan, dat dit in het kader van arbeidsdeskundig onderzoek niet relevant en noodzakelijk is, daar als arbeidsdeskundige (niet-arts) bovendien geen uitspraken over te kunnen en mogen doen, terwijl het ook uit een oogpunt van privacy niet is toegestaan en ook niet gewenst is om dergelijke privacy-gevoelige informatie in het rapport te vermelden. Verwezen wordt naar hetgeen wat dat betreft ook op pag. 8 van het rapport is vermeld. De algemene vermelding “Medische klachten” volstaat hier aldus beklaagde.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat deze handelwijze van beklaagde juist is en de klacht ter zake van dit onderdeel geen doel treft.

  • Klager: bij “Kwaliteit van de arbeidsrelatie” wordt op pag. 6 ten onrechte vermeld “Geen bijzonderheden”. Dit is geen juiste beschrijving van de kwaliteit van de arbeidsrelatie op dat moment.

Beklaagde geeft aan dat dit een onderdeel is van paragraaf 2.2. van het rapport waarin onder ander letterlijk het Actueel oordeel van de bedrijfsarts van 10 november 2013 wordt geciteerd en overgenomen, ook ter zake van het onderdeel “Kwaliteit van de arbeidsrelatie”. Dit is dus geen oordeel van beklaagde, maar een letterlijke en volledige weergave van het oordeel van de bedrijfsarts, waartegen door klager, voor zover beklaagde bekend, geen actie is ondernomen.

Het Tuchtcollege volgt beklaagde in deze wijze van handelen. Beklaagde geeft hier uitsluitend en letterlijk het oordeel van de bedrijfsarts weer. Als klager zich met dat oordeel niet kon verenigen, had hij dat bij de bedrijfsarts moeten aankaarten. Beklaagde kan van de vermelding van deze informatie geen verwijt worden gemaakt. De klacht treft dan ook geen doel, aldus het Tuchtcollege.

  • Klager: paragraaf 3.2. “Gesprek met de werknemer” vormt ter zake van een aantal specifieke punten geen volledige en juiste weergave van het gesprek met klager.

Beklaagde geeft aan zich in dit verwijt niet te herkennen en vermeldt dat klager dit in zijn reacties op de concepten niet eerder heeft aangegeven. Er was voor beklaagde dan ook geen aanleiding om deze passage aan te passen.

Het Tuchtcollege stelt aan de hand van de stukken in het dossier vast, dat door klager in zijn reacties op de concepten inderdaad niet eerder op deze passage is gereageerd. Naar de mening van het Tuchtcollege was er daarmee voor beklaagde geen aanleiding om aan de juistheid van deze passage te twijfelen en deze passage aan te passen. Het verwijt dat klager beklaagde op dit punt maakt, mist naar het oordeel van het Tuchtcollege een deugdelijke grond.

  • Klager: in paragraaf 4 “Beoordeling geschiktheid passend werk binnen het bedrijf” wordt door beklaagde weer terugkomen op de reorganisatie van 2012. De paragraaf bevat onjuiste informatie, aldus klager.

Beklaagde heeft toegelicht dat het hier om informatie van de werkgever gaat. De informatie die wordt vermeld, betreft niet de functie van klager, maar de voorkomende belasting van de door beklaagde opgesomde na de reorganisatie bij werkgever nog overgebleven andere functies.

Voor beklaagde was en is er geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. Bovendien: de achtergrond en vraagstelling van het rapport 2012 was een andere dan die van het rapport 2014. Beklaagde geeft aan geen gehoor te kunnen geven aan de wens om het rapport 2012, als dit rapport al onjuistheden bevat, 3 jaar na dato aan te gaan passen. Dat zou naar de mening van beklaagde geen juiste en zorgvuldige handelwijze zijn.

Het Tuchtcollege kan zich in het standpunt van beklaagde vinden en is van oordeel dat de klacht met betrekking tot de handelwijze van beklaagde ter zake van deze passage in het rapport ongegrond is.

  • Klager: op pag. 9 bij het vijfde aandachtstreepje onder de kop “De voorkomende belasting binnen al deze functies is globaal als volgt:” is ten onrechte de door klager in het concept aangegeven passage: “Werknemer heeft dit jaren gedaan. Hij heeft aangegeven dat er meer ondersteuning nodig was op de afdelingen” door beklaagde weggelaten.

Beklaagde heeft toegelicht dat in deze passage de belasting in de door beklaagde aangeduide bij werkgever overgebleven functies wordt beschreven. De werktijden die bij het vijfde aandachtstreepje worden vermeld hebben geen betrekking op klager en zijn specifieke werk of werksituatie, maar betreffen een algemene beschrijving van de belasting in genoemde functies. De door klager op zijn specifieke situatie betrekking hebbende aangedragen aanvulling past niet bij deze passage en is door beklager daarom hier weggelaten.

