Uitspraak AT 7 mei 2018
Uitspraak van 7 mei 2018 (klacht 17-39/AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klager, voor wie als gemachtigde optreedt mevrouw mr. M., advocaat te Utrecht, tegen de register-arbeidsdeskundige, voor wie als gemachtigde optreedt mr. B., advocaat te Utrecht, hierna te noemen: “beklaagde”.
Procesverloop
Op 16 maart 2017 is door klager een klacht met 17 producties over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.
Bij brief d.d. 19 april 2017 is de klacht door klager op verzoek van het secretariaat SRA aan beklaagde toegestuurd voor een persoonlijke reactie van beklaagde.
Op 2 mei 2017 heeft beklaagde op de klacht gereageerd.
Bij brief d.d. 4 mei 2017 heeft klager aan het secretariaat SRA laten weten, dat de reactie van beklaagde geen aanleiding is om de klacht in te trekken en heeft klager verzocht om de klacht in behandeling te nemen.
Op 1 juni 2017 heeft mr. B. zich als gemachtigde van beklaagde bij het secretariaat SRA gesteld en is verzocht om uitstel voor indiening van een reactie op de klacht, welk uitstel is verleend.
Bij brief d.d. 16 juni 2017 met 23 bijlagen is door beklaagde op de klacht gereageerd.
In vervolg op het overleg dat op 18 september 2017 plaatsvond met de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft beklaagde het secretariaat SRA bij brief d.d. 3 oktober 2017 met 3 bijlagen geïnformeerd over de mededeling van beklaagde aan klager dat de rapportages van 28 januari 2015 en 1 juli 2015 zijn ingetrokken, dat de arbeidsdeskundige rapportage van 11 mei 2015 is gewijzigd en dat deze intrekking en wijziging zijn gemeld bij de verzekeringsmaatschappij. Bij brief d.d. 12 oktober 2017 met 1 bijlage is het secretariaat SRA geïnformeerd over een correctie in de melding aan de verzekeringsmaatschappij.
Bij brief d.d. 16 oktober 2017 heeft klager aan de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA laten weten, dat zijn klacht met de intrekking en wijziging van genoemde rapporten niet is opgelost en de klacht niet wordt ingetrokken.
Met de brief van 25 oktober 2017 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en hij klager heeft laten weten dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
Bij brief d.d. 30 oktober 2017 heeft klager zijn klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd.
Op 18 januari 2018 heeft beklaagde een verweerschrift met 27 bijlagen ingediend.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 29 maart 2018. Ter zitting is verschenen klager, vergezeld van zijn echtgenote, en zijn gemachtigde, mr. M. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. B. Klager heeft ter zitting pleitaantekeningen aan het Tuchtcollege overgelegd. Klager en beklaagde hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
Het Tuchtcollege heeft aan klager en beklaagde laten weten dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat -voor zover hier relevant- uit van de navolgende feiten.
Beklaagde is als register-arbeidsdeskundige werkzaam bij bureau X.
Klager is werkzaam als zelfstandige (installateur) en bij de verzekeringsmaatschappij verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid voor het eigen beroep.
Op 19 december 2012 is klager gedeeltelijk arbeidsongeschikt uitgevallen.
In verband daarmee heeft klager op 23 januari 2013 een Melding van arbeidsongeschiktheid gedaan bij de verzekeringsmaatschappij. Naar aanleiding daarvan heeft de verzekeringsmaatschappij aan bureau X verzocht een arbeidsdeskundig onderzoek naar beklaagde in te stellen en de verzekeringsmaatschappij te adviseren omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid en arbeidsmogelijkheden van klager.
Beklaagde heeft deze opdracht namens bureau X uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een Eerste Arbeidsdeskundige rapportage op 31 januari 2013 en Vervolg Arbeidsdeskundige rapportages op 25 februari 2013, 2 april 2013, 1 mei 2013, 19 juni 2013, 30 juli 2013, 4 oktober 2013, 12 december 2013, 10 februari 2014, 18 februari 2014, 27 februari 2014, 12 september 2014 en 5 januari 2015.
In verband met een nieuwe arbeidsongeschiktheidsmelding van klager in december 2014 (door de verzekeringsmaatschappij eerst in mei 2015 ontvangen en in behandeling genomen) is aan beklaagde verzocht opnieuw arbeidsdeskundig onderzoek te doen. Beklaagde heeft zijn bevindingen vastgelegd in de Eerste Arbeidsdeskundige rapportage van 11 mei 2015.
