Uitspraak AT van 26 maart 2014
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van klager tegen de register-arbeidsdeskundige, verder te noemen: "beklaagde".
Procesverloop
Bij brief van 24 oktober 2013 heeft klager zich tot de SRA gewend met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register-arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft daarop bij brief van 19 november 2013 schriftelijk verweer gevoerd.
Bij brief van 9 december 2013 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA meegedeeld dat het resultaat van de bemiddeling in de zaak vruchteloos is.
Op 30 december 2013 heeft klager verzocht de klacht door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege te laten behandelen. In die brief heeft klager de reeds genoemde klachten in de brief van 24 oktober 2013 herhaald en heeft hij gereageerd op de brief van 19 november 2013 van verweerder.
Bij brief van 15 januari 2014 heeft beklaagde bericht dat hij aan zijn brief van 19 november 2014 niets had toe te voegen.
Klager heeft de SRA bij brief van 6 februari 2014 verzocht tot herstel van een verzuim ten aanzien van het sluiten van een overeenkomst met klager.
De mondelinge behandeling van de klachten door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege vond plaats op 27 februari 2014. Klager is niet ter zitting verschenen. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beklaagde en zijn gemachtigde hebben ter zitting hun standpunt toegelicht en vragen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege beantwoord.
Feiten
Klager heeft zich per 16 februari 2011 ziek gemeld bij zijn werkgever, alwaar hij in dienst was.
De werkgever vroeg op 13 september 2011 een deskundigenoordeel aan bij ‘X’. ‘X’ heeft bij brief van 21 september 2011 aan klager verklaard meer informatie nodig te hebben en klager uitgenodigd voor een gesprek. Klager is aldaar echter niet verschenen. ‘X’ verklaarde ten gevolge hiervan dat geen antwoord kon worden gegeven op de vraag van werkgever of klager wel of niet voldoende meewerkte aan re-integratie.
Klager heeft ‘X’ daarna zelf om een deskundigenoordeel verzocht op 21 december 2011. In reactie hierop heeft de directie van ‘X’ op 6 februari 2012 klager verzocht te laten weten of hij zou kunnen instemmen met het alsnog in behandeling nemen van zijn verzoek om een deskundigenoordeel, indien de procedure, in tegenstelling tot hetgeen klager had gevraagd, niet geheel schriftelijk zou plaatsvinden. Het informele en spoedeisende karakter van het deskundigenoordeel zou zich niet verdragen met een uitsluitend schriftelijke behandeling. Op deze vraag is geen reactie gekomen van klager.
Bij brief van 14 maart 2012 heeft de directe van ‘X’ laten weten ervan uit te gaan dat klager geen prijs stelt op een deskundigenoordeel, indien niet volledig aan de door klager gestelde voorwaarde wordt voldaan.
Klager heeft op 2 april 2012 wederom een deskundigenoordeel aangevraagd met de vraag of zijn werkgever voldoende deed aan zijn verplichting tot re-integratie.
Op 18 april 2012 heeft klager in dat verband een gesprek gehad met beklaagde. In dat gesprek heeft klager beklaagde meegedeeld geen inhoudelijk gesprek te willen voeren over de situatie.
Bij brief van 20 april 2012 liet ‘X’ klager weten geen deskundigenoordeel af te kunnen geven, omdat hij niet meewerkte aan hoor en wederhoor. ‘X’ beschouwde de aanvraag als ingetrokken.
De klacht
De klachten van klager tegen beklaagde komen – kort gezegd – op het volgende neer:
(i) beklaagde is niet onpartijdig geweest door geen deugdelijk gespreksverslag op te stellen. Bovendien holt beklaagde het klachtrecht van klager uit;
(ii) beklaagde vervalt in zijn rapportages teveel in algemene bewoordingen, met als gevolg een misleidend en onjuist beeld van de situatie. Klager geeft aan wel degelijk meegewerkt te hebben aan hoor en wederhoor, mede door gevolg te geven aan de oproep voor een gesprek en een volledig onderbouwde aanvraag in te dienen;
(iii) beklaagde heeft geen deugdelijk gespreksverslag gemaakt, ten gevolge waarvan beklaagde zich niet kan beroepen op enige inhoud van het gesprek van 18 april 2012. Kennelijk was het doel om niet een deugdelijk gesprekverslag op te stellen;
(iv) beklaagde had met het gesprek een hele andere bedoeling dan tot een oordeel te komen. Het wederhoor van de werkgever was gedaan. Er waren geen ontbrekende of onduidelijke gegevens voor een oordeel. Deze andere bedoeling is volgens klager zeer waarschijnlijk het gevolg van het eraan voorafgaande gesprek met de werkgever;
(v) beklaagde pleit zichzelf onterecht vrij door met een verwijtende vinger naar klager te wijzen;
(vi) de rapportage van beklaagde heeft geleid tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van klager. Dat was te vermijden geweest door een deskundigenoordeel door beklaagde of een deugdelijke schriftelijk of mondelinge rapportage.
Het verweer
Beklaagde voert verweer dat in het hiernavolgende zal worden besproken.
De werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege
Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen betreffende de werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de klachten aan de Statuten en Reglementen en de Gedragsregels SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
De overwegingen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege
Klager heeft in de brieven van 30 december 2013 en 6 februari 2014 kritiek geuit op de handelswijze van het Tuchtcollege. In art. 1 van het Tuchtreglement SRA is bepaald dat een klacht een blijk van onvrede is die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid. Deze feiten en achtergronden hebben aldus geen betrekking op een gedraging van een arbeidsdeskundige en kunnen dus geen deel uitmaken van de beoordeling door het Tuchtcollege. Zulks geldt temeer ook daar art. 11.1 van het Tuchtreglement – voor zover te dezen relevant – bepaalt dat het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege beslist over individuele klachten.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege gaat thans over tot de beoordeling van de klachten tegen de handelswijze van beklaagde. Vooropgesteld geldt dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen van arbeidsdeskundigen niet gaat om het geven van een antwoord op de vraag of dat handelen beter of anders had gekund of gemoeten, maar alleen of de arbeidsdeskundige met zijn handelen is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het gewraakte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege gaat in het hiernavolgende afzonderlijk in op de vijf klachtonderdelen.
(i) Beklaagde is niet onpartijdig geweest door geen deugdelijk gespreksverslag op te stellen. Bovendien holt beklaagde het klachtrecht van klager uit.
Beklaagde betoogt dat onpartijdigheid in een deskundigenoordeel los staat van de opvatting van de directie van ‘X’. Daarnaast wijst hij erop dat het opstellen van een gespreksverslag weinig zinvol is, als er inhoudelijk geen woord met elkaar gesproken is.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege oordeelt als volgt. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt voorop dat de Gedragsregels SRA weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de arbeidsdeskundige de cliënt persoonlijk spreekt, maar dat hij een groot risico neemt door dat niet te doen (Vgl. AT SRA 8 oktober 2012; AT SRA 29 juli 2005).
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onderschrijft dan ook het standpunt van beklaagde dat er – kort gezegd – op neer komt, dat hij zonder een gesprek met klager niet in staat is om zijn werkzaamheden als arbeidsdeskundige naar behoren te kunnen uitvoeren. Zulks geldt temeer ook, daar is gesteld, noch gebleken dat klager daartoe op medische gronden niet in staat is (Vgl. AT 5 maart 2010).
Het enkele feit dat beklaagde niet is ingegaan op de wens van klager tot het vervaardigen van een gespreksverslag acht het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in het licht van het voorgaande niet verwijtbaar. Mede ook nu beklaagde, door klager onbestreden, heeft aangevoerd dat klager wenste dat de gehele procedure van het deskundigenoordeel schriftelijk zou worden gevoerd. Dat wil zeggen zonder een gesprek met hem. Daarbij wijst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege er nog op, dat klager de gelijkluidende stellingname van ‘X’ daaromtrent genoegzaam bekend was, gelet op de brieven van ‘X’ van 6 februari 2012 en 14 maart 2012. Zelfs als juist is, zoals klager betoogt, dat andere medewerkers binnen ‘X’ een dergelijk verslag wel opstellen, dan nog kan naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet gezegd worden dat beklaagde tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt door dat niet te doen.
Klager heeft dit klachtonderdeel nog onderbouwd door te wijzen op een beslissing van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Zo zonder nadere toelichting, die geheel ontbreekt, ziet het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet in op welke grond klager meent dat die beslissing dit klachtonderdeel steunt. Dat sprake is van uitholling van het klachtrecht ziet het Arbeidsdeskundige Tuchtcollege niet in.
(ii) Beklaagde vervalt in zijn rapportages teveel in algemene bewoordingen, met als gevolg een misleidend en onjuist beeld van de situatie. Klager geeft aan wel degelijk meegewerkt te hebben aan hoor en wederhoor, mede door gevolg te geven aan de oproep voor een gesprek en een volledig onderbouwde aanvraag in te dienen.
Beklaagde heeft erop gewezen dat hij niet heeft gerapporteerd, maar alleen voor interne verantwoording heeft opgeschreven wat er op 18 april 2012 was gebeurd. Dat rapport mocht niet worden verzonden, aldus beklaagde.
Beklaagde geeft aan dat klager weliswaar op het afgesproken tijdstip bij beklaagde op kantoor is geweest, maar inhoudelijk niets heeft willen zeggen terwijl het doel nu juist was om in gesprek te komen. Dat was klager van tevoren ook bekend, aldus beklaagde.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege oordeelt als volgt. Naar wel vaststaat tussen partijen heeft beklaagde geen deskundigenoordeel opgesteld. Een door beklaagde opgesteld rapport is in deze tuchtklacht ook overigens bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet overgelegd, zodat evenmin is vast te stellen of juist is dat beklaagde vervalt in algemene bewoordingen met de daaraan door klager verbonden gevolgen.
Gelet op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt dat ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek in beginsel een gesprek met de cliënt plaatsvindt, is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege met beklaagde van oordeel dat niet kan worden gezegd dat klager heeft meegewerkt aan hoor en wederhoor. Klager wenste immers slechts een schriftelijke gedachtewisseling te voeren met beklaagde. Daarbij tekent het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege nog aan dat is gesteld, noch gebleken dat klager tot een inhoudelijk gesprek op (medische) gronden niet in staat is.
(iii) Beklaagde heeft geen deugdelijk gespreksverslag gemaakt, ten gevolge waarvan beklaagde zich niet kan beroepen op enige inhoud van het gesprek van 18 april 2012. Kennelijk was het doel om niet een deugdelijk gesprekverslag op te stellen.
Beklaagde heeft ter zitting tegen dit onderdeel aangevoerd dat hij zich niet op inhoud beroept, omdat er geen inhoudelijk gesprek met klager heeft plaatsgevonden.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kent de inhoud van het bedoelde rapport niet en kan dus niet vaststellen of dit klachtonderdeel terecht is voorgesteld. Evenmin heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege aldus kunnen vaststellen dat beklaagde het door klager betoogde doel heeft gehad.
(iv) Beklaagde had met het gesprek een hele andere bedoeling dan tot een oordeel te komen. Het wederhoor van de werkgever was gedaan. Er waren geen ontbrekende of onduidelijke gegevens voor een oordeel. Deze andere bedoeling is volgens klager zeer waarschijnlijk het gevolg van het eraan voorafgaande gesprek met de werkgever.
Beklaagde erkent de werkgever te hebben gehoord, maar ontkent dat hij een andere bedoeling had, door erop te wijzen dat hoor en wederhoor volkomen normaal en vereist is.
Het is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet duidelijk op welk “ander doel” klager doelt. Klager licht dat verder ook niet toe. Beklaagde had als arbeidsdeskundige de opdracht tot het vervaardigen van een deskundigenoordeel. Daarom had klager ‘X’ verzocht. Er bestaat voor het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege geen aanleiding om te veronderstellen dat beklaagde in dat verband andere bedoelingen had, dan om zijn werkzaamheden als arbeidsdeskundige naar behoren te kunnen uitvoeren.
(v) Beklaagde pleit zichzelf naar het oordeel van klager ten onrechte vrij door met een verwijtende vinger naar klager te wijzen.
Beklaagde ontkent het verwijt. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen welke van beide lezingen de juiste is, maar ziet evenmin aanleiding om meer geloof te hechten aan de lezing van een van beide partijen. Dat betekent dat het bedoelde verwijt niet is komen vast te staan en het klachtonderdeel wordt afgewezen. Dat ligt erin dat de gedraging waarop dit verwijt berust aldus feitelijk niet is komen vast te staan en dus evenmin kan worden aangenomen dat de bedoelde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is (Vgl. AT SRA 29 november 2013).
(vi) De rapportage van beklaagde heeft geleid tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van klager. Dat was te vermijden geweest door een deskundigenoordeel door beklaagde of een deugdelijke schriftelijk of mondelinge rapportage.
Beklaagde heeft het klachtonderdeel gemotiveerd betwist. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen dat de rapportage van beklaagde tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft geleid. Nog daargelaten dat het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de bedoelde rapportage niet kent en niet vaststaat wie dat rapport dan onder ogen heeft gehad, staat dat gevolg in deze tuchtklacht niet vast, zodat evenmin duidelijk is dat beklaagde of een rapport in dat geheel een rol gespeeld heeft.
Beslissing
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond en wijst deze als zodanig af.
Deze uitspraak is gegeven op 26 maart 2014 door de heer E.J. Wervelman, voorzitter en de heren J. Wijnekus en B. van Lieshout, leden.
Voor dezen:
E.J. Wervelman