Uitspraak AT 22 december 2016

Uitspraak AT 22 december 2016

Uitspraak van het  Arbeidsdeskundig Tuchtcollege  SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”,  op de klacht van “klaagster”,  tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”.

Procesverloop

Op 10 december 2015 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster een klacht met producties (1 tot en met 6c) over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.

Bij brief van 9 februari 2016 heeft beklaagde op deze klacht gereageerd.

Met de brief van 2 april 2016 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA  aan het secretariaat SRA  kenbaar gemaakt dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klaagster is meegedeeld dat zij de gelegenheid heeft haar klacht bij het Tuchtcollege in te dienen.

Bij brief van 2 mei 2016 heeft de gemachtigde van klaagster de (aangevulde) klacht met producties (1 tot en met 6c) namens klaagster aan het Tuchtcollege voorgelegd.

Op 12 juni 2016 heeft beklaagde een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de voorzitter van het Tuchtcollege heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA op 29 juli 2016 een schriftelijke verklaring afgelegd over al hetgeen door de ombudsman met betrekking tot de feiten in deze zaak in en rondom de bemiddeling, zowel formeel als informeel is vernomen van betrokkenen en/of door hem is waargenomen.

Op 1 september 2016 is door de gemachtigde van klaagster een repliek met 1 bijlage ingediend. Bij deze repliek was tevens een USB-stick met data en een pdf-bestand ter duiding van het materiaal en enige ‘instructie’ gevoegd. Op verzoek van de voorzitter van het Tuchtcollege zijn de data en het pdf-bestand op de USB-stick door de gemachtigde van klaagster in ‘hard-copy’ nagezonden.

Bij brief van 20 september 2016 is door beklaagde gereageerd op de verklaring van de ombudsman en de repliek van de gemachtigde van klaagster inclusief de data en het pdf-bestand afkomstig van de USB-stick die aan de zijde van klaagster in het geding zijn gebracht.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 8 december 2016. Klaagster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.  Beklaagde is  ter zitting  verschenen. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, op elkaars standpunten gereageerd en zijn vragen van het Tuchtcollege door partijen beantwoord.

Feiten

Het Tuchtcollege  gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande  feiten.

In verband met een beroep van klaagster op een AOV-polis heeft haar verzekeringsmij.  op 6 maart 2014 aan destijds de werkgever van beklaagde opdracht verstrekt een ’traject psychische klachten’ te doen ten behoeve van klaagster met het verzoek de zaak gezien het  recidiverende karakter te laten behandelen door beklaagde.

In dat kader heeft beklaagde in de periode maart 2014 tot en met december 2014 regelmatig bezoeken thuis aan klaagster gebracht en gesprekken met klaagster gehad. Daarvan zijn door beklaagde rapportages opgemaakt en aan de verzekeringsmij. verzonden.

Een laatste bezoek aan klaagster vond plaats op 11 november 2014.

Op 12 november 2014 is door beklaagde de laatste rapportage over klaagster aan de verzekeringsmij. uitgebracht.  Daarin wordt door beklaagde aangegeven dat hij blijft bij het opbouwschema zoals aangegeven in zijn rapportage van 12 oktober 2014 (per 1 november 2014 30% en per 15 november minder dan 25% arbeidsongeschikt), dat het gesprek met klaagster op 11 november het laatste gesprek was en dat hij het dossier zal sluiten.

In december 2014 is er tussen klaagster en beklaagde nog telefonisch contact geweest toen beklaagde met zijn vrouw in Berlijn was.

De klachten

De klachten van klaagster zijn:

1. Beklaagde heeft zich, in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige, ten onrechte voorgedaan als ‘psycholoog en seksuoloog/relatietherapeut’.

2. Beklaagde heeft, in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige en ingeschakeld door bureau X in opdracht van de verzekeringsmij., zijn professionele standaard veronachtzaamd door het aangaan van een intieme puur seksuele relatie met klaagster en heeft daarbij gehandeld in strijd met de Gedragscode resp. gedragsregels voor arbeidsdeskundigen.

3. Beklaagde heeft daarbij zijn gepretendeerde kwaliteiten valselijk voorgewend en misbruikt. Hij heeft daardoor het vertrouwen van klaagster op oneigenlijke gronden weten te winnen, haar (vertrouwen) misbruikt en haar extra psychische schade berokkend. Hij heeft een herstel van klaagster en haar re-integratie alsmede een verbetering van de relatie tussen klaagster en haar partner alleen maar achterop geholpen.

