Uitspraak AT 20 februari 2018
Uitspraak van 20 februari 2018 (klacht 17-37/AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, hierna te noemen: “klaagster”, voor wie als gemachtigde optreedt mr. B. advocaat, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”, voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. J.
Procesverloop
Op 7 maart 2017 is door klaagster een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. In de klachtbrief wordt verwezen naar de brief met 18 bijlagen van klaagster aan werkgever van beklaagde van 17 februari 2017.
Bij brief met bijlage van 29 mei 2017 heeft beklaagde op deze klacht gereageerd.
Op 21 juni 2017 heeft klaagster de klacht aangevuld.
Bij brief met bijlage d.d. 21 juni 2017 heeft beklaagde een aanvullende reactie ingediend.
Met de brief van 13 september 2017 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klaagster heeft laten weten dat zij haar klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
Bij brief met 5 bijlagen van 19 september 2017 heeft klaagster haar klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd.
Op 5 november 2017 heeft beklaagde een verweerschrift met bijlage ingediend.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 11 januari 2018. Ter zitting is verschenen de gemachtigde van klaagster. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Daartoe door het Tuchtcollege in de gelegenheid gesteld, heeft beklaagde na de zitting bij brief d.d. 12 januari 2018 nog een brief van werkgever van beklaagde aan klaagster van 1 november 2016 aan het Tuchtcollege toegezonden. Op deze brief heeft klaagster nog per mail van 22 januari 2018 gereageerd.
Het Tuchtcollege heeft daarna aan klaagster en beklaagde laten weten dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat uit van de navolgende feiten.
Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam.
In het kader van de uitoefening van de aan zijn werkgever opgedragen wettelijke taken heeft beklaagde in opdracht van zijn werkgever op 27 januari 2017 op verzoek van een werknemer van klaagster een Deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster uitgebracht. Daarbij zijn de re-integratie-inspanningen van klaagster door beklaagde als niet voldoende beoordeeld.
Op 17 februari 2017 heeft klaagster met een brief met 18 bijlagen bij beklaagde over dit oordeel geklaagd met het verzoek aan beklaagde om daar op te reageren. Tevens is aan beklaagde verzocht om de betreffende klacht door te zenden naar de afdeling die belast is met de WIA-beoordeling. Op deze klacht is noch door beklaagde noch door de werkgever gereageerd.
Beklaagde heeft het re-integratieverslag in het kader van de aanvraag van een WIA-uitkering door dezelfde werknemer van klaagster ook beoordeeld en daarbij het standpunt dat hij innam bij het deskundigenoordeel van 27 januari 2017 min of meer herhaald.
De klachten
Klaagster verwijt beklaagde dat:
-
hij als arbeidsdeskundige in strijd heeft gehandeld met uit de zorgplicht (artikel 1 Gedragscode SRA) voortvloeiende eis van onafhankelijkheid door, in weerwil van de klacht van klaagster van 17 februari 2017, naast het deskundigenoordeel op verzoek van een werknemer van klaagster, ook een oordeel te geven over het re-integratieverslag in het kader van de WIA-aanvraag van dezelfde werknemer van klaagster;
-
het Deskundigenoordeel re-integratie-inspanningen werkgever d.d. 27 januari 2017 in strijd is met de artikelen 1, 2 en 3 van de Gedragscode SRA doordat door beklaagde geen hoor- en wederhoor is toegepast en het deskundigenoordeel gebaseerd is op aannames en suggestieve stellingen en geen blijk geeft van een zorgvuldige beoordeling aan de hand van de feitelijke en gedocumenteerde werkelijkheid en objectiveerbare gegevens.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Het Tuchtcollege toetst dus niet aan de Algemene wet bestuursrecht, de Richtlijn rapporteren voor arbeidsdeskundigen van werkgever, de Werkinstructie Deskundigenoordelen, de sociale zekerheidswetgeving en uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, waar klaagster zich in dit geval mede op beroept. Ook de klacht van klaagster over de te late aanvraag WIA en de late afgifte van het deskundigenoordeel laat het Tuchtcollege buiten beschouwing.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster en treedt ook niet in de inhoud van het oordeel van beklaagde daarover. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 en 3 van de Gedragscode SRA van belang. In artikel 1 Gedragscode SRA is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Uit deze zorgplicht vloeit ook voort dat de arbeidsdeskundige objectief, onafhankelijk en onpartijdig dient te zijn. Artikel 2 Gedragscode SRA bepaalt welke informatie de arbeidsdeskundige de cliënt dient te verschaffen en welke informatie de arbeidsdeskundige dient te vergaren. In artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.
