Uitspraak AT van 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)

Uitspraak AT van 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)

Trefwoorden

Aanvullend onderzoek. Informatieverplichting. Toenaderingsverantwoordelijkheid. 

Artikelen Gedragscode SRA

Artikel 1, 2 lid 1, 3 

Samenvatting

Beklaagde verrichtte op enig moment een arbeidsdeskundig onderzoek. Nadien ontving beklaagde van de werkgever wederom een opdracht tot het verrichten van een arbeidsdeskundig onderzoek. Beklaagde heeft dat onderzoek verricht zonder klager daarbij te betrekken. Klager ontving slechts het rapport. Klager verwijt beklaagde dat zij klager niet over het aanvullend onderzoek heeft geïnformeerd. Dat verwijt treft doel. Het Tuchtcollege is van oordeel dat van een register-arbeidsdeskundige te allen tijde wordt verlangd dat deze betrokkene vooraf informeert over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan. Dat heeft beklaagde bij het aanvullend onderzoek verwijtbaar nagelaten. Voorts verwijt klager beklaagde dat zij klager niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze te geven. Beklaagde heeft in het kader van het aanvullend onderzoek alleen overlegd met de werkgever en de bedrijfsarts. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, ook als het gaat om een aanvullend onderzoek en al de nodige informatie bekend is, een zodanig zorgvuldig en compleet onderzoek te doen dat de resultaten de conclusies kunnen dragen. Beklaagde had daarbij ook de zienswijze van klager moeten betrekken, aldus het Tuchtcollege. Bovendien had beklaagde uit hoofde van haar zorgplicht, haar onafhankelijkheid en de op haar rustende toenaderingsverantwoordelijkheid naar het oordeel van het Tuchtcollege de tijd en moeite dienen te nemen om aan klager uitleg te verschaffen over het aanvullend onderzoek. 

 

Uitspraak AT van 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van:

klager,
gemachtigde: mr. R.K. Torn, advocaat in Amsterdam

tegen

register-arbeidsdeskundige,
hierna te noemen: “beklaagde”,
gemachtigde: de heer G.P. van Delft.

1. Procesverloop

1.1. Op 2 december 2019 is door de gemachtigde van klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht zijn 10 bijlagen gevoegd.

1.2. Bij brief d.d. 23 januari 2020 is door beklaagde op de klacht gereageerd. Bij deze reactie zijn 5 bijlagen gevoegd.

1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 16 maart 2020 aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en dat aan klager is meegedeeld dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege kan voorleggen.

1.4. De gemachtigde van klager heeft op 19 maart 2020 met een e-mailbericht aan het secretariaat SRA laten weten dat de klacht aan het Tuchtcollege dient te worden voorgelegd. Bij dit e-mailbericht is 1 bijlage gevoegd.

1.5. Met het e-mailbericht van 7 april 2020 heeft de gemachtigde van klager gereageerd op de brief van beklaagde van 23 januari 2020 en de klacht uitgewerkt. 

1.6. Bij brief d.d. 28 april 2020 heeft beklaagde op de reactie en uitwerking van de klacht van klager van 7 april 2020 gereageerd. Bij deze brief zijn 3 bijlagen gevoegd.

1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 25 juni 2020. Klager is vanwege ziekte niet ter zitting verschenen. Namens klager verschenen ter zitting: de echtgenote van klager en de gemachtigde van klager. Beklaagde is ook ter zitting verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Klager en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

1.8. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan. 

2. Feiten

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

2.2. Op 8 juni 2016 is klager ziek uitgevallen vanwege diverse medische klachten. Klager heeft meerdere operaties ondergaan en kon langere tijd niet werken.

2.3. Op 4 mei 2017 is klager door de bedrijfsarts van zijn werkgever beoordeeld. Het oordeel van de bedrijfsarts luidde, kort gezegd: “Er is nog geen belastbaarheid voor (eigen) werk”. Daarbij is door de bedrijfsarts ook een uitbreide functionele mogelijkhedenlijst (fml) opgesteld.