4. Beklaagde heeft klaagster op onvoldoende gemotiveerde gronden ‘volledig arbeidsgeschikt’ (minder dan 25% AO) verklaard bij rapportage van 10 oktober en 12 november 2014 aan de verzekeringsmij.

5. Beklaagde heeft in zijn rapportages aan de verzekeringsmij. onjuiste mededelingen gedaan en een onjuiste weergave van bevindingen en zijn inspanningen gedaan en de verzekeringsmij. misleid door valse voorlichting.

6. Beklaagde heeft klaagster op geen enkele wijze deelachtig gemaakt ter zake zijn bevindingen en mate van re-integratie respectievelijk arbeidsgeschiktheidsmelding aan de verzekeringsmij.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege de klacht  aan de Statuten, Reglementen en/of de gedragscode van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Bij de beoordeling van onderhavige  klacht zijn met name de artikelen 1  (algemene toetsnorm), 2 (te verschaffen en vergaarde informatie),  3 (eisen aan rapportages) en 7  (respect) van de gedragscode van de SRA van belang.

In artikel 1 gedragscode is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Artikel 2  bepaalt, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht en zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan. Verder is in artikel 2 vastgelegd dat de arbeidsdeskundige er op toe dient te zien dat hij bij zijn onderzoek naar de belastbaarheid de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens.  Artikel 3 vermeldt aan welke eisen de rapportage van  de arbeidsdeskundige  dient te voldoen. In artikel 7 is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige streeft naar een verhouding met andere arbeidsdeskundigen, opdrachtgever(s) en cliënten die berust op respect.

De overwegingen van het Tuchtcollege met betrekking tot de klachten

Ter zake van de klachten overweegt het Tuchtcollege het volgende.

Klacht 1

Klaagster klaagt er in de eerste plaats over dat beklaagde zich, in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige, ten onrechte voorgedaan heeft als ‘psycholoog en seksuoloog/relatietherapeut’.

Het Tuchtcollege is van mening dat noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting aan de orde is geweest, van de aannemelijkheid van deze klacht blijkt. Deze klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

Klacht 2 en 3

In de tweede plaats klaagt klaagster er over dat beklaagde, in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige en ingeschakeld door bureau X in opdracht van de verzekeringsmij. zijn professionele standaard heeft veronachtzaamd door het aangaan van een intieme puur seksuele relatie met klaagster en daarbij gehandeld heeft in strijd met de Gedragscode resp. gedragsregels voor arbeidsdeskundigen.

Daarbij klaagt klaagster er ten derde over dat beklaagde zijn gepretendeerde kwaliteiten valselijk heeft voorgewend en misbruikt. Hij heeft daardoor het vertrouwen van klaagster op oneigenlijke gronden weten te winnen, haar (vertrouwen) misbruikt en haar extra psychische schade berokkend. Hij heeft een herstel van klaagster en haar re-integratie alsmede een verbetering van de relatie tussen klaagster en haar partner alleen maar achterop geholpen, aldus de klacht van klaagster.

Het Tuchtcollege neemt deze klachten (de klachten 2 en 3) samen en verstaat deze aldus: klaagster klaagt er over dat beklaagde ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond door in zijn hoedanigheid van register-arbeidsdeskundige ook andere, zelfs intieme en seksuele, contacten met klaagster aan te gaan en heeft klaagster daardoor schade  berokkend.

Het Tuchtcollege is van mening dat aannemelijk is geworden dat beklaagde bij zijn handelen als arbeidsdeskundige ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en onvoldoende professionele distantie heeft betracht door andere, zelfs intieme en seksuele contacten met klaagster aan te gaan.

Van de aannemelijkheid daarvan blijkt naar het oordeel van het Tuchtcollege in de eerste plaats uit de verklaring van de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA van 29 juli 2016. De ombudsman verklaart dat hij op 30 maart 2016 in Houten gesprekken had met klaagster en met beklaagde. Bij deze gesprekken heeft klaagster aangegeven wat zich volgens haar heeft afgespeeld. De ombudsman geeft onder andere aan dat beklaagde daarbij steeds aangaf zich niet goed meer te herinneren wat zich feitelijk in de contacten met klaagster heeft afgespeeld en beklaagde in zijn optiek trachtte het klinisch te benaderen door uitsluitend arbeidsdeskundige aspecten te benoemen en verwijzingen naar seksueel getinte aspecten te omzeilen. Verder geeft de ombudsman in zijn verklaring aan:

