Uitspraak AT 25 april 2014

Uitspraak AT 25 april 2014

Uitspraak van 25 april 2014 (klacht 14-18)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”,  op de klacht van klager,  tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”, voor wie als gemachtigde optreedt mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer.

Procesverloop

Op 3 juni 2013 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.

Bij brief van 15 juni 2013 met 3 bijlagen heeft beklaagde tegen deze klacht verweer gevoerd.

Bij brief van 3 juli 2013 is door klager op het verweerschrift gereageerd en heeft klager de klacht aangevuld.

Met de brief van 17 december 2013 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA  klager -mede naar aanleiding van een briefwisseling tussen klager en de Voorzitter van de SRA- laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege heeft kennis genomen van het dossier van de Ombudsman.

Bij brief van 28 december 2013 met 4 bijlagen heeft klager de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd en de klacht verder aangevuld.

Naar aanleiding daarvan heeft de gemachtigde van beklaagde namens beklaagde bij brief van 10 maart 2014 met 4 producties nader verweer gevoerd.

Bij brief van 22 maart 2014 heeft klager op dit verweer gereageerd.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 3 april 2014. Klager is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn zoon. Beklaagde is  ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ter zitting zijn de standpunten toegelicht, waarbij door mr. Leerink nog aantekeningen aan het Tuchtcollege zijn overgelegd, en zijn vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Feiten

Het Tuchtcollege  gaat uit van de volgende feiten.

Bij beschikking van 18 augustus 2011 is beklaagde door de Rechtbank Amsterdam benoemd tot deskundige in het kader van een door klager tegen de verzekeraar ingediend verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht. Door de Rechtbank is aan beklaagde -kort samengevat- verzocht onderzoek te doen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van klager.

Bij brief van 19 oktober 2011 heeft beklaagde aan de advocaten van klager en de verzekeraar aangegeven op welke wijze zij onderzoek zou doen en verzocht om aanvullende suggesties of verzoeken. Daarop is geen reactie gekomen.

In het kader van het onderzoek heeft beklaagde een bezoek gebracht aan klager en met hem een gesprek gehad. Van dat gesprek is een verslag gemaakt, dat ter correctie aan klager is voorgelegd. Na verwerking van de correcties en aanvullingen van klager is het verslag door beklaagde definitief vastgesteld.

Bij brief van 13 december 2011 heeft beklaagde haar deskundigenrapport in concept aan de advocaten van klager en de verzekeraar toegezonden teneinde hen in de gelegenheid te stellen daarop commentaar te geven. Na verwerking van de reacties heeft beklaagde het rapport nogmaals in concept aan de advocaten van klager en de verzekeraar voorgelegd. Het commentaar dat beklaagde daarop ontving, is in het definitieve rapport verwerkt.

Op 27 februari 2012 is het definitieve rapport met bijlagen door beklaagde in drievoud aan de Rechtbank toegezonden.

De klachten

Klager verwijt beklaagde in strijd met de voor register-arbeidsdeskundigen geldende beroepsethiek te hebben gehandeld door een onvolledig en ondeugdelijk deskundigenrapport te hebben opgesteld. Volgens klager is het rapport ondeugdelijk omdat bijlagen bij de definitieve rapportage ontbreken, sommige geraadpleegde bronnen gedateerd dan wel onjuist zijn en de bronvermelding te summier is. Verder verwijt klager beklaagde hem niet respectvol te hebben behandeld en bij opstelling van de declaratie in strijd met de financiële zorgvuldigheid te hebben gehandeld.

Verder vermeldt de klacht dat de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA het principe van hoor en wederhoor onvoldoende heeft toegepast.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege de klacht  aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA.

Daarbij is het volgende van belang. Het gaat er bij de beoordeling van het handelen van beklaagde niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het handelen waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Bij de beoordeling van de klacht zijn in dit geval met name de artikelen 1, 3 en 4 van de Gedragscode SRA, hierna: “Gedragscode”, van belang. In artikel 1 Gedragscode is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Artikel 3 Gedragscode vermeldt aan welke eisen de arbeidsdeskundige rapportage dient te voldoen. Artikel 4 Gedragscode verplicht de arbeidsdeskundige tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden.