2.4. Op basis daarvan verricht beklaagde een arbeidsdeskundig onderzoek. Dat leidt, na gesprekken met klager en de werkgever van klager, na overleg met de bedrijfsarts en na een reactie van klager op het concept-rapport, tot de Arbeidsdeskundige rapportage van 3 juli 2017. Conclusie van beklaagde is dat het eigen werk van klager nu niet passend is en binnen de eigen organisatie geen passend werk voor klager is. Geadviseerd wordt om het re-integratietraject spoor 2 op te starten. In de rapportage wordt aangegeven, dat de arbeidsrelatie tussen klager en de werkgever van klager niet optimaal is en dat er sprake is van rechtszaken. Uit de in de rapportage opgetekende visie van klager blijkt dat klager op termijn weer het eigen werk hoopt te kunnen hervatten en klager van mening is dat, hoewel sprake is van spanningen in de arbeidsrelatie en rechtszaken, dit een werkhervatting bij de eigen werkgever niet in de weg hoeft te staan.

2.5. De bedrijfsarts beoordeelt klager opnieuw op 26 oktober 2017 en oordeelt dan als volgt:

“Klager” heeft een medische ingreep gehad en ervaart een flinke afname van klachten. Zijn behandelaar gaf aan dat hij weer zou kunnen beginnen met werken, rustig opbouwen, nadat hij voldoende genezen was van de ingreep. Dat houdt in dat hij per de week van 6-11 2 hele dagen mag gaan werken, boventallig. Hij moet zelf de grenzen aangeven van wat fysiek mogelijk is. Als dat goed gaat mag hij na 3 weken uitbreiden naar 3 hele dagen, ook nog boventallig. Ondertussen bouwt hij conditie op die nodig is voor de uitvoering van zijn werk. Gezien de verzuimduur adviseer ik dat hij voorlopig wel door gaat met re-integratie 2e spoor.” 

Als re-integratiedoel geeft de bedrijfsarts aan dat de komende maanden moet blijken of een volledige werkhervatting mogelijk is of niet. Bij het oordeel van de bedrijfsarts is een “benutbare mogelijkheden lijst (bml)” gevoegd.

2.6. Naar aanleiding van het oordeel van de bedrijfsarts laat de werkgever van klager op 2 november 2017 aan klager weten, dat eerst een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek wordt uitgevoerd naar de re-integratiemogelijkheden alvorens kan worden gestart met re-integratie. 

2.7. Eind november 2017 ontvangt klager de Arbeidsdeskundige rapportage d.d. 20 november 2017 (Aanvullend aan de arbeidsdeskundige rapportage d.d. 3 juli 2017). Conclusie van dat rapport is, dat het eigen werk ongewijzigd niet passend is, er in het kader van de re-integratie aangepaste werkzaamheden zijn voor maximaal 2 uur verspreid over dag op locatie, dat dit geen structurele werkzaamheden zijn en er daarmee onvoldoende mogelijkheden tot re-integratie (in het eigen werk) bij de eigen werkgever zijn. Blijkens de rapportage heeft er in het kader van het onderzoek overleg met de werkgever en met de bedrijfsarts plaatsgevonden.

2.8. Op 24 januari 2018 maakt klager in een e-mailbericht aan beklaagde, kort samengevat, duidelijk dat hij zich niet kan vinden in de rapportage van 20 november 2017 en stelt hij een aantal vragen over de door beklaagde getrokken conclusie met betrekking tot re-integratie van klager.

2.9. Beklaagde reageert daar op met een e-mailbericht van 29 januari 2018 waarin zij verwijst naar haar rapportage van 20 november 2017. Verder geeft beklaagde aan klager aan, dat bij een verbeterde belastbaarheid, op verzoek van de werkgever een nieuw onderzoek zou kunnen worden verricht en een deskundigenoordeel bij het UWV kan worden ingewonnen.  

2.10. Bij brief d.d. 3 mei 2019 is door de gemachtigde van klager bij beklaagde geklaagd over haar handelwijze met betrekking tot de Arbeidsdeskundige rapportage van 20 november 2017 en is beklaagde namens klager aansprakelijk gesteld voor schade die klager stelt te hebben geleden.

2.11. Op 11 juni 2019 wordt daar door beklaagde op gereageerd met de mededeling zich niet in de klacht te herkennen en wordt de gevorderde schade van de hand gewezen.

3. De klacht

3.1. De klacht heeft betrekking op de handelwijze van beklaagde met betrekking tot de Arbeidsdeskundige rapportage van 17 september 2019 en bestaat, kort samengevat, uit de volgende onderdelen:

a. er is door beklaagde gehandeld in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode, waarin is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht en zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan. Beklaagde heeft klager niet geïnformeerd over de opdracht van de werkgever van klager tot het verrichten van aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek.

b. er is door beklaagde gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode: de methode van onderzoek schoot volgens klager tekort. In het kader van het aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek heeft geen gesprek met klager plaatsgevonden. Klager is niet gehoord en niet in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven, terwijl de medische situatie sinds het rapport van juli 2017 volgens klager sterk veranderd was. Er is ten onrechte alleen overleg gepleegd met de werkgever en bedrijfsarts, niet met klager.

c. er is door beklaagde gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode. Terwijl beklaagde wist van de gespannen arbeidsrelatie met werkgever, van de wens van klager om op termijn terug te keren in het eigen werk en van het gewijzigde oordeel van de bedrijfsarts, heeft zij jegens klager niet de (extra) zorg betracht die van beklaagde als arbeidsdeskundige verwacht mocht worden door klager in het geheel niet te informeren en te horen. Daarmee heeft beklaagde ook niet voldaan aan de eisen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

4. Het verweer

4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan. 

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie. 

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.  

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

5.4. In het geval van deze klacht gaat het met name om de hiervoor reeds genoemde artikelen 1, 2 lid 1 en 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA.

5.5. Voor de duidelijkheid en ter voorlichting van klager: het Tuchtcollege beperkt zich tot een beoordeling van de handelwijze van de arbeidsdeskundige en geeft geen oordeel over de inhoudelijke vraag of klager nu wel of niet kon re-integreren bij zijn eigen werkgever, de door klager gestelde aansprakelijkheid van beklaagde en de door klager bij beklaagde geclaimde schade. Dit laat het Tuchtcollege bij de beoordeling van de klacht buiten beschouwing.

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klager en beklaagde hebben aangevoerd overweegt en oordeelt het Tuchtcollege ter zake van de handelwijze van beklaagde bij de totstandkoming van haar Arbeidsdeskundige rapportage van 20 november 2017 als volgt.

6.2. Het Tuchtcollege stelt vast, dat beklaagde klager niet heeft geïnformeerd over het aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek dat zij in opdracht van de werkgever naar de re-integratiemogelijkheden van klager moest uitvoeren, na het oordeel en het “bml” van de bedrijfsarts van 26 oktober 2017. Zonder enige aankondiging ontving klager de definitieve aanvullende Arbeidsdeskundige rapportage van beklaagde van 20 november 2017. 

Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA. De grondgedachte van deze gedragsregel is, dat degene die onderwerp is van arbeidsdeskundig onderzoek vooraf over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan wordt geïnformeerd. Het gaat er om dat een betrokkene begrijpt dat en waarom de arbeidsdeskundige is ingeschakeld.

6.3. Het verweer van beklaagde dat er maar een relatief korte periode is gelegen tussen de Arbeidsdeskundige rapportage juli 2017 en die van november 2017, dat zij in het kader van de rapportage van juli 2017 reeds uitvoerig contact met klager had gehad, dat de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid hetzelfde was gebleven en er slechts sprake was van een aanvulling op de eerdere rapportage, kan en mag naar het oordeel van het Tuchtcollege op geen enkele wijze afdoen aan de verplichting van artikel 2 lid 1 Gedragscode. Van een register-arbeidsdeskundige wordt te allen tijde verlangd dat deze betrokkene vooraf informeert over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan. Dat heeft beklaagde bij het aanvullend onderzoek in november 2017 ten onrechte en naar het oordeel van het Tuchtcollege verwijtbaar nagelaten. 

6.4. Klachtonderdeel a is daarmee naar het oordeel van het Tuchtcollege gegrond.

6.5. Dat geldt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook voor de klachtonderdelen b en c. 

6.6. Door in het kader van het aanvullend onderzoek alleen overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en door klager en zijn zienswijze op geen enkele bij het aanvullend onderzoek te betrekken, schiet de methode van onderzoek waarvoor door beklaagde is gekozen te kort. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, dat, ook als het gaat om een aanvullend onderzoek en al de nodige informatie bekend is, een zodanig zorgvuldig en compleet onderzoek wordt gedaan dat dit onderzoek en de resultaten daarvan de conclusies kunnen dragen. Dat gold in onderhavig geval te meer, daar het advies van de bedrijfsarts sinds de rapportage van juli 2017 nogal gewijzigd was, in ieder geval vanuit het perspectief van klager bezien. In dat verband had ook onderzoek moeten worden gedaan naar de zienswijze van klager. Zeker omdat bij beklaagde naar aanleiding van het eerdere onderzoek bekend was, dat klager op termijn weer hoopte te kunnen hervatten bij de eigen werkgever.

