Uitspraak AT 2 december 2013

Uitspraak AT 2 december 2013

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager, voor wie als gemachtigde optreedt: mevrouw mr. A.B. Noordhof, advocaat te Eindhoven, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: beklaagde.

Procesverloop
Bij brief van 20 september 2012 is door de gemachtigde van klager een klaagschrift met 4 producties over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.
Bij brief van 23 oktober 2012 met 8 producties heeft beklaagde zich verweerd.
Bij brief van 3 juni 2013 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA meegedeeld dat bemiddeling geen resultaat heeft opgeleverd. Het Tuchtcollege heeft kennis genomen van het dossier van de Ombudsman.
Bij brief van 13 juni 2013 heeft de gemachtigde van klager de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd.
Bij brief van 24 juli 2013 heeft beklaagde daarop schriftelijk gereageerd.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 31 oktober 2013. Klager is niet ter zitting verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beklaagde is ter zitting verschenen. Ter zitting zijn de standpunten toegelicht en zijn vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Feiten
Het Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
Klager is van 1 augustus 2010 tot 1 juni 2012 werkzaam geweest bij de werkgever. Op 4 september 2011 is klager arbeidsongeschikt geworden.
Van de werkgever kreeg beklaagde in mei 2012 opdracht om zijn expertise in te zetten. In verband daarmee heeft beklaagde op 15 mei 2012 telefonisch contact opgenomen met klager om een afspraak te maken. Beklaagde sprak met de echtgenote van beklaagde. Dit telefonisch onderhoud verliep zodanig, dat geen afspraak tussen klager en beklaagde tot stand kwam.

Bij brief d.d. 15 mei 2012 is het verloop van dit telefoongesprek door beklaagde aan klager bevestigd. In de brief geeft beklaagde het advies van de bedrijfsarts weer en wordt door beklaagde uitleg gegeven van de taak en rol van een arbeidsdeskundige. Verder geeft beklaagde aan dat hij geprobeerd heeft een afspraak met klager te maken, maar dat dit door de echtgenote van klager werd verhinderd. Beklaagde wijst in de brief van 15 op de mogelijke consequenties van de opstelling van (de echtgenote) van klager en spreekt de bereidheid uit om samen met klager en de werkgever aan de re-integratie verder vorm te geven.
Na deze brief heeft nog een tweede telefoongesprek tussen beklaagde en de echtgenote van klager plaatsgevonden. In dit gesprek is door de echtgenote van klager geïnformeerd naar de onafhankelijkheid van beklaagde nu beklaagde -naar zeggen van de echtgenote van klager- samen met de werkgever een bedrijf heeft. Door beklaagde is daarop geantwoord dat hij als gecertificeerd arbeidsdeskundige per definitie onafhankelijk is.
Verder heeft beklaagde als arbeidsdeskundige geen bemoeienissen met klager gehad.
De directeur van de werkgever is 50% aandeelhouder in de onderneming van beklaagde. De onderneming van beklaagde is gevestigd op hetzelfde adres als het adres waar de werkgever gevestigd is.

De klachten
Klager verwijt beklaagde dat beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Klager is van mening dat beklaagde niet als onafhankelijk kan worden beschouwd nu hij een zakelijke relatie met de werkgever heeft. Daarnaast verwijt klager beklaagde dat beklaagde hem op intimiderende en dwingende wijze heeft benaderd. Ter zitting heeft de gemachtigde van klager aangegeven dat klager beklaagde ook verwijt dat beklaagde het advies van de arbo-arts heeft genegeerd.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hierna volgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen betreffende de werkwijze van het Tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het Tuchtcollege de klacht aan de Statuten, Reglementen en de Gedragscode van de SRA.

De overwegingen van het Tuchtcollege
Het gaat er bij de beoordeling van het handelen van beklaagde niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het handelen waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard. Daarbij is met name de Gedragscode SRA van belang.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht is met name artikel 1 van de Gedragscode (de algemene zorgplicht) van belang. In artikel 1 van de Gedragscode is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt en hij daarbij handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de op dat moment voor arbeidsdeskundigen geldende professionele standaard.