De overwegingen van het Tuchtcollege
Op grond van het hetgeen hiervoor is aangeven, overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Onafhankelijkheid
Het Tuchtcollege wijst er nogmaals op dat de Gedragscode SRA ook en volledig van toepassing is op het handelen van een register-arbeidsdeskundige die in dienst is van werkgever en werkzaamheden uitvoert in het kader van de wettelijke taken die aan de werkgever zijn opgedragen. Dit wordt door beklaagde ook niet betwist.
In de uitspraak van 27 oktober 2014 heeft het Tuchtcollege reeds geoordeeld dat het enkele feit dat een arbeidsdeskundige in dienst van werkgever meerdere malen een arbeidsdeskundig oordeel uitbrengt over een werkgever met betrekking tot dezelfde werknemer, niet met zich meebrengt, dat wordt gehandeld in strijd met de eisen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid die op grond van artikel 1 Gedragscode aan het handelen van de arbeidsdeskundige worden gesteld.
In dit geval is echter sprake van bijkomende en bijzondere omstandigheden die het Tuchtcollege tot het oordeel brengen dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met de voor hem als arbeidsdeskundige geldende eisen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid door naast het uitgebrachte deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster ook het re-integratieverslag in het kader van de WIA-aanvraag, waarbij dezelfde werknemer betrokken was, te beoordelen.
Beklaagde was ten tijde van de beoordeling van de WIA-aanvraag immers bekend met de uitvoerige klacht van klaagster van 17 februari 2017 over de wijze van totstandkoming en inhoud van zijn deskundigenoordeel en het verzoek om daar bij de beoordeling van de WIA-aanvraag rekening mee te houden. Gezien het gebrek aan vertrouwen dat uit de klacht van 17 februari 2017 sprak, had dat voor beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege evident aanleiding moeten zijn, al was het maar om ieder schijn van vooringenomenheid en partijdigheid te vermijden, om zich van verdere bemoeienissen met het dossier te onthouden. In plaats daarvan is er door gedaagde blijkbaar voor gekozen om zonder enige reactie op de klacht van klaagster en -zoals ter zitting door beklaagde toegelicht- op grond van interne bedrijfseconomische redenen (het ging om een complex en lijvig dossier waar beklaagde al mee bekend was en waar men een collega niet mee wilde belasten) ook de beoordeling in het kader van de WIA-aanvraag te doen.
Daarmee heeft beklaagde in dit geval volgens het Tuchtcollege gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, die voorschrijft dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een redelijk handelend en bekwaam arbeidsdeskundige in acht neemt.
De klacht voor zover betrekking hebben op deze wijze van handelen door beklaagde is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook gegrond.
Deskundigenoordeel
Klaagster stelt dat de wijze van totstandkoming en inhoud van het deskundigenoordeel van beklaagde d.d. 27 januari 2017 niet voldoet aan de eisen van de artikelen 2 en 3 van de Gedragscode SRA. Daarbij wijst klaagster op het volgende:
-
klaagster is niet op de hoogte gesteld en niet bekend met de aanvraag deskundigenoordeel van 20 oktober 2016;
Het Tuchtcollege stel vast dat klaagster met de brief van 1 november 2016, die op 12 januari 2018 nog door klaagster aan het Tuchtcollege is overgelegd, door werkgever is geïnformeerd over het feit dat door een werknemer van klaagster een deskundigenoordeel is aangevraagd over de re-integratie-inspanningen van klaagster. Ter zake daarvan treft de klacht dan ook geen doel.
-
in het deskundigenoordeel wordt verwezen naar een brief d.d. 14 september 2016 van de gemachtigde van de werknemer en informatie over de mediation die bij de gemachtigde van de werknemer is opgevraagd en op 6 december 2016 via de e-mail is ontvangen. Klaagster is daarvan niet op de hoogte gesteld en met de brief en informatie niet bekend;
Ter zitting is door beklaagde erkend, dat deze informatie niet met klaagster is gedeeld. In het deskundigenoordeel wordt ook niet aangegeven om welke informatie het gaat en wat daar in het kader van het deskundigenoordeel mee is gedaan. Vanwege de privacy wordt informatie van de ene partij door werkgever niet aan een andere partij doorgezonden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege brengt zowel de algemene toetsnorm van artikel 1 als de artikelen 2 en 3 Gedragscode SRA met zich mee dat alle partijen die onderwerp zijn van een arbeidsdeskundig oordeel, in kennis moeten worden gesteld (dit kan vanwege de privacy zo nodig ook geanonimiseerd) van de informatie die bij de arbeidsdeskundige binnenkomt en in de rapportage van de arbeidsdeskundige in ieder geval moet worden verantwoord om welke informatie het gaat en hoe deze is gebruikt. Dat is dit in dit geval niet is gebeurd en daar wordt volgens het Tuchtcollege terecht over geklaagd.