Beklaagde heeft na de opstelling van deze rapportage geen contact meer met klager gehad.
Op verzoek van de verzekeringsmaatschappij heeft beklaagde met de Vervolg Arbeidsdeskundige rapportage van 1 juli 2015 nog wel een reactie gegeven op een brief d.d. 24 juni 2015 van de gemachtigde van klager aan de verzekeringsmaatschappij en op 28 januari 2016 in een Vervolg Arbeidsdeskundige rapportage een beschouwing gegeven over de jaarcijfers 2014 en 2015 van klager.
In een civiele procedure die door klager tegen de verzekeringsmaatschappij is gestart, heeft klager in januari 2017 kennis genomen van de hiervoor genoemde rapportages van beklaagde van 1 juli 2015 en 28 januari 2016. Naar aanleiding daarvan is beklaagde door klager aansprakelijk gesteld en is tegen beklaagde een klacht bij het secretariaat SRA ingediend.
In het kader van de behandeling van de klacht heeft klager ook kennis genomen van de rapportage van beklaagde van 11 mei 2015.
Op 3 oktober 2017 heeft beklaagde naar aanleiding van de klacht aan de verzekeringsmaatschappij laten weten dat zijn rapportages van 1 juli 2015 en 28 januari 2016 zijn ingetrokken en de rapportage van 11 mei 2015 is gewijzigd. Daarvan is op dezelfde datum ook aan klager mededeling gedaan.
De klachten
Klager verwijt beklaagde ter zake van de hiervoor genoemde rapportages van 11 mei 2015, 1 juli 2015 en 28 januari 2016, dat:
-
beklaagde zich niet op zorgvuldige wijze heeft gekweten van zijn taak als arbeidsdeskundige;
-
beklaagde klager, in strijd met artikel 1 en artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA, niet op een zorgvuldige wijze heeft geïnformeerd over zijn rapportages en de feitelijke juistheid daarvan niet heeft geverifieerd bij klager;
-
klager niet in staat is gesteld gebruik te maken van het inzage- en correctierecht ter zake van de rapportages van beklaagde;
-
beklaagde geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan;
-
de inhoud van de rapportages van beklaagde niet voldoet aan de eisen die in artikel 3 Gedragscode SRA aan de rapportages van arbeidsdeskundigen worden gesteld, omdat:
-
de rapportages feitelijke onjuistheden bevatten;
-
de rapportages niet in lijn zijn met eerdere rapportages;
-
de rapportages niet een voldoende uitgediepte taak-/functieanalyse bevatten;
-
in de rapportages is ‘geschoven’ met de taken/functie van klager;
-
de weging van de belastbaarheid van klager niet deugt;
-
beklaagde zich niet onafhankelijk heeft getoond;
-
beklaagde geen rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager;
-
beklaagde door genoemde handelwijze heeft gehandeld in strijd met de zorgplicht vastgelegd in artikel 1 Gedragscode SRA.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten.
Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege toetst de handelwijze van de arbeidsdeskundige dus niet aan civielrechtelijke normen en treedt ook niet in de beoordeling van de inhoudelijke juistheid van het werk van de arbeidsdeskundige. Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor klager heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 en 3 van de Gedragscode SRA van belang. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 2 Gedragscode is -voor zover hier relevant- vastgelegd welke informatie de arbeidsdeskundige aan de cliënt dient te verschaffen en in artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.
Overwegingen
1.Ter zake van de klacht overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
Inzage- en correctierecht
2. Noch de statuten, noch de reglementen en de Gedragscode SRA kennen aan klager een zogenaamd inzage- en correctierecht toe. Ook uit de rechtspraak van het Tuchtcollege blijkt niet van een dergelijk recht. Voor zover er over wordt geklaagd, dat klager niet in staat is gesteld van dit recht gebruik te maken, dient de klacht naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond te worden verklaard.
Niet geïnformeerd over rapportages
3.1. Het Tuchtcollege stelt vast, dat klager door beklaagde niet in kennis is gesteld van zijn rapportages van 11 mei 2015, 1 juli 2015 en 28 januari 2016.