“Beklaagde stelde zich -al draaiend op zijn stoel- heel veel niet meer te kunnen herinneren. Daarop heb ik beklaagde verzocht even mee naar de gang te gaan. Daar heb ik op de man af gesteld of hij de seksuele handelingen zoals in de klacht werden beschreven heeft gedaan. Letterlijk stelde ik: ‘beklaagde, jij hebt dat gedaan, he?’. Daarop stelde beklaagde: ‘dat kan ik daar toch niet zo naar voren brengen, wie weet wat de juridische consequenties zijn’. Daarop stelde ik: ‘Het gaat hier om een zwaarwegende kwestie. Hier gaat het om de moraliteit van jezelf als mens en als registerarbeidsdeskundige. Ik geef je zometeen bij binnenkomst weer het woord waarbij ik hoop dat je met de waarheid naar buiten komt’.

Uit de verklaring van de ombudsman blijkt voorts, dat beklaagde na hervatting van het gezamenlijke gesprek op 30 maart 2016, tegen klaagster heeft gezegd:

“Het spijt me dat er in mijn handelen elementen waren waarmee ik je kennelijk heb benadeeld. Ik kan me wel voorstellen dat er dingen gebeurd zijn die niet door de beugel konden. Maar ik heb zelf nadien op het medische vlak dingen meegemaakt waardoor mijn geheugen niet meer zo is als voorheen.”

De verklaring van de ombudsman is zonder enig voorbehoud opgesteld en naar het oordeel van het Tuchtcollege consistent en betrouwbaar. Het Tuchtcollege is van oordeel, dat uit deze verklaring blijkt  dat beklaagde, de seksuele handelingen waarover geklaagd wordt, heeft erkend,  althans in ieder geval heeft erkend  “dat er dingen gebeurd zijn die niet door de beugel konden”.

Bovendien is ter zitting van het Tuchtcollege door beklaagde erkend dat klaagster en hij een gemeenschappelijke belangstelling voor massage en fotografie hebben en dat hij als arbeidsdeskundige een enigszins losse en amicale stijl heeft. Het Tuchtcollege is verder van mening, dat zeker niet is uitgesloten dat het emailadres Y@hotmail.nl, via welk e-mailadres klaagster een e-mailtje met als onderwerp “kort iets over yoni massage” ontving, van beklaagde is. Dat geldt volgens het Tuchtcollege ook voor de afbeelding met de tekst “Hoi, ik ben Y, wie ben jij?”, die door klaagster in het geding is gebracht en volgens klaagster indertijd de profielfoto was van de privé-WhattsApp van beklaagde. Alles bij elkaar genomen bevestigen deze feiten, naast genoemde verklaring van de ombudsman, naar het oordeel van het Tuchtcollege de aannemelijkheid van de door klaagster gestelde grensoverschrijdende contacten.

Daar komt bij dat de gestelde feiten door beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege door beklaagde niet op een geloofwaardige wijze worden ontkend.

Beklaagde voltstaat merendeels, ook ter zitting, met een simpele, klinische, niet onderbouwde, ontkenning van de door klaagster gestelde feiten. Bovendien geeft beklaagde aan zich vanwege medische redenen (een tia)  veel gebeurtenissen uit die periode niet meer of niet meer goed te kunnen herinneren. Het Tuchtcollege wijst er op, dat dit gebrek aan herinnering geen ontkenning oplevert.

Bovendien weet beklaagde zich een groot aantal andere zaken uit dezelfde periode wel goed en gedetailleerd te herinneren (o.a. de arbeidsdeskundige aspecten van het dossier, een telefoongesprek met de toenmalige partner van klaagster en het telefoontje dat beklaagde nog in december 2014, na afsluiting van het dossier!, van klaagster  ontving). Mede daarom acht het Tuchtcollege de ontkenning door beklaagde ongeloofwaardig. Ten slotte gaat naar het Tuchtcollege ook het verweer van beklaagde, dat de klacht niet geloofwaardig is, omdat deze  pas een jaar na het laatste contact met klaagster is ingediend, niet op.  Voor de indiening van een klacht over een gedraging van een register-arbeidsdeskundige geldt volgens art. 3.3 aanhef en onder b Tuchtreglement SRA een termijn van 3 jaar. Deze termijn was ten tijde van de indiening van de klacht nog niet verstreken. Bovendien heeft het Tuchtcollege begrip voor de uitleg van klaagster, dat de onderbouwing en indiening van een klacht als de onderhavige enige tijd en voorbereiding vergt.

