Uitspraak AT 27 oktober 2014

Uitspraak AT 27 oktober 2014

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”,  op de klacht van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,  hierna te noemen: “klaagster”, voor wie als gemachtigde optreedt de bedrijfsjurist werkzaam bij klaagster, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: “beklaagde”, voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. A.G. Jansen, als manager tuchtzaken werkzaam bij het UWV.

Procesverloop

Op 11 oktober 2013 is door klaagster een klacht met een aantal bijlagen over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.

Bij brief van 7 januari 2014 heeft beklaagde op deze klacht gereageerd. Deze brief is door de gemachtigde van beklaagde bij brief van 9 januari 2014 aan het secretariaat SRA toegezonden.

Met de brief van 14 april 2014 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA meegedeeld, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klaagster heeft laten weten dat zij haar klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.

Bij brief van 11 april 2014 met een aantal bijlagen heeft klaagster de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd en de klacht aangevuld.

Op 16 juni 2014 heeft de gemachtigde van beklaagde namens beklaagde een verweerschrift met een aantal bijlagen ingediend.

De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 25 september 2014. Ter zitting zijn verschenen de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van beklaagde. Zij hebben de standpunten van klaagster en beklaagde toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

Feiten

Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij het UWV.

In het kader van de uitoefening van de aan het UWV opgedragen wettelijke taken heeft beklaagde in opdracht van het UWV als zijn werkgever de volgende werkzaamheden verricht:

–          op 7 maart 2012 een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van klaagster in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter in verband met de aanvraag van een WIA-uitkering door een werknemer van klaagster. Daarbij zijn de re-integratie-inspanningen van klaagster door beklaagde als onvoldoende aangemerkt op grond waarvan klaagster het loon van de werknemer maximaal 52 weken moet doorbetalen;

–          op 6 november 2012 een beoordeling van de vraag of de tekortkomingen met betrekking tot de re-integratie-inspanningen in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter door klaagster in voldoende mate zijn hersteld naar aanleiding van een verzoek van klaagster om de opgelegde loonsanctie te verkorten. Daarbij is door beklaagde geoordeeld dat de tekortkomingen van klaagster nog niet zijn hersteld, op grond waarvan klaagster het loon van de werknemer moest blijven doorbetalen tot maximaal 52 weken;

–          op 19 april 2013 een arbeidsdeskundig onderzoek en advies naar aanleiding van de aanvraag van een WIA-uitkering per 24 mei 2013 door dezelfde werknemer van klaagster. Daarbij is door beklaagde geoordeeld over de (on)geschiktheid voor de maatgevende arbeid, de restverdiencapaciteit en de benutting daarvan door de werknemer, het arbeidsongeschikt­heidspercentage  en het van toepassing zijn van de No Riskpolis;

–          op 27 september 2013 een actueel advies aan de afdeling Arbeidsjuridische dienstverlening van het Werkbedrijf van het UWV naar aanleiding van de ontslagaanvraag van klaagster met betrekking tot dezelfde werknemer. Daarbij is door beklaagde geoordeeld, dat er -anders dan klaagster meende- wel mogelijkheden zijn om de betrokken werknemer binnen 26 weken te herplaatsen in aangepast eigen werk dan wel een andere passende functie.

De klachten

De klacht van klaagster is tweeledig.

In de eerste plaats klaagt klaagster er -onder verwijzing naar de eerdere uitspraken van de Raad van Toezicht van 11 maart 2008 en 22 januari 2010- over dat beklaagde in strijd met Gedragscode SRA, hierna: “Gedragscode”, onvoldoende objectief, onafhankelijk, onpartijdig en onbevooroordeeld heeft gehandeld en de schijn van partijdigheid heeft gewekt door op 27 september 2013 als register-arbeidsdeskundige ook een advies in het kader van de ontslagaanvraag uit te brengen, terwijl beklaagde al tweemaal eerder advies uitbracht (op 7 maart 2012 en 6 november 2012) in het dossier van dezelfde werknemer van klaagster. Bovendien betwijfelt klaagster of sprake kan zijn van het uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek, nu beklaagde in dienst is van het UWV. Van een vrij en zelfstandig arbeidsdeskundige kan daardoor volgens klaagster nauwelijks sprake zijn.

De klacht is in de tweede plaats dat het advies van beklaagde van 27 september 2013 in het kader van de ontslagaanvraag inhoudelijke onjuistheden bevat.

Het verweer

Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.

De werkwijze van het Tuchtcollege

Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege de klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

Bij de beoordeling van onderhavige klacht is met name artikel 1 Gedragscode van belang. In artikel 1 Gedragscode is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt.

In de toelichting bij dit artikel wordt vermeld, dat het in artikel 1 Gedragscode gaat over de algemene zorgplicht. De norm is bedoeld ter toetsing van het gedrag, niet van de inhoud. Bij inkleuring van deze norm dienen blijkens de toelichting de mogelijke specifieke regels en normen te worden toegepast die gelden ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen op het specifieke werkterrein van de aangeklaagde arbeidsdeskundige. In dit geval is dat het UWV.

Blijkens de uitspraken van 11 maart 2008, 22 januari 2010, 19 augustus 2013 en 2 december 2013 is door de Raad van Toezicht, later Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, in het kader van de algemene zorgplicht van artikel 1 Gedragscode geoordeeld, dat het van het allergrootste belang is, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert en de schijn van partijdigheid dient te vermijden.

De overwegingen van het Tuchtcollege

Op grond van het hetgeen hiervoor is aangeven, overweegt het Tuchtcollege het volgende.