De overwegingen van het Tuchtcollege

Op grond van het hetgeen hiervoor is aangeven, overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

Klacht over de Arbeidsdeskundig Ombudsman

Eén van de klachten van klager is dat de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA het principe van hoor en wederhoor onvoldoende heeft toegepast.

Deze klacht heeft geen betrekking op de handelwijze van beklaagde. Bovendien behandelt het Tuchtcollege alleen klachten die betrekking hebben op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid. Op grond van art. 3.3 onder e Tuchtreglement SRA is een klacht niet-ontvankelijk, indien deze betrekking heeft op een arbeidsdeskundige in zijn hoedanigheid van Bestuur SRA, Ombudsman of lid van het Tuchtcollege of College van Beroep.

Het Tuchtcollege zal deze klacht daarom niet-ontvankelijk verklaren en voor het verdere buiten beschouwing laten. 

Klacht 1: niet respectvol  behandeld

Klager verwijt beklaagde dat zij hem in strijd met artikel 1 Gedragscode niet respectvol heeft behandeld.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat deze klacht door klager niet feitelijk is onderbouwd en niet begrijpelijk is gemaakt. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet van niet-respectvol gedrag van beklaagde jegens klager. Ook ter zitting heeft klager het Tuchtcollege niet duidelijk kunnen maken waaruit zou blijken dat beklaagde zich jegens hem niet respectvol heeft gedragen.

Deze klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

Klacht 2: onvolledig en ondeugdelijk deskundigenrapport

Klager is van mening dat het deskundigenrapport van beklaagde onvolledig en ondeugdelijk is.

In artikel 3 Gedragscode is vastgelegd dat een rapport van een register-arbeidsdeskundige aan de navolgende vereisten dient te voldoen:

a.       In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt;

b.      De in de uiteenzetting genoemde gronden vinden op hun beurt aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen die in het rapport zijn vermeld;

c.       De bedoelde gronden dienen de daaruit getrokken conclusies te rechtvaardigen;

d.      De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur;

e.      De methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen kan tot het beoogde doel leiden, waarbij de rapporteur de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet overschrijdt.

Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege (voorheen: Raad van Toezicht, RvT) dient een arbeidsdeskundige er op bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkenen heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn (zie o.a.: RvT 22 oktober 1997, 19 november 2007 en 28 november 2008). Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De register-arbeidsdeskundige dient op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten, te rapporteren (zie o.a.: RvT 24 november 2003). Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet (zie o.a.: RvT 26 oktober 2009).

De klacht stelt het Tuchtcollege voor de vraag of het deskundigenrapport van beklaagde aan genoemde eisen voldoet.

Naar de mening van klager is de rapportage van beklaagde niet volledig omdat bij toezending van het definitieve rapport niet alle bijlagen, maar alleen de bijlagen 10 tot en met 14 waren gevoegd. Door klager wordt niet betwist dat beklaagde aan de Rechtbank het rapport met alle bijlagen (1 tot en met 14) heeft toegezonden. Voorts wordt niet ontkend dat de advocaten van beklaagde en de verzekeraar al beschikten over de bijlagen 1 tot en met 9 nu deze waren meegezonden met het concept-rapport. Beklaagde kon en mocht er bij verzending van het definitieve rapport naar het oordeel van het Tuchtcollege daarom mee volstaan om bij toezending van het definitieve rapport alleen de aanvullende bijlagen 10 tot en 14 nog mee te sturen.

In de klacht wordt gesteld dat de bronvermelding dermate summier is, dat deze nauwelijks is te achterhalen. Het Tuchtcollege constateert dat alle geraadpleegde bronnen door beklaagde in de rapportage worden vermeld en in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteen wordt gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunt.

Een belangrijk verwijt van klager is dat enkele bronvermeldingen in het rapport van beklaagde onjuist, gedateerd en niet controleerbaar zouden zijn.

