Uitspraak AT 26 oktober 2018

Uitspraak AT 26 oktober 2018

Uitspraak van 26 oktober 2018 (klacht 18-43/AT)

 

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: "het Tuchtcollege", op de klacht van klager, voor wie als gemachtigde optreedt zijn echtgenote, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: "beklaagde", voor wie als gemachtigde optreedt mr. P. Willems, advocaat te Loenen.

Procesverloop

 

Op 18 mei 2017 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij deze klacht zijn 3 bijlagen gevoegd.

 

Bij brief d.d. 15 juni 2017 is door beklaagde op de klacht gereageerd.

 

Op 18 juli 2017 is door klager op de reactie van beklaagde gereageerd.

 

Met de brief van 6 februari 2018 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege heeft kennis genomen van de correspondentie tussen klager, beklaagde en ombudsman over de periode 10 november 2017 tot en met 11 december 2017.

 

Bij brief d.d. 19 februari 2018 met 7 bijlagen heeft klager de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd.

 

Op 30 april 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift met 13 producties ingediend.

 

Bij brief d.d. 5 juli 2018 heeft de gemachtigde van beklaagde, naar aanleiding van bezwaren van klager, het Tuchtcollege verzocht productie 2 bij het verweerschrift (medische rapportage) te vernietigen en een nieuwe productie 2 (aangepaste medische rapportage) aan het verweerschrift toe te voegen.

 

Per e-mailbericht van 8 juli 2018 is de klacht door klager aangevuld met een klacht over de indiening van de eerste productie 2 door de gemachtigde van beklaagde. Klager is van mening dat het recht op privacy (medische informatie) is geschonden.

 

Op deze aanvulling van de klacht is door de gemachtigde van beklaagde bij brief d.d. 10 augustus 2018 met 2 bijlagen gereageerd.

 

Op deze reactie is door klager gereageerd met het e-mailbericht van 21 augustus 2018 met 2 bijlagen.

 

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 20 september 2018. Ter zitting is verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde en echtgenote. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. P. Willems. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

 

Het Tuchtcollege heeft aan het einde van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

 

Feiten

 

Het Tuchtcollege gaat -voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.
Beklaagde was ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij organisatie X.
Klager is op 10 december 2014 arbeidsongeschikt uitgevallen bij zijn werkgever.
De werkgever van klager heeft op 14 juli 2015 aan organisatie X opdracht gegeven een arbeidsgeneeskundig onderzoek uit te voeren in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter met als doel een oordeel te vormen over de functionele beperkingen van klager als gevolg van ziekte en een beeld te krijgen van de prognose ten behoeve van advisering over belastbaarheid voor arbeid en medische onderbouwing van re-integratie inspanningen.

 

Beklaagde heeft in het kader van het arbeidsgeneeskundig onderzoek een deeltaak uitgevoerd. In dat verband heeft hij op 23 juli 2015 contact gehad met de heer Y., casemanager bij de werkgever van klager, en de visie van de werkgever uitgevraagd en vastgelegd in het document "Arbeidsdeskundig onderzoek".

 

Deze rapportage van beklaagde is verwerkt in en toegevoegd aan de concept-Medische rapportage die op 20 augustus 2015 per e-mailbericht van 20 augustus 2015 door organisatie X ter voorinzage aan klager is toegezonden. Op 23 augustus 2015 heeft klager op het concept gereageerd en commentaar geleverd op het verslag van beklaagde van het gesprek met de heer Y. van de werkgever van klager op 23 juli 2015. Op 31 augustus 2015 is de definitieve Medische rapportage door organisatie X aan klager toegezonden met de mededeling dat zijn reactie als bijlage aan het rapportage is toegevoegd.

 

Met betrekking tot de definitieve Medische rapportage is hier het volgende relevant:

  •  

    de inhoudsopgave van de rapportage (pagina 2/16) vermeldt als paragraaf 3.3. "Aanvullend onderzoek arbeidsdeskundige", als bijlage 1 "Arbeidsdeskundig onderzoek" en als bijlage 3 de reactie van klager op het concept-rapport;

  •  

    de aanhef van de rapportage (pagina 3/16) vermeldt naast de dossierarts en psychiater van organisatie X, beklaagde als "Arbeidsdeskundige";

 

paragraaf 3.3 van de rapportage (pagina 6/16) heeft als titel "Aanvullend onderzoek arbeidsdeskundige, Gespreksverslag door beklaagde, register arbeidsdeskundige d.d. 23 juli 2015" en bevat een korte samenvatting van de visie van de werkgever van klager op de re-integratie. Daarbij wordt vermeld dat de visie van de werknemer op de re-integratie door de arts zelf wordt uitgevraagd tijdens het intakegesprek van het onderzoekstraject;

  •  

    bijlage 1 bij de rapportage betreft het "Arbeidsdeskundig onderzoek" van beklaagde als register-arbeidsdeskundige en geeft een volledige weergave van het door beklaagde uitgevoerde onderzoek en het gesprek op 23 juli 2015 met de heer Y. van de werkgever van klager;

  •  

    bijlage 3 bij de rapportage is de reactie van klager op het concept-rapport.