Beklaagde heeft met zijn grensoverschrijdende gedrag naar het oordeel van het Tuchtcollege ernstig in strijd gehandeld met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode. Te meer daar beklaagde op de hoogte was van de kwetsbaarheid van klaagster bij het aangeven en bewaken van grenzen. Beklaagde heeft niet kunnen aantonen dat hij, zeker gezien zijn bekendheid daarmee, de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht bij de begeleiding van klaagster.

Op grond van het vorenstaande is het Tuchtcollege van mening dat de samengevoegde klachten 2 en 3 over het grensoverschrijdende gedrag van beklaagde gegrond zijn.

Door klaagster wordt aangegeven dat zij door de handelwijze  van beklaagde schade heeft ondervonden. Het is echter niet aan het Tuchtcollege om te oordelen over de gevolgen en schade die klaagster door de handelwijze van beklaagde heeft geleden, nu het tuchtcollege alleen de handelwijze van beklaagde toetst. Over dit onderdeel van de klachten laat het Tuchtcollege zich dus niet uit.

Klacht 4

De vierde klacht van klaagster betreft de klacht dat beklaagde klaagster op onvoldoende gemotiveerde gronden ‘volledig arbeidsgeschikt’ (minder dan 25% AO) verklaard bij rapportage van 10 oktober en 12 november 2014 aan de verzekeringsmij.

Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege (voorheen: Raad van Toezicht, RvT) dient een arbeidsdeskundige er op bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn (zie o.a.: RvT 22 oktober 1997, 19 november 2007 en 28 november 2008). Daarom is in artikel 3 van de gedragscode vastgelegd aan welke eisen de rapportage van een register-arbeidsdeskundige dient te voldoen:

a. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt;

b. de in de uiteenzetting genoemde gronden vinden op hun beurt aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen die in het rapport zijn vermeld;

c. de bedoelde gronden dienen de daaruit  getrokken conclusies te rechtvaardigen;

d. de rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur;

e. de methode van onderzoek  teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen kan tot het beoogde doel leiden, waarbij de rapporteur de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet overschrijdt.

Het Tuchtcollege is van mening dat de rapportages van 10 oktober en 12 november 2014 van beklaagde aan de verzekeringsmij. niet aan deze vereisten voldoen.

In de rapportage van 10 oktober 2014 wordt de verzekeringsmij. door beklaagde, “vooruitlopend op zijn rapport”, vast in kennis gesteld van de wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster. Het Tuchtcollege stelt vast, dat het rapport waarop door beklaagde vooruit is gelopen ontbreekt en gaat er -omdat beklaagde zich ter zake van een dergelijk rapport ter zitting ook niets herinnerde- van uit , dat dit rapport niet door beklaagde is opgesteld. Een inzichtelijke en consistente onderbouwing van de conclusie van de rapportage van 10 oktober 2014 ontbreekt. Afgaande op de inhoud van de rapportage van 10 oktober 2014 constateert het Tuchtcollege dat de enige grond waarop de rapportage rust “het verhaal van verzekerde en het aantal uren dat zij gaat werken” is.

De rapportages van beklaagde zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ver onder de maat en een register-arbeidsdeskundige onwaardig. Dat geldt zowel voor de rapportage van 10 oktober 2014 als de afsluitende rapportage van beklaagde van 12 november 2014, waarin de conclusie van de rapportage van 10 oktober 2014 wordt herhaald. Er worden geen verifieerbare actuele feiten, omstandigheden en bevindingen in de rapporten vermeld, die de wijziging in de mate van arbeidsongeschikt steunen. Actuele medische gegevens ontbreken. Bovendien kan niet gezegd worden dat de gronden (het niet nader toegelichte “verhaal van verzekerde” en het niet nader aangegeven aantal uren dat verzekerde gaat werken) de daaruit getrokken conclusie (de wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid) rechtvaardigen. Zeker omdat de rapportage vergaande gevolgen voor klaagster heeft (per 15 november 2014 minder dan 25% arbeidsongeschikt!) mag van een register-arbeidsdeskundige verwacht worden dat hij zijn rapportage zorgvuldig en overeenkomstig de eisen van artikel 3 van de gedragscode opstelt. Het Tuchtcollege stelt vast, dat dit niet is gebeurd.