3.2 Daar wordt door klager naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht over geklaagd.
3.3. In artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht. Daarbij laat hij zich leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan. De handelwijze van beklaagde is daarmee naar het oordeel van het Tuchtcollege in strijd. Gezien de belangen van klager had beklaagde klager actief moeten informeren over zijn rapportages, mede gezien het feit dat beklaagde na 11 mei 2015 geen contact meer met klager had en klager in ieder geval niet bedacht kon zijn op de rapportages van beklaagde van 1 juli 2015 en 28 januari 2016.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan en mag beklaagde de verantwoordelijkheid die wat dat betreft op hem als register-arbeidsdeskundige rust, niet aan de verzekeringsmaatschappij laten.
Daar doet volgens het Tuchtcollege niet aan af, dat eerdere rapporten ook niet door beklaagde aan klager zijn gestuurd, dat klager er op zou zijn gewezen dat de rapportages bij de verzekeringsmaatschappij opgevraagd kunnen worden, dat de gemachtigde van klager dat eerder ook gedaan zou hebben en dat daarover afspraken met de verzekeringsmaatschappij zijn gemaakt. Het Tuchtcollege wijst er op dat beklaagde toenaderings-verantwoordelijkheid heeft en klager zelf in kennis had moeten stellen van de in het geding zijnde rapportages van 11 mei 2015, 1 juli 2015 en 28 januari 2016. Door dit na te laten heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege niet alleen in strijd met artikel 2 lid 1, maar ook in strijd met de zorgplicht van artikel 1 Gedragscode SRA gehandeld.
Gebrekkige rapportages
4.1 Ter zitting is door beklaagde erkend, dat de rapportages van 1 juli 2015 en 28 januari 2016 in het licht van de rechtspraak van het Tuchtcollege niet als ‘dossiercommentaar’ kunnen worden aangemerkt. Daarmee gelden voor deze rapportages onverkort de eisen zoals deze onder andere in artikel 2 en 3 Gedragscode SRA aan de handelwijze van de arbeidsdeskundige worden gesteld.
4.2 In artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA is vastgelegd, dat de arbeidsdeskundige er bij de afweging van belasting (van de activiteiten) en belastbaarheid (van de cliënt) op toe ziet, dat hij de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens waaruit diens (on) mogelijkheden in voldoende mate blijken. Artikel 3 Gedragscode SRA schrijft voor aan welke eisen een rapportage van de arbeidsdeskundige moet voldoen.
4.3 Het is vaste rechtspraak van het Tuchtcollege (voorheen: Raad van Toezicht, RvT) dat verwacht mag worden dat de rapportage van de arbeidsdeskundige zodanig is, dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat deze niet duidelijk genoeg is over de wijze waarop de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel gekomen is.
Een arbeidsdeskundige dient er op bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn (zie o.a.: RvT 22 oktober 1997, 19 november 2007 en 28 november 2008). Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De register-arbeidsdeskundige dient op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten, te rapporteren (zie o.a.: RvT 24 november 2003). Bovendien wordt -zo blijkt uit uitspraken van het Tuchtcollege- van de arbeidsdeskundige verwacht, dat deze de gegevens waarvan wordt uitgegaan bij opstelling van de rapportage verifieert bij een cliënt alvorens deze in een rapportage worden opgenomen en aan een opdrachtgever wordt uitgebracht (zie o.a.: RvT 28 februari 2011).
4.4. Het Tuchtcollege stelt vast dat klager in het geheel niet gekend is bij de totstandkoming van de op hem betrekking hebbende rapportages van beklaagde van 1 juli 2015 en 28 januari 2016. Beklaagde heeft zich er niet van vergewist over juiste, betrouwbare en actuele gegevens te beschikken en heeft in het geheel niet bij klager geverifieerd of de feitelijke gegevens die in de betreffende rapportages worden vermeld, juist zijn. Weliswaar ligt aan de rapportage van beklaagde van 11 mei 2015 een telefonisch onderhoud ten grondslag, maar ook van deze rapportage kan -zo moet het Tuchtcollege vaststellen- niet gezegd worden dat bij klager is gecheckt of de op klager betrekking hebbende gegevens correct zijn weergegeven.
Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA.