 

Op 7 oktober 2015 heeft klager per e-mailbericht bij organisatie X geklaagd over het handelen van beklaagde, met name over het niet toepassen van hoor en wederhoor bij zijn verslaglegging van het gesprek met de heer Y. van de werkgever van klager.

 

Bij brief d.d. 15 oktober 2015 heeft organisatie X aan klager meegedeeld, van oordeel te zijn dat beklaagde niet verwijtbaar c.q. laakbaar heeft gehandeld en de klacht ongegrond is.

 

Bij brief d.d. 18 mei 2017 heeft klager zijn klacht ingediend bij het secretariaat SRA.

De klacht

 

Klager verwijt beklaagde, dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 1 en artikel 2 Gedragscode SRA doordat beklaagde klager niet in kennis heeft gesteld van het onderzoek, klager in het kader van het onderzoek niet door beklaagde is gehoord, beklaagde de informatie verkregen van de werkgever niet bij klager heeft geverifieerd, beklaagde partijdig, onzorgvuldig en niet professioneel heeft gehandeld en tijdens de klachtbehandeling door de ombudsman niet oprecht is geweest.

 

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

 

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

 

Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een "blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid".

 

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten.

 

Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

 

Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de klager heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.

 

Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1 en 2 van de Gedragscode SRA van belang.

Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht en zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan.

 

Productie 2 en aanvulling van de klacht

 

Ter zitting heeft het Tuchtcollege allereerst een beslissing genomen over de vraag van welke van de ingediende producties 2 bij de behandeling van de zaak wordt uitgegaan en over de vraag of aanvulling van de klacht door klager met betrekking tot de gang van zaken bij de indiening van deze productie door het Tuchtcollege behandeld kan worden.

 

Beklaagde is in de gelegenheid gesteld om op de laatste schriftelijke reactie van klager (21 augustus 2017) te reageren. Klager en beklaagde hebben vervolgens over en weer op elkaar gereageerd en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

 

Na een schorsing heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde meegedeeld, dat door het Tuchtcollege is besloten de eerste productie 2 bij het verweerschrift van 30 april 2018 buiten beschouwing te laten en bij de verdere behandeling alleen de nieuwe productie 2 (de aangepaste medische rapportage) te betrekken. Reden daarvoor is, dat in de brief van 5 juli 2018 door de gemachtigde van beklaagde is meegedeeld dat de oude productie 2 dient te worden vernietigd en een nieuwe productie 2 (aangepaste medische rapportage) wordt ingediend.

 

Verder is door het Tuchtcollege meegedeeld, dat klagers aanvulling van de klacht over de indiening de eerste productie 2 door de gemachtigde van klager niet-ontvankelijk wordt verklaard en daar door het Tuchtcollege geen uitspraak over wordt gedaan.

 

Ter motivering van deze beslissing het volgende. Krachtens artikel 1 Tuchtreglement SRA is een (ontvankelijke) klacht een blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid. De gang van zaken bij de indiening van productie betreft niet een gedraging van beklaagde in die hoedanigheid, maar een handeling van de gemachtigde van beklaagde in het kader van het verweer dat wordt gevoerd tegen de klacht. Als klager over deze handelwijze wenst te klagen staan daarvoor andere wegen open.

 

Ontvankelijkheid van de klacht

 

Primair voert beklaagde als verweer aan, dat klager niet ontvankelijk is in zijn klachten, aangezien het in het geval van klager uitgevoerde onderzoek geen arbeidsdeskundig onderzoek betreft en hij jegens klager niet als arbeidsdeskundige heeft gehandeld. Het onderzoek naar klager betrof een arbeidsgeneeskundig onderzoek waarin door hem uitsluitend een niet arbeidsdeskundige deeltaak is uitgevoerd, namelijk het uitvragen en in het systeem vastleggen van de visie van de werkgever, aldus beklaagde. Van een (zelfstandig) arbeidsdeskundig onderzoek en handelen als arbeidsdeskundige is volgens beklaagde geen sprake geweest.

 

Naar het oordeel van het Tuchtcollege slaagt dit verweer niet.

 

Zoals hiervoor bij de relevante feiten is weergegeven, wordt het door beklaagde uitgevoerde onderzoek in de definitieve Medische rapportage op diverse momenten als (aanvullend) arbeidsdeskundig onderzoek aangemerkt uitgevoerd door beklaagde in zijn hoedanigheid als (register-) arbeidsdeskundige. Bovendien: beklaagde heeft onderzoek gedaan naar de visie van de werkgever op de re-integratie van klager en dat zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege werkzaamheden die wel degelijk als arbeidsdeskundige werkzaamheden dienen te worden aangemerkt. Dat het daarbij slechts om een deeltaak in het kader van een arbeidsgeneeskundig onderzoek zou gaan, doet daar naar de mening van het Tuchtcollege niet aan af. Aan het verweer dat de kop "Arbeidsdeskundig onderzoek" in de definitieve Medische rapportage slechts een ongelukkige formulering is, die is veroorzaakt door het gebruik door beklaagde van het gebruikelijke "template" in het systeem van organisatie X, gaat het Tuchtcollege dan ook voorbij.