Naar het oordeel van het Tuchtcollege is de klacht van klaagster over de rapportages van beklaagde van 10 oktober en 12 november 2014 gegrond.

Klacht 5

De vijfde klacht van klaagster betreft de rapportages van beklaagde aan de verzekeringsmij. Daarin zijn naar het oordeel van klaagster onjuiste mededelingen gedaan, is door beklaagde een onjuiste weergave van bevindingen en zijn inspanningen gegeven en is de verzekeringsmij. misleid door valse voorlichting.

Noch schriftelijk noch ter zitting heeft klaagster aan kunnen geven welke onjuiste mededelingen en onjuiste weergave van bevindingen en inspanningen in de rapportages van beklaagde is opgenomen en op grond waarvan sprake is van misleiding door valse voorlichting aan de verzekeringsmij. Deze klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

Ter zitting heeft klaagster aangegeven dat zij eigenlijk bedoelt dat beklaagde in de rapportages aan de verzekeringsmij. ook melding had moeten maken van de grensoverschrijdende contacten en handelwijze. Over die grensoverschrijdende contacten heeft het Tuchtcollege al een oordeel gegeven. De rapportages van een register-arbeidsdeskundige zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege niet de plaats om melding te maken van dit soort contacten en daarbij horende handelingen. Dergelijk  grensoverschrijdend gedrag past niet bij een register-arbeidsdeskundige en hoort zeker niet  in de rapportage van een register-arbeidsdeskundige thuis.

Klacht 6

De laatste klacht van klaagster, is de klacht dat beklaagde klaagster op geen enkele wijze deelachtig heeft gemaakt ter zake zijn bevindingen en mate van re-integratie respectievelijk arbeidsgeschiktheidsmelding aan de verzekeringsmij.

Zowel schriftelijk als ter zitting heeft beklaagde aangegeven en erkend, dat hij zijn rapportages, de daarin vermelde van klaagster verkregen feiten en zijn conclusies niet voorafgaand aan verzending aan de verzekeringsmij. aan klaagster heeft toegestuurd en ook niet ten tijde van verzending aan de verzekeringsmij. aan klaagster heeft toegezonden. Beklaagde heeft ter zitting uitgelegd, dat zijn handelwijze altijd is, dat hij in het gesprek met een betrokkene zoals klaagster verifieert en checkt of hij een betrokkene goed heeft begrepen en of de verschafte informatie juist is door het stellen van controlevragen.  Volgens beklaagde is het daarna niet noodzakelijk meer om het rapport nog aan een betrokkene voor te leggen of toe te sturen. Beklaagde wijst er op dat dit ook niet verplicht is.

Het Tuchtcollege is het met beklaagde eens dat de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen geen algemene verplichting kent om een rapportage eerst in concept of in definitieve vorm aan een betrokkene toe te zenden.

Tegelijkertijd geldt voor de register-arbeidsdeskundige de algemene toetsnorm van artikel 1 van de gedragscode, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werknemer de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt en de regel van artikel 2 lid 1 van de gedragscode, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijk wijze inlicht over zijn opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan.  De arbeidsdeskundige dient in voldoende mate te verifiëren en te checken of de in de arbeidsdeskundige rapportages gebruikte informatie juist is.

In het licht van deze regels, de aard van de opdracht (’traject psychische klachten’) van beklaagde, de bekendheid van beklaagde met kwetsbaarheid van persoon en de aard de klachten van klaagster (psychische klachten, moeite met grenzen aangeven en “nee”-zeggen), het feit dat de van klaagster verkregen informatie de enige informatie was waarop beklaagde zijn rapportages baseerde en  de gevolgen van de rapportages voor de uitkering aan klaagster, had het naar het oordeel van het Tuchtcollege op de weg van beklaagde gelegen om zich er met extra zorg en aandacht van te vergewissen of de door hem in zijn rapportage weergegeven gegevens van betrokkene juist zijn weergeven en zijn conclusies door klaagster zijn begrepen, door aan klaagster eerst een concept van zijn rapportages voor te leggen alvorens deze aan de verzekeringsmij. te sturen. Gezien het belang van de rapportages voor klaagster, had beklaagde klaagster naar de mening van het Tuchtcollege in ieder geval een kopie moeten toesturen van de rapportages die door hem aan de verzekeringsmij. werden toegestuurd. Juist in onderhavig geval en gezien het feit dat beklaagde er rekening mee moest houden dat een “ja” of “nee” van klaagster niet direct een instemming of afwijzing zou inhouden, kon beklaagde  naar het oordeel van het Tuchtcollege niet volstaan met enkel de vraag aan klaagster of zij het eens is met zijn voorgenomen rapportage. Door zijn handelwijze, heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende zorg jegens klaagster betracht en gehandeld in strijd met artikel 1 en artikel 2 lid 1 van de gedragscode.

