Uitspraak AT 20 december 2017
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het tuchtcollege”, op de klacht van klaagster tegen de register-arbeidsdeskundige hierna te noemen: beklaagde.
Procesverloop
Op 28 maart 2017 is door klaagster een klacht over de handelswijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij brief van 20 mei 2017 heeft beklaagde op de klacht gereageerd.
Met de brief van 14 juli 2017 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en dat hij klaagster heeft laten weten dat zij haar klacht kan voorleggen aan het tuchtcollege.
Klaagster heeft aansluitend kenbaar gemaakt dat zij de klacht bij het tuchtcollege in behandeling wilde laten en een mail toegezonden van 15 augustus 2017 waarbij een digitaal bericht was gevoegd van 20 januari 2017.
De mondelinge behandeling van de klacht door het tuchtcollege vond plaats op 16 november 2017. Klaagster is verschenen. Beklaagde is eveneens verschenen ter zitting, bijgestaan door
mr. S.M.C. Verheijden, advocaat. Klaagster en beklaagde hebben ter zitting hun standpunt toegelicht en vragen van het tuchtcollege beantwoord.
Feiten
Het tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten. Klaagster is in dienst bij werkgever in de functie van Opleidingsmanager Zij is uitgevallen op 2 juni 2016. De bedrijfsarts heeft de belastbaarheid in kaart gebracht. Daarbij heeft hij ten aanzien van het persoonlijk functioneren, het sociaal functioneren, het dynamisch handelen en statische houdingen diverse beperkingen geduid. Ten aanzien van de werktijden heeft hij klaagster eveneens beperkt geacht in die zin dat zij ’s nachts niet kan werken tussen 00.00 en 06.00 uur. ’s Avonds kan zij evenmin werken tussen 18.00 en 24.00 uur. De bedrijfsarts heeft voorts aangegeven dat hij geen mogelijkheden voor inzet in werk aanwezig acht, zowel ten aanzien van de uren per dag, als de uren per week.
Ten aanzien van de overige beperkingen ten aanzien van de werktijden acht de bedrijfsarts ook deze beperkt: “Er is momenteel sprake van een situatie van minimaal benutbare mogelijkheden voor een inzet in werk; daarmee geen mogelijkheid voor een inzet in (aangepaste) werkzaamheden:
-
Herstel is te verwachten.
-
Verwachting: dan geen urenbeperking bij een invulling met passend werk.
-
Een prognose daartoe is nog niet te geven.”
Als overige opmerkingen heeft de bedrijfsarts geschreven: “De gezondheidsklachten zijn naar aard en intensiteit zodanig dat er sprake is van zogenaamde minimale mogelijkheden voor een inzet in werk. Dit is een situatie waarin iemand wel zelfredzaam is, maar waarbij de beperkingen met betrekking tot een inzet in werk zodanig omvangrijk zijn dat een inzet in (aangepaste) werkzaamheden niet mogelijk is. Ik heb een zogenaamde functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, gebaseerd op het resultaat van het recente onderzoek en de ervaringen met de gezondheid en de werkinzet van werknemer in de afgelopen jaren.”
Met inachtneming van deze beperkingen heeft beklaagde een gesprek gehad met de werkgever op 11 januari 2017, gevolgd door een telefoongesprek met de bedrijfsarts op diezelfde dag. Beklaagde heeft klaagster gesproken op 13 januari 2017. Aansluitend heeft beklaagde een rapport uitgebracht waarin zij de vragen die de werkgever haar heeft gesteld heeft beantwoord. Alvorens definitief te rapporteren, heeft zij een concept rapport toegezonden waarop klaagster commentaar heeft geuit.
De klachten
Het klaagschrift is vrij omvangrijk maar bevat geen duidelijke klachten. Zoals besproken met klaagster ter zitting heeft zij beoogd om twee klachtonderdelen aan het tuchtcollege voor te leggen, te weten (i) een klacht tegen het gedrag van beklaagde en (ii) een klacht tegen de inhoud van het rapport.
Het verweer
Beklaagde voert verweer dat in het hierna volgende zal worden besproken.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen over de werkwijze van het tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het tuchtcollege de klachten aan de Statuten, Reglementen en de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
De overwegingen van het Tuchtcollege
Vooropgesteld geldt dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen van de arbeidsdeskundige niet gaat om het geven van een antwoord op de vraag of dat handelen beter of anders had gekund of gemoeten. Het tuchtcollege geeft uitsluitend antwoord op de vraag of gezegd kan worden dat het handelen waarover wordt geklaagd is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Bij de beoordeling van de klachtonderdelen zijn met name de artikelen 1, 2 en 3 Gedragscode SRA van belang. In artikel 1 Gedragscode SRA is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Artikel 2 Gedragscode SRA bevat bepalingen over datgene wat een arbeidsdeskundige omtrent zijn onderzoek dient uit te leggen aan de cliënt. Artikel 3 Gedragscode SRA bevat eisen die gesteld worden aan arbeidsdeskundige rapportages.