-
de in paragraaf 2.3.2 ‘Gegevens verkregen van de werkgever’ zijn niet volledig en niet juist weergegeven. De arbeidsdeskundige heeft de juistheid van de weergegeven gegevens niet bij klaagster geverifieerd en zich niet vergewist van de juistheid daarvan;
Beklaagde heeft toegegeven, en het Tuchtcollege stelt ook vast dat de juistheid van de in het deskundigenoordeel weergegeven ‘Gegevens verkregen van de werkgever’ inderdaad niet bij klaagster zijn gecheckt. Een arbeidsdeskundige dient er op toe te zien dat hij beschikt over betrouwbare en juiste gegevens, en dient zich er van te vergewissen dat hij, hetgeen door partijen is aangegeven, juist in de rapportage heeft verwoord, bijvoorbeeld door toezending van een conceptrapportage aan partijen. De klacht dat dit in dit geval in onvoldoende mate is gebeurd, treft naar het oordeel van het Tuchtcollege doel.
-
paragraaf 3.1, met de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van klaagster is gebaseerd op aannames en suggestieve stellingen en geef geen blijk van een zorgvuldige beoordeling aan de hand van de feitelijke, gedocumenteerde en objectiveerbare gegevens;
Volgens artikel 3 Gedragscode SRA vermeldt het rapport van de arbeidsdeskundige de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust en wordt in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.
Het Tuchtcollege is het met klaagster eens, dat het deskundigenoordeel van beklaagde niet aan deze eisen voldoet. Niet duidelijk is op basis van welke feiten en omstandigheden en op welke gronden beklaagde tot zijn verstrekkende oordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster is gekomen. Dat -zoals door beklaagde ter zitting is toegelicht- onder hoge tijdsdruk moest worden gewerkt, mag volgens het Tuchtcollege nimmer met zich meebrengen dat een rapport niet aan de in de Gedragscode gestelde eisen voldoet. Te meer, daar het oordeel van de arbeidsdeskundige verstrekkende gevolgen heeft, in dit geval voor klaagster, en door een ondeugdelijke onderbouwing geen onderwerp van geschil mag worden. De rapportage van de arbeidsdeskundige dient inzichtelijk, onderbouwd en consistent te zijn. Volgens het Tuchtcollege voldoet de rapportage van beklaagde daar niet aan en klaagt klaagster daar terecht over.
-
in paragraaf 3.2 van de rapportage worden de standpunten van klaagster weergegeven, maar de juistheid daarvan is door beklaagde niet bij klaagster geverifieerd. Ook in deze paragraaf worden zonder onderbouwing oordelen over de handelwijze van klaagster gegeven.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege treft ook de klacht hierover doel. Door beklaagde is, zo moet worden vastgesteld, niet geverifieerd of de standpunten van klaagster juist zijn weergegeven. Ook voor deze paragraaf van de rapportage van beklaagde geldt dat het oordeel van beklaagde over de inspanningen van klaagster niet op een inzichtelijke wijze is onderbouwd. De betreffende paragraaf is volgens het Tuchtcollege bovendien niet duidelijk nu een weergave van ‘belemmerende factoren’ en het oordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster op weinig inzichtelijke wijze door elkaar lopen. Mede daardoor is de rapportage van beklaagde niet inzichtelijk, niet consistent en is niet duidelijk op welke gronden de conclusie van het deskundigenoordeel steunt.
Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is het Tuchtcollege van oordeel dat het deskundigenoordeel van beklaagde van 27 januari 2017 niet voldoet aan de eisen die in de artikelen 2 en 3 van de Gedragscode SRA worden gesteld en beklaagde daarmee ook in strijd heeft gehandeld met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA door niet de zorg van een redelijk handelend en bekwaam arbeidsdeskundige in acht te nemen. Ook dit onderdeel van de klacht dient daarom gegrond te worden verklaard.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gegrond is.
Maatregel
Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.
Het Tuchtcollege is er ambtshalve mee bekend, dat aan beklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Bovendien heeft het Tuchtcollege geconstateerd dat klager bij de behandeling van zijn klacht heeft getoond dat hij aanspreekbaar is op en inzicht toont in hetgeen van hem als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht en zich goed bewust is van de eisen die in dat verband aan zijn werkwijze worden gesteld. Dat laat onverlet dat de door beklaagde in dit geval getoonde handelwijze wezenlijke tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen worden gelaten.
Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat in dit geval aan beklaagde de maatregel genoemd in artikel 22.1 onder b van Tuchtreglement SRA, een waarschuwing dient te worden opgelegd.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en legt beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.
Aldus gegeven op 20 februari 2018 door:
M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
C. Boulonois, lid
B. van Lieshout, lid