Uitspraak AT 19 maart 2018
Uitspraak van 19 maart 2018 (klacht 17-40/AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van de klager tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.
Procesverloop
Bij brief d.d. 1 mei 2015 met 4 producties is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.
Op 13 juni 2017 is door beklaagde op deze klacht gereageerd.
Met de brief van 9 september 2017 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
Dit heeft klager met zijn brief d.d. 1 oktober 2017 met 4 producties gedaan.
Bij brief d.d. 22 december 2017 heeft beklaagde een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 15 februari 2018. Klager is, zoals door hem van tevoren was aangekondigd, niet ter zitting verschenen. Beklaagde is ter zitting verschenen, vergezeld van een collega . Beklaagde heeft ter zitting haar standpunt toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Het Tuchtcollege heeft aan het einde van de zitting medegedeeld, dat het onderzoek wordt gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat -voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.
Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij bureau X, een bureau voor verzuimpreventie.
Klager was werkzaam in de functie van technisch medewerker/knipschaarmachinist. Op 23 januari 2015 is klager arbeidsongeschikt uitgevallen wegens een bedrijfsongeval.
In het kader van de verplichtingen voortvloeiend uit de Wet Verbetering Poortwachter is door de heer L. van een arbodienstverleningsbureau in oktober/november 2015 een arbeidsdeskundig onderzoek gedaan naar de re-integratiemogelijkheden van klager. Dit heeft geleid tot een concept-rapport d.d. 11 november 2015.
Dit rapport is onderwerp geworden van een juridisch geschil tussen de werkgever van klager en het arbodienstverleningsbureau.
Op 8 januari 2016 heeft de bedrijfsarts van bureau X een re-integratie advies uitgebracht en daarin -kort samengevat- aangegeven dat klager arbeidsongeschikt is voor het eigen werk, maar in staat is om in passend werk te re-integreren.
Omstreeks diezelfde datum heeft beklaagde contact gelegd met klager en daarbij aan klager laten weten, dat zij door de werkgever van klager als arbeidsdeskundige van de nieuwe arbodienst bureau X is ingeschakeld in het kader van het ziekteverzuim met als doel als verzuimbegeleider/ casemanager op te treden en de mogelijkheden voor aangepast werk voor klager te onderzoeken en met klager en werkgever te bespreken.
Beklaagde geeft aan, dat voor 13 januari 2016 een afspraak met klager is gemaakt voor een gesprek bij de werkgever om de mogelijkheden van passend werk samen te bespreken. Klager geeft aan dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt, maar dat hij naar aanleiding van de uitnodiging voor dit gesprek heeft aangegeven een persoonlijk gesprek met beklaagde te willen hebben en beklaagde heeft toegezegd dat daarvoor een afspraak wordt gemaakt na het gesprek met de werkgever.
Op 13 januari 2016 is er tussen beklaagde en klager telefonisch contact geweest, waarbij beklaagde klager er op heeft gewezen, dat hij zonder bericht niet is verschenen op de afspraak die voor die dag bij de werkgever zou zijn gemaakt, door beklaagde is gewezen op het belang van een gesprek over aangepast werk en is door beklaagde aan klager aangegeven dat hij de volgende dag op het werk dient te verschijnen voor werkhervatting in aangepast werk. Klager heeft daarop aangegeven niet aan dit verzoek ter kunnen voldoen vanwege een conflictsituatie op het werk.
Diezelfde dag heeft beklaagde aan klager zowel per mail als per post een brief gestuurd met de navolgende inhoud:
Geachte heer ,
Wij hebben vernomen dat u aangeeft morgen uw werk niet te kunnen hervatten. Echter uit overleg met de bedrijfsarts , dat ik zojuist had blijkt dat er medisch gezien geen bezwaar is tegen werkhervatting in aangepast werk.
Dat zou beschouwd kunnen worden als een weigering mee te werken aan reïntegratie.
De werknemer moet altijd gevolg geven aan de door de werkgever gegeven voorschriften in dit kader. Voorts moet de werknemer altijd meewerken aan alle re-integratie-activiteiten. Wij wijzen u op de mogelijke gevolgen wanneer u zonder deugdelijke gronden weigert mee te werken aan uw re-integratie:
-
Als de werknemer zonder deugdelijke gronden weigert mee te werken aan de re-integratie, dan kan de werkgever de loondoorbetaling aan de werknemer staken.
-
Bij amendement is tijdens de behandeling van de Wet Poortwachter door de leden van de tweede kamer aan artikel 7:670b BW een derde lid toegevoegd, op grond waarvan het ontslagverbod tijdens ziekte niet van toepassing is. Ontslag is mogelijk wanneer de zieke werknemer zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door de werkgever -of een door hem aangewezen deskundige- gegeven redelijke voorschriften, en weigert mee te werken aan de door de werkgever getroffen reïntegratiemaatregelen om hem in staat te stellen de eigen arbeid of andere passende arbeid te verrichten.
Zo niet, dan zullen wij uw werkgever adviseren om op basis van het niet meewerken aan re-integratie opschorting van het loon toe te passen.
Een kopie van deze brief is aan uw werkgever verzonden.
Met vriendelijke groet,
Bureau X
-naam beklaagde-
Op 14 januari 2016 is klager niet op het werk verschenen.
Naar aanleiding daarvan heeft bureau X bij (zowel aangetekend als per mail verzonden) brief d.d. 18 januari 2016 klager een laatste waarschuwing gestuurd met betrekking tot zijn re-integratieverplichtingen en hem een bedenktijd van 8 dagen gegeven om zijn houding en standpunt te herzien, bij gebreke waarvan aan de werkgever zal worden geadviseerd een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen.
Klager heeft hier geen gehoor aan gegeven, waarna de loondoorbetaling aan klager per 18 januari 2016 is stopgezet.
Bij vonnis d.d. 10 januari 2017 heeft de Kantonrechter de werkgever veroordeeld om het loon aan klager door te betalen.
De klachten
Klager verwijt beklaagde dat zij zeer onzorgvuldig onderzoek heeft gepleegd en zij partijdig en onjuist heeft gehandeld met verstrekkende gevolgen. Beklaagde heeft zich daarmee volgens klager niet gedragen zoals een behoorlijk arbeidsdeskundige betaamt en in strijd gehandeld met de Gedragscode van de SRA.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten.
Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de re-integratie-inspanningen van werkgever en treedt ook niet in de inhoud van het geschil tussen klager en zijn voormalige werkgever. Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de relatie tussen klager en werkgever en/of de opstelling van het UWV heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht is met name artikel 1 en 2 van de Gedragscode SRA van belang. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Volgens de uitspraken van het Tuchtcollege vloeit uit deze zorgplicht ook voort, dat de arbeidsdeskundige zich objectief, onafhankelijk en onpartijdig opstelt en belangenverstrengeling en iedere schijn van partijdigheid vermijdt.
Overwegingen met betrekking tot de klacht
Ter zake van de klacht overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Voor zover de klacht inhoudt, dat beklaagde klager in strijd met artikel 2 lid van de Gedragscode SRA niet duidelijk heeft geïnformeerd over haar opdracht, kan het Tuchtcollege klager daarin niet volgen.
Beklaagde heeft klager bij de aanvang van haar werkzaamheden duidelijk geïnformeerd over haar opdracht, namelijk dat zij door de werkgever is ingeschakeld in het kader van het ziekteverzuim met als doel als verzuimbegeleider/casemanager op te treden en de mogelijkheden voor aangepast werk voor klager te onderzoeken en met klager en werkgever te bespreken. Voor klager was daarmee volstrekt duidelijk, althans kon daarmee volstrekt duidelijk zijn, dat er geen herhaling zou komen van het arbeidsdeskundig onderzoek van 2012, maar beklaagde een andere opdracht had.
Dat laat naar het oordeel van het Tuchtcollege onverlet, dat een arbeidsdeskundige ook bij het vervullen van een dergelijke opdracht gebonden is aan de uit artikel 1 Gedragscode (zorgplicht) eis dat de arbeidsdeskundige zich objectief, onafhankelijk en onpartijdig opstelt en iedere schijn van partijdigheid vermijdt. Zoals het Tuchtcollege in het verleden meerdere malen heeft overwogen is het voor het functioneren van de arbeidsdeskundige beroepsgroep onontbeerlijk, dat betrokkenen moeten kunnen vertrouwen op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de arbeidsdeskundige en verwacht mag worden dat de rapportage en het optreden van de arbeidsdeskundige zodanig zal zijn dat deze op zich geen bron van conflicten wordt.
Zie: de uitspraken RvT 11 maart 2008, 22 januari 2010 en 28 februari 2011.
Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde zich met haar wijze van handelen richting klager onvoldoende objectief, onafhankelijk en onpartijdig heeft opgesteld.
Door de manier waarop zij klager heeft benaderd, met name ook met haar brief van 13 januari 2016, is zij teveel op de stoel van de werkgever gaan zitten en heeft zij onvoldoende de voor een register-arbeidsdeskundige noodzakelijke distantie betracht. Door klager direct en op een -naar het gevoelen van het Tuchtcollege tamelijk sommerende manier- aan te spreken op de re-integratieplichten, te waarschuwen voor weigering en zelfs maatregelen in de sfeer van stopzetting van loondoorbetaling aan te zeggen, heeft beklaagde zich onvoldoende objectief en onpartijdig opgesteld en werd zij zelf een bron van conflicten. Beklaagde had naar het oordeel van het Tuchtcollege, uit hoofde van de op haar rustende zorgplicht, meer tijd moeten nemen om zich in de situatie en het waarom van het handelen van klager te verdiepen, zich moeten beperken tot een adviserende rol en het uit hoofde van haar onafhankelijkheid als arbeidsdeskundige aan de werkgever moeten overlaten om zo nodig actie richting klager te ondernemen en maatregelen te treffen.
De conclusie van het Tuchtcollege is dan ook dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met artikel 1 van de Gedragscode SRA en de klacht daarover gegrond is.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gegrond is.
Maatregel
Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.
Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze wezenlijke tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven. Zoals gezegd, is het van belang dat een register-arbeidsdeskundige objectief, onafhankelijk en onpartijdig optreedt en iedere schijn van partijdigheid vermijdt. De handelwijze van beklaagde is daarmee ernstig in strijd. Daarbij laat het Tuchtcollege meewegen dat beklaagde er ter zitting bij het Tuchtcollege niet of nauwelijks blijk van gaf dit in te zien en weinig tot geen inzicht toonde in het tekortschieten van haar handelwijze, ook niet nadat zij door het Tuchtcollege kritisch op haar handelwijze jegens klager werd bevraagd. Tegelijkertijd is het Tuchtcollege er ambtshalve mee bekend, dat aan beklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.
Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval aan beklaagde de maatregel genoemde in artikel 22.1 onder b van Tuchtreglement SRA, een waarschuwing, dient te worden opgelegd.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gegrond en legt beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.
Aldus gegeven op 19 maart 2018 door:
M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
C. Boulonois, lid
F. Hoebink, lid