Op grond van hetgeen hiervoor is aangegeven overweegt het tuchtcollege als volgt ten aanzien van het eerste klachtonderdeel. Van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij acht het tuchtcollege de toenaderingsverantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van de ethiek van groot belang. Uit deze professionele verantwoordelijkheid vloeit voor de arbeidsdeskundige voort om met betrokkene in gesprek te komen waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht en in gesprek te blijven (art. 2 Gedragscode SRA).
Daar wringt wat het tuchtcollege betreft te dezen de schoen, nu tussen partijen als onbestreden vast staat dat beklaagde het gesprek is aangevangen met de mededeling: “Dit gaat geen leuk gesprek voor je worden en dat weet werkgever ook.” En “Zowel de bedrijfsarts als werkgever begrijpen dat je een basisinkomen nodig hebt.” Of woorden van gelijke strekking. Beklaagde heeft ter zitting erkend dat zij het gesprek met die mededelingen heeft geopend. Deze woordkeuze geeft blijk van een gesloten gespreksstructuur die is gericht op een aanzegging, terwijl beklaagde juist een open structuur had dienen te hanteren die was gericht op het doen van eigen onderzoek.
Ter zitting heeft beklaagde toegelicht dat het uitgangspunt van haar onderzoek was dat klaagster hoe dan ook niet kon terugkeren naar haar eigen werk en dat het uitdragen van dat standpunt aldus in feite de opdracht was die zij als arbeidsdeskundige had gekregen.
Het tuchtcollege deelt dat standpunt evenwel niet. De vraagstelling aan beklaagde luidde immers letterlijk: “a) Is het eigen werk passend of passend te maken? Wat is het aangewezen vervolgtraject? b) Zijn er andere passende functies bij deze werkgever? Wat zijn de vervolgstappen? c) Als er geen mogelijkheden bij de eigen werkgever zijn, wat zijn dan de mogelijkheden op de arbeidsmarkt en hoe ziet het vervolgtraject er uit?”
Door deze opdracht aldus te aanvaarden, heeft beklaagde als arbeidsdeskundige de verplichting op zich genomen om overeenkomstig de daaraan te stellen eisen een deugdelijk arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten. Het tuchtcollege realiseert zich daarbij terdege dat de functionele mogelijkhedenlijst die de bedrijfsarts had opgesteld tot gevolg had dat beklaagde een smalle marge had om te concluderen tot inzetbaarheid, maar dat neemt de op haar rustende verantwoordelijkheid als professional niet weg om desondanks een volledig onderzoek te verrichten, ongeacht de eventuele uitkomst van dat onderzoek. Zulks klemt temeer ook, daar klaagster heeft aangegeven dat juist door de vooringenomenheid ten aanzien van de uitslag van het onderzoek bij haar de indruk heeft postgevat dat beklaagde er als arbeidsdeskundige niet voor haar was; de conclusie stond al bij voorbaat vast. Beklaagde beaamt dat ook zowel in de processtukken, als ter zitting.
Aldus handelend heeft beklaagde zich echter onvoldoende rekenschap gegeven van de op haar rustende verantwoordelijkheid als arbeidsdeskundige om met klaagster in gesprek te komen en te blijven. In dat verband valt ook op dat beklaagde, zoals zij zelf ook heeft toegegeven, zelfs het functiehuis van de werkgever onbesproken heeft gelaten. Beklaagde heeft de visie van werkgever dat er geen passend werk voor klager was in feite zonder enig nader onderzoek als onbetwistbaar meegewogen in haar afwegingen en conclusies. Een en ander is te meer opvallend, omdat bij de werkgever waar klaagster werkzaam is ruim 2.000 werknemers in dienst zijn met in totaal ongeveer 1.700 fte. Het gaat naar de overtuiging van het tuchtcollege – zeker ook bij een dergelijke bedrijfsomvang – niet aan om op voorhand en zonder nader onderzoek te concluderen dat passende arbeidsmogelijkheden ontbreken.
Anders dan beklaagde heeft betoogd, heeft de bedrijfsarts niet gesteld dat geen sprake was van arbeidsmogelijkheden. De bedrijfsarts heeft, zoals beklaagde terecht opmerkt, ook niet aangegeven dat sprake was van “GBM”, “geen benutbare mogelijkheden”. Dat de marge, zoals het tuchtcollege hiervoor heeft aangegeven, smal was, maakt dat niet anders.
Het tuchtcollege acht de handelwijze van beklaagde ook niet consistent. Enerzijds betoogt zij immers dat zij de – kennelijk zeer beperkte – mogelijkheden met klaagster diende te bespreken tijdens haar onderzoek, maar vervolgens heeft zij dat evenwel (ten onrechte) nagelaten.