Klager wijst daarbij op een in het rapport genoemd gesprek met een (anonieme) personeelsmedewerker van X dat als bron vermeld is, terwijl X door Y is overgenomen. Verder geeft klager aan dat naar zijn mening onjuiste gegevens zijn vermeld over de opleiding die nodig is om als beveiliger te kunnen starten. Klager wijst verder op het competentieprofiel van Z dat in het rapport wordt genoemd, maar niet is bijgevoegd en bovendien niet meer actueel zou zijn. Beklaagde heeft erkend, dat zij niet X, maar Y had moeten noemen, maar blijft voor het overige bij de in het rapport vermelde gegevens, ook die over het competentieprofiel van Z, dat volgens beklaagde nog steeds actief op internet werft.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat de verwijten van klager met betrekking tot de bronvermelding -wat er van de door klager en beklaagde over en weer gestelde feiten met betrekking tot deze bronvermelding ook zij- niet tot het oordeel leidt dat het deskundigenrapport van beklaagde niet aan de in artikel 3 Gedragscode gestelde eisen voldoet. Naar het oordeel van het Tuchtcollege voldoet de rapportage van beklaagde aan alle in artikel 3 Gedragscode genoemde eisen, zelfs als sprake zou zijn van de door klager gestelde onvolkomenheden in de bronvermelding. Deze zijn niet van dien aard en ernst dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het rapport niet aan de eisen voldoet.

Daarbij merkt het Tuchtcollege op, dat de advocaat van klager door beklaagde tot tweemaal toe in de gelegenheid is gesteld om op het rapport te reageren alvorens het rapport aan de Rechtbank is toegezonden. Van deze mogelijkheden is door de advocaat van klager gebruik gemaakt. De reacties van de advocaat van klager bevatten geen enkel commentaar met betrekking tot de bronvermelding waarover klager beklaagde nu verwijten maakt. Dat -zoals klager stelt- hij onder druk en/of protest met het rapport akkoord is gegaan, daarvan is het Tuchtcollege niet gebleken.

Ten overvloede wijst het Tuchtcollege klager er bovendien op dat beklaagde in het kader van de opdracht uitsluitend onderzoek moest doen naar de werkzaamheden die klager in theorie, niet feitelijk, met zijn beperkingen, verworven competenties en vaardigheden nog kan verrichten en een louter  theoretische inschatting moest maken van de verdienmogelijkheden die klager daarmee heeft. Daar wordt in de rapportage door beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege op inzichtelijke en consistente wijze inzicht in geboden. Beklaagde had geen opdracht om onderzoek te doen naar de feitelijk aanwezige mogelijkheden om klager in werk te laten hervatten.

Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat het rapport van beklaagde aan in artikel 3 Gedragscode gestelde eisen voldoet en de klacht met betrekking tot het rapport van beklaagde ongegrond is.

Klacht 3: financiële onzorgvuldigheid

Klager is van mening dat de declaratie die beklaagde bij de Rechtbank heeft ingediend in verband met het deskundigenrapport niet zorgvuldig is.

Het Tuchtcollege constateert dat beklaagde deze klacht niet feitelijk onderbouwd, ook niet ter zitting na daarover te zijn bevraagd. Door klager wordt bovendien niet betwist dat de Rechtbank deze declaratie aan de advocaten van klager en de verzekeraar heeft toegezonden met de mogelijkheid daartegen bezwaar te maken. Niet bestreden is dat tegen de declaratie geen bezwaar is gemaakt, en deze vervolgens door de Rechtbank aan beklaagde is voldaan.

Deze klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege daarom ongegrond.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat klacht voor zover betrekking hebbend op de handelwijze van de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA niet-ontvankelijk is. Voor zover betrekking hebbend op de handelwijze van beklaagde is de klacht ongegrond.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover betrekking hebbend op de handelwijze van de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA en ongegrond voor zover betrekking hebbend op de handelwijze van beklaagde.

Deze uitspraak is gegeven op 25 april 2014 door M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter en mevrouw C. Boulonois en de heer J. van Hek, leden.

Voor dezen:

M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter