Uitspraak AT van 18 juli 2014

Uitspraak AT van 18 juli 2014

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van klaagster tegen de register-arbeidsdeskundige verder te noemen: “beklaagde”.

Procesverloop

Bij brief van 25 september 2013 heeft klaagster zich tot de SRA gewend met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register-arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft daarop bij brief van 14 december 2013 schriftelijk verweer gevoerd. Bij brief van 20 februari 2014 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA medegedeeld dat het resultaat van de bemiddeling in deze zaak vruchteloos is.

Op 17 maart 2014 heeft klaagster verzocht de klacht door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege te laten behandelen. In die brief heeft klaagster acht verwijten gemaakt aan beklaagde. Beklaagde heeft daarop gereageerd in het verweerschrift van 6 juni 2014. Bij brief van 27 juni 2014 heeft klaagster een reactie op het verweerschrift van beklaagde geschreven.

De mondelinge behandeling van de klachten door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege vond plaats op 14 juli 2014. De klaagster werd daarbij vergezeld van haar echtgenoot. Partijen hebben ter zitting hun standpunt nader toegelicht en vragen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege beantwoord.

Feiten

Klaagster was werkzaam bij werkgever voor 28 uur per week in de functie van secretaresse  verdeeld over 16 uur per week als medewerker telefonisch consult en voor 12 uur per week als secretaresse senior. Binnen die uren was klaagster tevens werkzaam als secretaris van de Ondernemingsraad.

Met ingang van 18 juni 2012 is klaagster met medische klachten uitgevallen. Aansluitend is zij met ingang van 15 juli 2013 gedurende 4 uur per week op re-integratiebasis gaan werken.

Nadat op 9 juli 2012 door de bedrijfsarts een kritische functionele mogelijkhedenlijst was opgesteld, heeft beklaagde op 23 juli 2013 arbeidsdeskundig onderzoek verricht. Na een gesprek met werkgever te hebben gehad, vond diezelfde dag een gesprek met klaagster plaats. Dat gesprek duurde ongeveer een uur. Aansluitend volgde een driegesprek waarin beklaagde zijn voorlopige conclusies aan werkgever en klaagster liet weten. Meer specifiek gaf hij aan dat hij van oordeel was dat klaagster niet in staat was om de eigen arbeid te kunnen verrichten en evenmin in staat was tot het verrichten van passende arbeid in het eigen bedrijf. De werkzaamheden waren naar zijn overtuiging evenmin binnen het bedrijf passend te maken.

Later die dag heeft beklaagde klaagster – thuis – telefonisch benaderd. Hij gaf aan dat hij een belangrijke vraag nog niet had gesteld, te weten waar klaagster in de uitvoering van de werkzaamheden “tegenaan” liep. Klaagster heeft beklaagde dat aldus in dat telefoongesprek uiteen gezet.

Beklaagde heeft voorts nadien nog telefonisch contact opgenomen met de bedrijfsarts om de kritische functionele mogelijkhedenlijst door te nemen. De bedrijfsarts liet hem daarop, naar zeggen van beklaagde, weten dat de ingezette door klaagster verkozen medische behandeling niet adequaat was en dat zij het advies van de bedrijfsarts om de geadviseerde adequate behandeling in te zetten niet had opgevolgd.

Op 25 juli 2013 heeft beklaagde het concept arbeidsdeskundig rapport per mail toegezonden aan werkgever en klaagster met het verzoek om daarop te reageren. Klaagster heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De werkgever ook, waarna het definitieve arbeidsdeskundig rapport volgde van beklaagde op 1 augustus 2013.

Klaagster heeft op 4 augustus 2013 een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts naar aanleiding van de passage in het arbeidsdeskundig rapport van beklaagde over de behandeling. De arbodienst heeft op 22 augustus 2013 laten weten dat deze passage onjuist is. De arbodienst liet weten dat de bedrijfsarts met klaagster had besproken dat de huidige behandeling kennelijk niet adequaat was en dat zij zijn advies voor een multidisciplinaire behandeling zou overdenken en bespreken. Zo is dat ook in het medisch dossier gezet en aan de werkgever bericht.

Beklaagde heeft naar aanleiding van de klacht bij de arbodienst de bedoelde passage aangepast als volgt:

“Er is geen sprake van een medische eindsituatie. Op grond hiervan is te voorzien dat de belastbaarheid van werknemer structureel op de overschrijdende aspecten verbetert. Wanneer hiervan sprake is, ontstaat een nieuwe situatie. Zodra hiervoor mogelijkheden ontstaan, moet mede worden gestreefd naar terugkeer in de eigen functie bij de eigen werkgever (spoor 1) (…..).”

De klacht

De klachten van klaagster tegen beklaagde komen – kort gezegd – op het volgende neer:

(i)    beklaagde heeft klaagster niet objectief, deskundig, professioneel en met respect     behandeld;
(ii)    beklaagde had zijn vooroordeel al klaar aan de hand van de mondelinge informatie van de werkgever en trok direct zijn conclusie dat klaagster de eigen functies niet meer kon verrichten;
(iii)    beklaagde heeft klaagster geen relevante informatie verschaft;
(iv)    beklaagde heeft onvoldoende aandacht geschonken aan de op- en aanmerkingen die klaagster heeft gemaakt naar aanleiding van zijn concept rapport;
(v)    beklaagde heeft meningen van de werkgever overgenomen die niet met feiten zijn onderbouwd;
(vi)    de onjuiste arbeidsdeskundige beoordeling heeft klaagster ernstig geschaad, waardoor zij van haar werkzaamheden is ontheven en de re-integratie weinig kans van slagen heeft gehad;
(vii)    de onjuiste arbeidsdeskundige rapportage vormt voor het UWV de grondslag voor de WIA-beoordeling;
(viii)    klaagster is door beklaagde geschaad in haar herstel en heeft  haar onnodig veel stress en spanning bezorgd.

Het verweer

Beklaagde voert verweer dat in het hierna volgende wordt besproken.

De werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege

Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen betreffende de werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de klachten aan de Statuten, Reglementen en de Gedragsregels SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

De overwegingen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege

Gelet op de onderlinge verwevenheid tussen de klachtonderdelen (i), (iv) en (v), alsmede de klachtonderdelen (vi) en (viii), ziet het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege aanleiding om die klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege zal de overige klachtonderdelen separaat behandelen.

(i) Beklaagde heeft klaagster niet objectief, deskundig, professioneel en met respect behandeld; (iv) Beklaagde heeft onvoldoende aandacht geschonken aan de op- en aanmerkingen die klaagster heeft gemaakt naar aanleiding van zijn concept rapport; (v) Beklaagde heeft meningen van de werkgever overgenomen die niet met feiten zijn onderbouwd;

De arbeidsdeskundige neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht, aldus art. 1 Gedragscode SRA. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft deze algemene toetsnorm uitgewerkt bij beslissing van 11 maart 2008 door erop te wijzen dat van een arbeidsdeskundige mag worden verwacht dat de rapportage en het optreden zodanig zijn dat deze op zichzelf geen bron van conflicten wordt, doordat de rapportage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen of doordat er geen duidelijkheid bestaat over de rol van de arbeidsdeskundige ten opzichte van de onderzochte.

Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang dat hij volstrekt helder in zijn rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen op een in de rapportage beschreven wijze en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse hij per onderdeel tot welke conclusies komt. Het is voorts van het allergrootste belang dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert.

Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren.

Tussen partijen staat vast dat beklaagde zijn voorlopig oordeel omtrent de ongeschiktheid van klaagster voor het verrichten van het eigen werk en werkzaamheden in passende arbeid heeft gegeven, terwijl hij nadien nog een antwoord van klaagster wilde hebben op een voor hem belangrijke vraag, te weten waar klaagster in de uitvoering van haar werkzaamheden tegenaan liep. Deze werkwijze acht het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet zorgvuldig. Zulks geldt te meer ook, daar beklaagde ter zitting heeft aangegeven dat hij gewoon is om vooraf aan zijn arbeidsdeskundig onderzoek contact te hebben met de bedrijfsarts en vast staat dat dat overleg op dat moment nog niet had plaatsgevonden.

Beklaagde heeft in zijn rapport geen verslag gedaan van het telefoongesprek dat hij na het arbeidsdeskundig onderzoek op 23 juli 2013 met klaagster heeft gevoerd. Evenmin heeft hij verslag gedaan van het telefoongesprek dat hij nadien met de bedrijfsarts heeft gevoerd. Daardoor is niet vast te stellen wat er tijdens die gesprekken is gevraagd en geantwoord en heeft het aldus kunnen gebeuren dat er een onjuiste passage over de al dan niet gedane mededelingen door de bedrijfsarts in het rapport van beklaagde is opgenomen.

In art. 3 van de Gedragscode SRA is neergelegd aan welke eisen een arbeidsdeskundig rapport dient te voldoen. Meer specifiek is daarin – voor zover te dezen relevant – bepaald, dat in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteen is gezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt. De in de uiteenzetting genoemde gronden moeten op hun beurt aantoonbaar voldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen in het rapport. De bedoelde gronden dienen de daaruit getrokken conclusie te rechtvaardigen.

Uit het rapport blijkt niet dat klaagster in feite een combinatiefunctie vervulde. Door dat achterwege te laten is niet na te gaan of de conclusie van beklaagde juist is. De werkzaamheden die behoren bij de beide functies verschillen immers op essentiële onderdelen. Zo zonder nadere toelichting, die geheel ontbreekt, ziet het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet in waarom beklaagde achterwege heeft gelaten om die expliciete onderverdeling te maken. Naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kan het enkele feit dat de werkgever de functie als één geheel heeft betiteld niet afdoen.

Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege is voorts van oordeel dat het achterwege laten van een werkplekonderzoek in deze situatie onzorgvuldig is. Op de werkzaamheden die klaagster verrichtte voor de uitval waren twee functiebeschrijvingen van toepassing, te weten de medewerker telefonisch consult en de functiebeschrijving secretaresse senior. Op de door klaagster overgelegde urenregistraties is de functie omschreven als: “secr. Senior-med telefonisch consult”. Beklaagde heeft in zijn rapport de functie van klaagster ook als één geheel opgenomen.

Klaagster heeft naar aanleiding van het concept van het arbeidsdeskundig rapport van beklaagde aangegeven dat zij ongeveer 4 uur per week werkzaam was als secretaris van de ondernemingsraad. Die opmerking heeft klaagster geplaatst naar aanleiding van de mededeling van de werkgever dat zij één tot twee uur per week daaraan besteedde.

Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen dat beklaagde deze opmerking van klaagster heeft meegewogen. Zulks geldt te meer ook, daar beklaagde zelf een onderscheid heeft gemaakt tussen feiten en meningen en klaagster heeft aangegeven dat hij meningen in zijn rapport verwerkt, maar volstaat met vermelding van de (juiste) feiten. Desgevraagd ter zitting heeft beklaagde aangegeven dat hij van oordeel is dat het urenaantal een feit is. Niettemin heeft beklaagde dat aldus (en ten onrechte) niet verwerkt.

Een ander aspect dat het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in dit verband meeweegt, is het feit dat beklaagde op grond van zijn onderzoeken heeft geconcludeerd dat de werkbelasting niet passend is bij de beperkte benutbare mogelijkheden van klaagster en dat het werk niet passend is te maken. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kan deze conclusie niet rijmen met de expliciete mededeling van beklaagde dat geen sprake is van een medische eindsituatie en dat is te voorzien dat de belastbaarheid van klaagster structureel op de overschrijdende aspecten zal verbeteren. Naar de overtuiging van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege had dat aspect tot uitdrukking moeten worden gebracht in de conclusie. Beklaagde beaamt dat zelf overigens ook, door in het verweerschrift aan te geven dat hij ten onrechte is uitgegaan van ongewijzigde omstandigheden zonder dat expliciet te benoemen.

Gelet op al het voorgaande is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van oordeel dat deze  klachtonderdelen gegrond zijn.

(ii)  Beklaagde had zijn vooroordeel al klaar aan de hand van de mondelinge informatie van de werkgever en trok direct zijn conclusie dat klaagster de eigen functies niet meer kon verrichten.

Beklaagde ontkent het verwijt. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen welk van beide lezingen de juiste is, maar ziet evenmin aanleiding om meer geloof te  hechten aan de lezing van één van beide partijen. Dat betekent dat het bedoelde feit niet is komen vast te staan en het klachtonderdeel zal worden afgewezen. Dat ligt erin dat de gedraging waarop dit verwijt berust, aldus feitelijk niet is komen vast te staan en dus evenmin kan worden aangenomen dat de bedoelde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is (Vgl. AT SRA 29 november 2013).

(iii)  Beklaagde heeft klaagster geen relevante informatie verschaft.

Beklaagde ontkent het verwijt. Hij stelt dat hij klaagster heeft geïnformeerd over het doel van het onderzoek en de belangrijkste uitgangspunten van de wetgeving, waarbij hij verwijst naar zijn arbeidsdeskundige rapportage. Klaagster heeft betoogd dat er met haar niet is gesproken over de arbeidsrelatie, de maatgevende arbeid en de re-integratiemogelijkheden.

Mede in het licht van het feit dat klaagster aldus – op zichzelf – niet bestrijdt dat zij is geïnformeerd over het doel van het onderzoek en voorts vast staat dat beklaagde de kritische functionele mogelijkhedenlijst met klaagster heeft doorgenomen, kan het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet vaststellen welke van beide lezingen de juiste is. Evenmin ziet het aanleiding om meer geloof te hechten aan de lezing van één van beide partijen.

Dat betekent dat het bedoelde verwijt niet is komen vast te staan en het klachtonderdeel wordt afgewezen onder verwijzing naar hetgeen het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege hiervoor heeft overwogen naar aanleiding van het tweede klachtonderdeel.

(vi)    De onjuiste arbeidsdeskundige beoordeling heeft klaagster ernstig geschaad, waardoor zij van haar werkzaamheden is ontheven en de re-integratie weinig kans van slagen heeft gehad; en (viii)    klaagster is door beklaagde geschaad in haar herstel en heeft  haar onnodig veel stress en spanning bezorgd.

Beklaagde heeft deze klachtonderdelen gemotiveerd betwist. Het Arbeidsdeskundig  Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen dat de rapportage van beklaagde tot gevolg heeft gehad dat zij van haar eigen functies en haar werkzaamheden is gehaald. Evenmin heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kunnen vaststellen dat het arbeidsdeskundig rapport van beklaagde heeft geleid tot schade in herstel en toekomstperspectief, zoals klaagster betoogt. Klaagster heeft een en ander verder ook niet toegelicht. Gelet daarop is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van oordeel dat deze klachtonderdelen niet gegrond zijn.

(vii) De onjuiste arbeidsdeskundige rapportage vormt voor het UWV de grondslag voor de WIA-beoordeling.

Klaagster betoogt dat het UWV uitgaat van de onjuiste arbeidsdeskundige rapportage. Beklaagde heeft aangegeven dat het UWV zich in eerste instantie heeft gebaseerd op de oorspronkelijke FML en de mede naar aanleiding daarvan opgestelde arbeidsdeskundige rapportage. Later is dit aangepast, aldus beklaagde, die daarbij nog heeft aangegeven dat het UWV bij nieuwe feiten of omstandigheden een nieuwe rapportage zal hanteren bij de beoordeling van een WIA-aanvraag. Daarbij wijst beklaagde er nog op dat hij klaagster heeft aangeboden om een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren. Klaagster is daar verder niet op ingegaan.

Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege gaat ervan uit dat klaagster met de “onjuiste” arbeidsdeskundige rapportage doelt op de rapportage van 1 augustus 2013. En niet op die van 13 augustus 2013. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen welk van beide rapporten het UWV aan de WIA-aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Mitsdien heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet kunnen vaststellen welk van beide lezingen de juiste is maar ziet het evenmin aanleiding om meer geloof te hechten aan de lezing van één van beide partijen. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Daarbij wijst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op hetgeen hierboven is overwogen naar aanleiding van het tweede klachtonderdeel.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De schending van de binnen de beroepsgroep geldende Gedragscode SRA is ernstig en rechtvaardigt een forse maatregel. Mede ook nu beklaagde er geen blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van een en ander inziet, is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van oordeel dat niet kan worden volstaan met de lichtste maatregel, maar legt hij beklaagde ter zake een berisping op.

Beslissing

Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verklaart de klachtonderdelen 1, 4 en 5 gegrond en legt beklaagde ter zake de maatregel van berisping op; verklaart de klacht voor het overige ongegrond en wijst de klacht in zoverre af.

Deze uitspraak is gegeven op 18 juli 2014 door de heer E.J. Wervelman, voorzitter, mevrouw C. Boulonois en mevrouw B. Gerringa, leden.

Voor dezen:

E.J. Wervelman,
vorzitter