Het tuchtcollege acht, gelet op het voorgaande, onjuist, dat beklaagde bij het verrichten van haar werkzaamheden “daarom niet heeft gesproken over het aanpassen van de functie of het zoeken naar een aangepaste functie”, zoals beklaagde heeft betoogd. Anders dan beklaagde stelt, is daarmee immers niet gezegd dat zij voorbij zou zijn gegaan aan de beoordeling van de bedrijfsarts. Nogmaals, het tuchtcollege realiseert zich dat de marge gering is, maar niet zo gering dat beklaagde redelijkerwijs kon afzien van het verrichten van eigen onderzoek naar passende arbeidsmogelijkheden. Daardoor ook heeft het kunnen gebeuren dat in feite de uitslag van het onderzoek bij voorbaat als vast stond.
Anders dan klaagster betoogt, ziet het tuchtcollege in het handelen van beklaagde evenwel geen doelbewuste opzet om naar een bepaald resultaat toe te werken. Het heeft echter aldus (wel) kunnen gebeuren dat, zoals gezegd, de uitslag van het onderzoek bij voorbaat vast stond vanwege het feit dat beklaagde er ten onrechte van uit is gegaan dat de bedrijfsarts stelde dat geen sprake was van arbeidsmogelijkheden. Was dat immers het geval geweest, dan zou arbeidsdeskundig onderzoek op dat moment overbodig zijn geweest, hetgeen beklaagde echter niet heeft betoogd. Op grond van het voorgaande is het tuchtcollege van oordeel dat de klacht ter zake van het gedrag van beklaagde gegrond is.
Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op de totstandkoming van de rapportage. Klaagster betoogt dat het rapport erop gericht lijkt te zijn om haar en haar functioneren in een slecht daglicht te plaatsen. Meer specifiek betoogt klaagster dat zij naar aanleiding van het concept-rapport vele opmerkingen heeft geplaatst en deze slechts gedeeltelijk in de definitieve rapportage zijn verwerkt.
Het tuchtcollege volgt klaagster niet in haar stellingen. Beklaagde heeft aan haar zorgplicht als arbeidsdeskundige voldaan door een concept van haar rapportage ter correctie aan klaagster voor te leggen alvorens haar rapport definitief te maken. De zorgplicht van beklaagde gaat op grond van artikel 1 Gedragscode SRA naar het oordeel van het tuchtcollege niet zo ver dat een arbeidsdeskundige verplicht is om een rapport nogmaals na verwerking van commentaar op het concept ter goedkeuring aan de cliënt voor te leggen (Vgl. AT SRA 1 juni 2017).
Daarbij komt nog dat het tuchtcollege erop wijst dat het concept juist bedoeld is voor opmerkingen en correcties. Beklaagde hoeft geen gelegenheid te bieden om nog te reageren op de verwerking van de opmerkingen en verzoeken. Hoe de arbeidsdeskundige de opmerkingen en verzoeken van de cliënt verwerkt kiest hij zelf binnen de geldende professionele kaders. Daarbij wijst het tuchtcollege er nog op dat hij rapportages inhoudelijk marginaal toetst (art. 3 Gedragscode SRA)
Gelet op het voorgaande verwerpt het tuchtcollege het tweede klachtonderdeel.
Tuchtmaatregel
Nu sprake is van gegronde klacht over de handelwijze van beklaagde is de vraag aan de orde of een tuchtmaatregel aan beklaagde moet worden opgelegd en zo ja welke tuchtmaatregel genoemd in artikel 22 lid 1 Tuchtreglement SRA dit dient te zijn.
Naar de overtuiging van het tuchtcollege dient beklaagde de maatregel van waarschuwing te worden opgelegd. Een waarschuwing is te omschrijven als een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van de handelwijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Daarbij neemt het tuchtcollege in ogenschouw dat beklaagde niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld (Vgl. AT SRA 2 mei 2016).
Beslissing
Het tuchtcollege verklaart het eerste klachtonderdeel gegrond en legt beklaagde ter zake de maatregel van een waarschuwing op. Het tuchtcollege verklaart het tweede klachtonderdeel niet gegrond.
Nu de klacht aldus gedeeltelijk gegrond is verklaard dienen ingevolge artikel 3.7 van het Tuchtreglement SRA de door klaagster voldane administratiekosten ter hoogte van € 50,00 aan haar te worden gerestitueerd nadat de beroepstermijn als bedoeld in artikel 16.1 van het Tuchtreglement SRA ongebruikt is verstreken.
Deze uitspraak is gegeven op 20 december 2017 door mr. E.J. Wervelman, voorzitter, mw. M. Castricum en dhr. P.E. Hulsen, leden.
Voor dezen:
E.J. Wervelman, voorzitter