Daarmee is door beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege ook gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA.

6.7. Bovendien is beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege jegens klager tekort geschoten in de zorg die zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend jegens klager had moeten betrachten (artikel 1 Gedragscode SRA).

Beklaagde wist van de kwetsbare arbeidsrelatie tussen klager en zijn werkgever en van de wens van klager om te gaan hervatten bij de eigen werkgever. Bovendien was, zeker vanuit het perspectief van klager, sprake van een nogal anders luidend advies van de bedrijfsarts van 26 oktober 2017. Verder kon beklaagde weten welke consequenties haar rapportage voor klager kon hebben. Desondanks heeft zij klager op geen enkele manier betrokken bij de uitvoering van het aanvullend onderzoek in november 2017. Voor het eerst met de toezending door beklaagde aan klager van haar definitieve aanvullende rapportage van 20 november 2017 nam klager kennis van dit onderzoek en de conclusies daarvan. Daarmee is beklaagde ernstig tekort geschoten in haar zorgplicht jegens klager. 

6.8. In diverse uitspraken is door het Tuchtcollege reeds gewezen op de hoge mate van zorg en toenaderingsverantwoordelijkheid die van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. 

Uit hoofde van haar zorgplicht, haar onafhankelijkheid en de op haar rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat zij de tijd en moeite had genomen om aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, uitleg te verschaffen over het aanvullend onderzoek en daarbij zorgvuldig navraag te doen naar de zienswijze van klager. Zij had daarbij ook het belang voor klager moeten onderkennen en er niet, althans niet zonder meer, vanuit mogen gaan dat navraag bij klager niet meer nodig was.

6.9. In dat licht bezien is het Tuchtcollege ook van oordeel, dat beklaagde met haar nogal afhoudende reactie op de e-mail van klager van 24 januari 2018 tekort is geschoten. Door meer begrip voor en toenadering tot klager, had beklaagde veel ongenoegen bij klager kunnen wegnemen en recht kunnen doen aan de positie van klager in relatie tot zijn werkgever.

6.10. Door haar handelwijze heeft beklaagde zich naar de mening van het Tuchtcollege onbedoeld in een positie gebracht dat zij onderdeel werd van het conflict tussen klager en zijn werkgever. Bovendien heeft zij door bij haar onderzoek enkel overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en niet met klager onbedoeld de schijn van onvoldoende objectiviteit, onvoldoende onafhankelijkheid en partijdigheid gewekt. Van een register-arbeidsdeskundige wordt juist een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht om dat te voorkomen.

6.11. Het verweer van klager dat zij juist voor afstand ten opzichte van klager heeft gekozen omdat de sfeer waarin gewerkt moest worden steeds onprettiger werd, er ter zake van de belastbaarheid van klager niets gewijzigd was en klager het inhoudelijk niet met haar eens was, kan naar het oordeel van het Tuchtcollege niet slagen. De voor beklaagde geldende zorgplicht brengt met zich dat zij een betrokkene als klager meeneemt bij haar onderzoek, uitleg verschaft en in de gelegenheid stelt zijn zienswijze te geven. Juist in een situatie waarin sprake is van spanning in een arbeidsrelatie dient een register-arbeidsdeskundige daarop bedacht te zijn. Dat er uiteindelijk een verschil van inzicht blijft over de re-integratiemogelijkheden, doet aan de zorgplicht van de arbeidsdeskundige niet af.

7. Slotsom

7.1. Nu alle klachtonderdelen gegrond zijn bevonden, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gegrond dient te worden verklaard.

8. Tuchtmaatregel

8.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.

8.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze ernstige tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

8.3. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige betreft. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Bovendien liet beklaagde tijdens de zitting bij het Tuchtcollege weten bereid te zijn te leren van deze zaak en dat zij, met de kennis van nu, beslist anders zou hebben gehandeld en klager zou hebben geïnformeerd over en gehoord zou hebben bij het aanvullende onderzoek.

8.4. Alles afwegende is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

Beslissing

Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.

Aldus gegeven op 14 juli 2020 door:

mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter

C. Boulonois, lid

B. Gerringa, lid