In het licht hiervan oordeelt het Tuchtcollege over de handelwijze van beklaagde als volgt.
Klacht 1: schijn van partijdigheid
Klager klaagt er over dat beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt nu beklaagde werd ingeschakeld door de werkgever met wiens directeur beklaagde ook een zakelijke relatie heeft (het hiervoor genoemde aandeelhouderschap en het gemeenschappelijk vestigingsadres). Beklaagde kon naar het oordeel van klager daarom niet als onafhankelijk worden beschouwd.
Zoals het Tuchtcollege eerder heeft uitgesproken, acht het Tuchtcollege het in het licht van Artikel 1 van de Gedragscode van groot belang dat de register-arbeidsdeskundige onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt. Verwezen wordt naar de uitspraken van het Tuchtcollege (voorheen Raad van Toezicht) van 11 maart 2008 en 19 augustus 2013.
Onbetwist is dat de directeur van de werkgever van klager, tevens opdrachtgever van beklaagde, 50% aandeelhouder is van de onderneming van beklaagde en de werkgever en de onderneming van beklaagde op hetzelfde adres zijn gevestigd. Daarmee staat vast dat er tussen de werkgever en beklaagde nog een andere (zakelijke) relatie bestaat dan alleen de relatie van opdrachtgever en register-arbeidsdeskundige.

Ter zitting is door beklaagde aangegeven dat hij klager kende als medewerker van de werkgever voordat hem de opdracht werd verleend, mede omdat materialen van zijn onderneming op de werkkamer van klager bij de werkgever lagen opgeslagen. Bovendien heeft beklaagde verteld dat hij klager zelf voor de opdrachtverlening op een beurs heeft aangesproken en daarbij heeft aangegeven zijn expertise als arbeidsdeskundige in te willen zetten voor de re-integratie van klager.
Op grond van deze feiten is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt en door klager terecht wordt gesteld dat beklaagde, gezien de relaties met de werkgever en klager, niet als onafhankelijk kan worden beschouwd. Beklaagde had de opdracht niet moeten aanvaarden. Klacht 1 wordt dan ook gegrond verklaard.
Het gegeven dat door klager eerder niet is aangegeven te twijfelen aan de onafhankelijkheid van beklaagde wordt door het Tuchtcollege als niet-relevant buiten beschouwing gelaten. Het is naar het oordeel van het Tuchtcollege in het licht van artikel 1 van de Gedragscode SRA de zelfstandige verantwoordelijkheid van de register-arbeidsdeskundige om bij aanvaarding van een opdracht af te wegen of hij voldoende onafhankelijk kan optreden en iedere schijn van partijdigheid en/of belangenverstrengeling wordt vermeden en daar zelf op voorhand duidelijkheid over te verschaffen.
Klacht 2: intimiderende en dwingende wijze van optreden
Klacht 2 betreft het verwijt dat beklaagde klager op intimiderende, dwingende wijze heeft benaderd. Deze klacht komt voort uit het verloop van het telefoongesprek van 15 mei 2012, waarin beklaagde volgens klager -ondanks het advies van de arbo-arts en bezwaren van de echtgenote van klager- bleef aandringen op een gesprek op de locatie van werkgever en klager onder druk zou hebben gezet door te beginnen over loonopschorting en ontslag.
Beklaagde geeft aan dat hij voor het telefoongesprek van 15 mei 2012 bij de bedrijfsarts navraag deed over de mogelijkheden van een gesprek met klager en bestrijdt dat hij klager in het telefoongesprek onder druk zou hebben gezet dan wel geïntimideerd. Beklaagde heeft als problematisch ervaren dat hij van de echtgenote van klager geen gelegenheid kreeg met klager te spreken en een afspraak met klager te maken. Beklaagde geeft aan klager slechts in algemene termen op de mogelijke arbeidsrechtelijke consequenties van de opstelling van klager te hebben gewezen en dit ook zo te hebben vastgelegd in de brief van 15 mei 2012.