4.5 Of de rapportages van beklaagde -zoals door klager wordt aangegeven- feitelijke onjuistheden bevatten, of deze rapportages wel of niet in lijn zijn met eerdere rapportages, of de rapportages een voldoende uitgediepte taak-/functieanalyse bevatten, of in de rapportages is ‘geschoven’ met de taken/functie van klager en of de weging van de belastbaarheid van klager wel of niet deugt, laat het Tuchtcollege in het midden. Wel stelt het Tuchtcollege vast, dat beklaagde de discussie over deze onderdelen van zijn rapportages over zichzelf heeft afgeroepen door zijn handelwijze bij de totstandkoming van zijn rapportages. Als beklaagde klager in zijn rapportages had gekend en bij klager had geverifieerd of hij in zijn rapportages uitgaat van correcte gegevens, had deze discussie juist kunnen worden voorkomen.
4.6 Dat geldt zeker voor de rapportages van beklaagde van 1 juli 2015 en 28 januari 2016, nu deze zijn opgesteld ruim na het laatste contact met klager op 11 mei 2015 en na afronding van het arbeidsdeskundig onderzoek. Daarin was naar de mening van het Tuchtcollege voor beklaagde indertijd een reden te meer gelegen om klager te kennen in de onderzoeksvragen die door de verzekeringsmaatschappij nog na 11 mei 2015 aan hem zijn gesteld en door beklaagde zijn beantwoord met de rapportages van 1 juli 2015 en 28 januari 2016.
4.7 Op grond van het vorenstaande, heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht de rapportage van 11 mei 2015 gewijzigd en de rapportages van 1 juli 2015 en 28 januari 2016 ingetrokken. De wijziging en intrekking van de rapportages laat echter onverlet dat het Tuchtcollege een oordeel dient te geven over de door beklaagde gevolgde handelwijze.
4.8 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de klacht over de wijze van totstandkoming van de rapportages van 11 mei 2015, 1 juli 2015 en 28 januari 2016 en het onderzoek dat aan deze rapportages ten grondslag ligt, gegrond is.
Zorgplicht
5. Op grond van vorenstaande overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde bij zijn werkzaamheden niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht heeft genomen en onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van klager die met de bestreden rapportages van 11 mei 2015, 1 juli 2015 en 28 januari 2016 gemoeid zijn. Beklaagde heeft daarmee in strijd gehandeld met de zorgplicht vastgelegd in artikel 1 Gedragscode SRA.
De klacht, voor zover daar betrekking op hebbend, is dan ook gegrond.
Onafhankelijkheid
6. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat beklaagde geen onafhankelijk oordeel heeft uitgebracht. Noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting is aangevoerd, blijkt naar de mening van het Tuchtcollege, dat beklaagde zijn opdrachten en onderzoeken niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig heeft uitgevoerd.
De klacht, voor zover deze hier betrekking op heeft, dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond is. Voor het overige is de klacht ongegrond.
Maatregel
1.Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde onderdelen van de klacht moeten leiden.
2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze wezenlijke tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kan blijven. Voor het basisvertrouwen dat cliënten en opdrachtgevers in een register-arbeidsdeskundige stellen is het van groot belang dat deze zich in woord, handelen en uiterlijk kwijt van zijn zorgplicht. Naar de overtuiging van het Tuchtcollege is het essentieel dat de arbeidsdeskundige de cliënt alle relevante informatie verschaft die deze nodig heeft om zijn eigen belangen verantwoord te kunnen behartigen. Vanuit de cliënt gezien is dit het recht op alle daartoe relevante informatie. Bovendien is het van groot belang dat een arbeidsdeskundige zich ervan vergewist dat de rapportages die hij opstelt en de oordelen die hij geeft gebaseerd zijn op deugdelijke geverifieerde feiten en omstandigheden. De handelwijze van beklaagde is daarmee in dit geval in strijd.
3. Tegelijkertijd is het Tuchtcollege er ambtshalve mee bekend, dat aan beklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Bovendien houdt het Tuchtcollege er rekening mee, dat beklaagde bereid is gebleken zijn rapportage van 11 mei 2015 te wijzigen en de rapportages van 1 juli 2015 en 28 januari 2016 in te trekken.
4. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde ter zake van de gegrond verklaarde onderdelen van de klacht de maatregel van een waarschuwing dient te worden opgelegd (artikel 22.1 onder b van Tuchtreglement SRA).
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht, voor zover hiervoor aangegeven, gegrond en legt beklaagde ter zake daarvan de maatregel van een waarschuwing op. Voor het overige is de klacht ongegrond.
Aldus gegeven op 7 mei 2018 door:
M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
Mevrouw B.B. Gerringa, lid
Mevrouw J.L.S. Lussing-van der Pol, lid