Nog afgezien van het feit dat de arbeidsdeskundige binnen de marges van zijn deskundigheid bij de verwoording van zijn beoordeling van de geschiktheid van passend werk, naar het oordeel van het Tuchtcollege een ruime mate vrijheid heeft in de wijze waarop hij dit verwoordt en daarbij niet algemeen verplicht kan worden geacht om aanvullingen van betrokkenen bij het rapport over te nemen, is de handelwijze van beklaagde ook in dit specifieke geval niet onzorgvuldig te noemen. Op grond van goede en deugdelijke redenen heeft beklaagde er naar de mening van het Tuchtcollege in dit geval voor kunnen kiezen om de door klager aangevoerde passage niet over te nemen dan wel te verwerken op een andere plaats in het rapport. De klacht treft volgens het Tuchtcollege geen doel.

Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat de klachten ter zake van de inhoud van het rapport 2014 van beklaagde ongegrond zijn

De wijze van totstandkoming van het rapport 2014

Klager verwijt beklaagde ter zake de wijze van totstandkoming van het rapport 2014 dat beklaagde hem ter zake van de laatste (concept-)versie van het rapport geen reële mogelijkheid meer heeft geboden om inhoudelijk te reageren. Het telefoontje dat beklaagde op 5 juni 2014 met klager pleegde was zodanig dat klager zich -naar eigen zeggen- geïntimideerd voelde en zich genoodzaakt voelde om snel en positief te reageren. Dat heeft volgens klager geleid tot de “akkoord-mail” van 9 juni 2014, maar klager kan daar naar zijn mening -mede gezien de situatie waarin hij zich toen bevond- niet aan worden gehouden. Verder verwijt klager beklaagde meer contact met de werkgever dan met hem en te weinig (mondeling) contact met hem te hebben gehad.

Beklaagde geeft aan dat de communicatie wellicht nog beter had gekund, maar naar zijn mening zeer zorgvuldig te hebben gehandeld. Klager heeft ruimschoots en meerdere keren de gelegenheid gehad om op een concept van het rapport te reageren, laatstelijk op 9 juni 2014. Beklaagde stelt dat er, mede gezien de eerdere contacten met klager, geen enkele aanleiding voor hem was om te twijfelen aan het akkoord van klager op 9 juni 2014.

Verder voert beklaagde aan zich absoluut niet te herkennen in de stellingname van klager, dat er sprake zou van een onjuiste verhouding tussen het aantal keren contact met de werkgever en het aantal keren contact met klager en te weinig (mondeling) contact met klager. Dat tussen het gesprek met werkgever en klager enige tijd lag, wordt verklaard door het feit dat beklaagde actuele informatie moest inwinnen bij de bedrijfsarts en daar is enige tijd mee gemoeid geweest.

Het Tuchtcollege deelt het standpunt van beklaagde. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde zeer zorgvuldig gehandeld door klager een ruime gelegenheid te bieden om op concepten van het rapport te reageren alvorens dit rapport definitief werd gemaakt. Dat het telefoontje van beklaagde op 5 juni 2014 een intimiderend karakter zou hebben gehad en door beklaagde onzorgvuldig grote druk op klager zou zijn uitgeoefend, blijkt niet uit het dossier en wordt door klager naar het oordeel van het Tuchtcollege ook niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is ook het Tuchtcollege van oordeel dat er voor beklaagde, gezien de feiten en omstandigheden in dit dossier, geen enkele aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid en consistentie van het akkoord van klager per mail van 9 juni 2014. Beklaagde kon en mocht volgens het Tuchtcollege wel degelijk uitgaan van een akkoord van klager op 9 juni 2014. Er zijn naar de mening van het Tuchtcollege geen gronden aan te voeren waarom klager daar thans op terug zou kunnen en mogen komen. Het verwijt van klager dat hem onvoldoende mogelijkheden voor controle en correctie zijn geboden en niet uit kan worden gegaan van zijn akkoord op 9 juni 2014, mist naar het oordeel van het Tuchtcollege deugdelijke grond. Dat geldt naar de mening van het Tuchtcollege ook voor het verwijt dat klager maakt ter zake van het aantal keren contact met de werkgever en met klager. Er is verklaarbaar en functioneel een aantal keren contact geweest met de werkgever, terwijl door beklaagde zowel door een gesprek als contact per e-mail en telefoon ruimschoots en zorgvuldig contact is onderhouden met klager. Volgens het Tuchtcollege is geen sprake van een scheve verhouding in het aantal contactmomenten noch van enige schijn van partijdigheid aan de kant van beklaagde.

De conclusie van het Tuchtcollege luidt dan ook dat ook de klachten ter zake van de wijze van totstandkoming van het rapport 2014 van beklaagde ongegrond zijn.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover betrekking op de rapportage van beklaagde van 2012, niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond is.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht, voor zover betrekking hebben op het rapport van beklaagde van 2012, niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven op 19 maart 2018 door:

M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
C. Boulonois, lid
F. Hoebink, lid