Ter zitting heeft de gemachtigde van klaagster aangegeven, dat de klacht dat het advies van beklaagde van 27 september 2013 in het kader van de ontslagaanvraag inhoudelijke onjuistheden door het Tuchtcollege buiten beschouwing kan worden gelaten. Over deze klacht zal het Tuchtcollege dan ook geen oordeel geven.

Daarmee resteert de klacht over -kort samengevat- de objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van beklaagde.

Het Tuchtcollege wijst er op dat de Gedragscode ook en volledig van toepassing is op de arbeidsdeskundige die in dienst is van het UWV en werkzaamheden uitvoert in het kader van de wettelijke taken die aan het UWV zijn opgedragen. Dit is ook geen punt van discussie tussen klaagster en beklaagde.

Daarop bevraagd ter zitting, heeft de gemachtigde van klaagster het Tuchtcollege niet kunnen aangeven uit welke feitelijke gedragingen van beklaagde dan wel wijze van beoordelen blijkt dat beklaagde zijn werk niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig heeft gedaan en de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

Het gaat klaagster om het feit, dat tot driemaal toe, namelijk met de oordelen van 7 maart 2012, 6 november 2012 en het advies van 27 september 2013, een oordeel wordt gegeven in hetzelfde dossier door dezelfde arbeidsdeskundige in dienst van het UWV. Dat doet afbreuk aan de objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het handelen van de arbeidsdeskundige en dat is in strijd met de artikel 1 van de Gedragscode, aldus klaagster.

Het Tuchtcollege is van oordeel dat het enkele feit dat beklaagde tot driemaal toe een arbeidsdeskundig oordeel uitbrengt over het handelen van klaagster als werkgever met betrekking tot dezelfde werknemer en in dienst is van het UWV niet met zich meebrengt, dat wordt gehandeld in strijd met de eisen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid die op grond van artikel 1 Gedragscode aan het handelen van de arbeidsdeskundige worden gesteld.

Daarbij is volgens het Tuchtcollege van belang dat de werkzaamheden van beklaagde zijn verricht in het kader van de wettelijke taken (beoordeling re-integratie-inspanningen in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter, beoordeling WIA-aanvragen en toetsing ontslagaanvragen) die aan het UWV als onafhankelijk uitvoeringsorgaan zijn opgedragen. Bij uitvoering van deze werkzaamheden heeft de arbeidsdeskundige in dienst van het UWV een duidelijk afgebakende, onafhankelijk rol. Er wordt immers niet gehandeld in opdracht van de werkgever of werknemer en er is ook geen sprake van een positiewisseling, waarbij de arbeidsdeskundige de ene keer pro en een andere keer contra een werkgever of werknemer optreedt. Van belang acht het Tuchtcollege ook dat beklaagde arbeidsdeskundige oordelen van verschillende aard heeft uitgebracht bij de uitvoering van onderscheiden wettelijke taken van het UWV. De beoordeling van de re-integratie-inspanningen in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter is een andere aangelegenheid dan de beoordeling van een WIA-aanvraag of de advisering in het kader van een ontslagtoets. Bovendien biedt het UWV voldoende waarborgen voor de objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het handelen van de bij het UWV in dienst zijnde arbeidsdeskundigen door onder ander de beoordeling door de interne Landelijke Loon Sanctie Commissie (LLC) en de wettelijke mogelijkheden van bezwaar en beroep tegen besluiten van het UWV, waarbij zo nodig ook de handelwijze en oordelen van de betrokken arbeidsdeskundige ter discussie kunnen worden gesteld.

Dat -zoals klaagster aangeeft- de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA zou hebben aangegeven dat “het UWV deze handelwijze niet moet willen” en dit ook aan de orde zou zijn geweest bij trainingen/cursussen ‘morele besluitvorming’, maakt dit – nog afgezien van het feit dat het Tuchtcollege dit niet geverifieerd heeft- niet anders. Het Tuchtcollege beoordeelt een klacht zelfstandig en onafhankelijk en laat zich daarbij niet leiden door eventuele uitlatingen van de Arbeidsdeskundig Ombudsman, laat staan dat het Tuchtcollege daaraan gebonden is.

Voorts is het Tuchtcollege niet gebleken van enige vooringenomenheid of partijdigheid aan de kant van beklaagde bij het uitbrengen van de verschillende oordelen in het dossier van klaagster. Voor het standpunt van klaagster dat beklaagde de schijn van partijdigheid heeft gewekt, ontbreekt een feitelijke grond. Volgens het Tuchtcollege heeft beklaagde naar behoren, met zorgvuldige toepassing van hoor en wederhoor gehandeld en is beklaagde zeer wel in staat gebleken om met voldoende afstand en objectiviteit en op basis van actuele informatie zijn verschillende oordelen uit te brengen.

 

 

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat de klacht over de objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de handelwijze van beklaagde ongegrond dient te worden verklaard.

Ten overvloede overweegt het Tuchtcollege ten slotte nog wel, dat de handelwijze van beklaagde hoge eisen stelt aan het vermogen tot zelfreflectie. Een arbeidsdeskundige als beklaagde zal zich, wanneer hem op onderscheiden momenten gevraagd wordt een oordeel te geven in een dossier waar hij eerder bij betrokken is geweest, bewust moeten zijn van zijn kwetsbare positie en zich de vraag moeten stellen of hij voldoende afstand heeft tot het eerdere geleverde werk om zijn werk in het licht van artikel 1 Gedragscode objectief, onafhankelijk en onpartijdig uit te voeren.

 

Beslissing                       

De Raad verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven op 27 oktober 2014 door M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter, F. Hoebink en J. Wijnekus, leden.