Ook deze klacht van klaagster wordt door het Tuchtcollege derhalve gegrond geacht.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klachten 1 en 5 ongegrond zijn en de klachten 2, 3, 4 en 6 gegrond zijn.

Maatregel

Het Tuchtcollege is van mening dat de gegrond verklaarde klachten dusdanig ernstige en verwijtbare gedragingen betreffen, dat deze de maatregel van doorhaling rechtvaardigen.

Bij de beslissing van het Tuchtcollege om deze en niet een lichtere maatregel op te leggen, heeft het Tuchtcollege het volgende overwogen.

Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde, in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige  de gedragsregels voor register-arbeidsdeskundigen ernstig veronachtzaamd door het aangaan van intieme, zelfs seksuele contacten met klaagster. Beklaagde wist van de kwetsbare psychische situatie van klaagster.  Daarvoor werd hij immers ingeschakeld (“traject psychische klachten””) en dat blijkt ook uit zijn rapportages van 11 april 2014 en 13 juni 2014. Daarin geeft beklaagde immers aan dat klaagster moeite heeft met keuzes maken en met grenzen aangeven (“nee” zeggen). Hij had zich, zeker gezien deze wetenschap, van zijn positie als register-arbeidsdeskundige bewust moeten zijn en had moeten beseffen dat sprake is van een relatie van afhankelijkheid die vraagt om extra  zorgvuldigheid en  extra aandacht voor professionele  distantie. Beklaagde heeft dat niet alleen veronachtzaamd, maar zich naar de mening van het Tuchtcollege zelfs schuldig gemaakt aan ernstige grensoverschrijdende gedragingen jegens klaagster, die evident hun weerslag hebben op het functioneren van beklaagde als arbeidsdeskundige en de goede naam van de beroepsgroep. Deze schending is zodanig ernstig dat een zeer forse maatregel gerechtvaardigd is.

Te meer omdat beklaagde er zowel schriftelijk als ter zitting  blijk van geeft de ernst van de klachten te onderschatten en geen inzicht te tonen in het ernstig grensoverschrijdende karakter van zijn gedragingen en de gevolgen die dit voor hem als arbeidsdeskundige en de beroepsgroep heeft. Beklaagde geeft er evenmin blijk van te hebben nagedacht over de vraag op welke wijze hij de getoonde gedragingen in de toekomst voorkomt. De houding ter zitting  van beklaagde laat zich naar de mening van het Tuchtcollege bovendien karakteriseren als slecht voorbereid,  hautain en blijk gevend van een zekere minachting. Gezien deze houding, dit gebrek aan inzicht en het tonen van weinig besef van verantwoordelijkheid, acht het Tuchtcollege de kans op recidive erg groot.

Daar komt naar de mening van het Tuchtcollege ten slotte ook bij dat de wijze van werken en de rapportages van beklaagde ernstige gebreken vertonen. Ook hier geeft betrokkene er geen blijk van te beseffen dat van hem een andere werkwijze wordt verlangd in het licht van hetgeen van hem als zorgvuldig en professioneel handelend arbeidsdeskundige wordt verwacht.

Op grond van deze overwegingen kan beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege niet langer als register-arbeidsdeskundige  worden gehandhaafd.

Op grond van deze overwegingen legt het Tuchtcollege beklaagde op grond van artikel 22.1 Tuchtreglement SRA aanhef en onder e de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register op met daarbij op grond van artikel 22.3 Tuchtreglement SRA de bepaling  dat beklaagde zich niet opnieuw kan inschrijven in het register.

Beslissing

Het Tuchtcollege:

1. verklaart klacht 1 en 5 ongegrond en de klachten  2,3,4 en 6 gegrond;

2. legt aan beklaagde op de maatregel van doorhaling in het register;

3. bepaalt dat beklaagde zich niet opnieuw kan inschrijven in het register.

Aldus gegeven op 22 december 2016 door:

M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

C. Boulonois,  lid

F.M.L.J. Hoebink, lid