 

De deeltaak die beklaagde als register-arbeidsdeskundige heeft vervuld in het kader van het arbeidsgeneeskundig onderzoek naar klager betreft naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook wel degelijk een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid in de zin van artikel 1 Tuchtreglement SRA waarover bij het Tuchtcollege een ontvankelijke klacht kan worden ingediend.

 

Het Tuchtcollege oordeelt dan ook dat sprake is van een ontvankelijke klacht waarover het Tuchtcollege zich een inhoudelijk oordeel moet vormen.

 

De overwegingen van het Tuchtcollege

 

Ter zake van de inhoud van de klacht overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.

 

Het Tuchtcollege stelt op grond van de hiervoor aangegeven feiten vast, dat beklaagde klager niet (vooraf) in kennis heeft gesteld van het onderzoek dat door hem als arbeidsdeskundige in het kader van het arbeidsgeneeskundig onderzoek diende te worden uitgevoerd. Klager nam van het onderzoek van beklaagde pas achteraf kennis op het moment dat de concept-Medische rapportage, waarvan het onderzoek van beklaagde deel uitmaakte, aan hem werd toegestuurd. Verder stelt het Tuchtcollege vast dat door beklaagde alleen de visie van de werkgever is uitgevraagd en vastgelegd. Naar de visie van de klager als werknemer is door hem geen onderzoek gedaan. Klager is door beklaagde in ieder geval niet gehoord in het kader van zijn onderzoek.

 

Dit is een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid van beklaagde als register-arbeidsdeskundige die beklaagde niet aan anderen kon en mocht overlaten, ook niet in het kader van het overkoepelende arbeidsgeneeskundig onderzoek. Bovendien is met het latere commentaar van klager op de rapportage van klager als onderdeel van de concept-Medische rapportage inhoudelijk ook niets gedaan. Ten slotte heeft beklaagde, zo moet het Tuchtcollege vaststellen, niet bij genoemde heer Y. van werkgever geverifieerd of hetgeen door beklaagde als visie van de werkgever is vastgelegd ook een juiste weergave van deze visie is. Het is het Tuchtcollege aan de hand van een door klager in het geding gebracht schriftelijke verklaring van de heer Y. gebleken dat de juistheid van de verslaglegging door de heer Y. later is bestreden.

 

Juist om verwarring te voorkomen dient een register-arbeidsdeskundige zich er bij de totstandkoming van zijn rapportage van te vergewissen dat de door hem in zijn rapportage vastgelegde gegevens juist zijn en later geen bron van discussie gaan vormen tussen betrokkenen, in dit geval klager en zijn werkgever.

 

Met zijn handelwijze heeft beklaagde zich naar de mening van het Tuchtcollege onvoldoende gekweten van de op hem als register-arbeidsdeskundige rustende toenaderingsverantwoordelijkheid jegens klager en gehandeld in strijd met de zorgplicht vastgelegd in artikel 1 Gedragscode SRA en de verplichtingen van artikel 2 Gedragscode SRA ter zake van de te verschaffen en vergaarde informatie. Klager heeft daar naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook terecht over geklaagd.

 

Voor de klacht van klager dat beklaagde partijdig heeft gehandeld, zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege geen aanwijzingen. Dit wordt door klager ook niet aannemelijk gemaakt zodat de klacht ter zake daarvan ongegrond moet worden verklaard. Dit geldt ook voor de klacht dat beklaagde zich tijdens de klachtbehandeling door de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA niet oprecht heeft gedragen. Nog afgezien van het feit dat ook daar onvoldoende aanwijzingen voor zijn, kan het Tuchtcollege dit niet overzien en beoordelen.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover hier voor is aangegeven, ontvankelijk en gegrond is.

Tuchtmaatregel

 

Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.

 

Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

 

Zoals eerder door het Tuchtcollege is uitgesproken en in de artikelen 1 en 2 Gedragscode SRA is vastgelegd, wordt van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid en zorg verwacht.

 

Daarbij hoort dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht, bij uitvoering van zijn opdracht hoor en wederhoor toepast, er voor zorgdraagt dat zijn rapport op deugdelijke en geverifieerde gegevens berust en verwarring over zijn rol en het door hem uitgevoerde onderzoek wordt voorkomen, mede omdat een rapportage, zoals ook hier, jarenlang een eigen leven kan gaan leiden. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk en vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren.

 

Het Tuchtcollege stelt vast dat aan beklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

 

Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd. Beklaagde bagatelliseerde zijn handelwijze veeleer en toonde zich naar het oordeel van het Tuchtcollege weinig tot niet bewust van de consequenties daarvan.

 

Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde volgens artikel 22.1 onder b van het Tuchtreglement SRA de maatregel van een waarschuwing dient te worden opgelegd.

Beslissing

 

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht, voor zover hiervoor aangegeven, ontvankelijk en gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 26 oktober 2018 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

B. Gerringa, lid

P. Hulsen, lid