Klager en beklaagde hebben ieder een eigen lezing van het verloop en de inhoud van het telefoongesprek van 15 mei 2012. Het is voor het Tuchtcollege moeilijk om de feitelijke gang van zaken vast te stellen nu nader bewijs ontbreekt. Afgaande op de feiten zoals deze door klager worden aangevoerd, komt het Tuchtcollege tot oordeel dat geen sprake is geweest van een intimiderende, dwingende wijze van benaderen door gedaagde. Weliswaar blijkt uit hetgeen door klager en beklaagde wordt aangevoerd, dat het telefoongesprek op 15 mei 2012 voor beiden onbevredigend en enigszins escalerend is verlopen, maar het voert naar het oordeel van het Tuchtcollege te ver om dit als intimidatie, dwingen aan te merken.
Klacht 2 wordt dan ook ongegrond verklaard.
Klacht 3: negeren advies arbo-arts
Met klacht 3 verwijt klager aan beklaagde dat beklaagde het advies van de arbo-arts heeft genegeerd en daarmee onzorgvuldig te hebben gehandeld. Volgens klager volgde uit het advies van de arbo-arts dat een gesprek met beklaagde op neutraal terrein diende plaats te vinden en is door beklaagde aan dit advies voorbijgegaan door aan te dringen op een gesprek op de locatie van werkgever.
De door klager aan het Tuchtcollege overlegde informatie van de arbo-arts vermeldt niet dat een gesprek met klager alleen op neutraal terrein kon plaatsvinden en niet op de locatie van werkgever kon worden gevoerd. Dat beklaagde klager uitnodigde voor een geprek op de locatie van werkgever, betekent dus niet dat beklaagde het advies van de arbo-arts heeft genegeerd. Beklaagde heeft bovendien contact gehad met de arbo-arts naar aanleiding van diens advies en probleemanalyse. Daarmee heeft beklaagde de medische gegevens voldoende geverifieerd alvorens contact op te nemen met klager. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde het advies van de bedrijfsarts daarmee niet genegeerd.
Zoals hiervoor aangegeven beoordeelt het Tuchtcollege niet wat beter of anders had gekund. In hoeverre het beter was geweest dat beklaagde mee was gegaan met de blijkbaar dringende wens van klager om het gesprek op een andere locatie dan de locatie van de werkgever te voeren, laat het Tuchtcollege dan ook als niet relevant in het midden.
Klacht 3 is dan ook ongegrond.

Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat klacht 1 gegrond is. Voor het overige zijn de klachten ongegrond.
Het Tuchtcollege is voorts van mening dat de schending van de binnen de beroepsgroep geldende Gedragscode een maatregel rechtvaardigt. Bij oplegging van de maatregel houdt het Tuchtcollege wel rekening met het feit dat beklaagde ter zitting aangaf dat hij de opdracht van de werkgever bij nader inzien niet had moeten aanvaarden vanwege de verstrengeling van relaties met de werkgever. Beklaagde heeft daarvoor excuses aan klager aangeboden. Bovendien geeft beklaagde aan zich bewust te zijn van zijn verantwoordelijkheid als register-arbeidsdeskundige. Ten slotte laat het tuchtcollege meewegen dat beklaagde niet eerder onderwerp was van een klachtprocedure en (ook na de klacht) verschillende malen verzocht heeft om een gesprek met klager, maar klager daarop niet is ingegaan. Van enige arbeidsdeskundige bemoeienis door beklaagde is het niet gekomen. De Raad volstaat daarom met het opleggen van de maatregel van een waarschuwing.

Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond voor zover dat hiervoor is aangegeven en legt beklaagde ter zake de maatregel van een waarschuwing op.
Deze uitspraak is gegeven op 2 december 2013 door M.C. van Meppelen Schepping, voorzitter en de heren F. Hoebink en J. Wijnekus, leden.
Voor dezen:

M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter