Uitspraak AT van 30 juli 2020 (zaaknummer: 19/58 AT)
Uitspraak
AT van 30 juli 2020 (zaaknummer: 19-58/AT)
Trefwoorden
Dossiercommentaar? Eisen aan arbeidsdeskundig onderzoek. Verzamelen medische informatie niet aan arbeidsdeskundige. Hoor en wederhoor.
Artikelen Gedragscode SRA
Artikel 1 en 3
Samenvatting
Beklaagde heeft in het kader van een bezwaarprocedure bij het UWV gerapporteerd. De kern van de klacht is dat beklaagde voorafgaand aan het opstellen van haar rapportages geen contact met klager heeft opgenomen. Het Tuchtcollege toetst allereerst ambtshalve of de werkzaamheden van beklaagde hebben bestaan uit het opleveren van een zogeheten dossiercommentaar. Daarvan is naar het oordeel van het Tuchtcollege geen sprake. Beklaagde heeft aanvullend feitenonderzoek verricht en haar opdracht niet opgevat of uitgevoerd als een dossiercommentaar. Beklaagde had klager op de hoogte moeten stellen van haar bevindingen en de verkregen informatie bij hem moeten verifiëren. Het eerste klachtonderdeel is dan ook gegrond. Klager verwijt beklaagde voorts dat zij er niet op heeft toegezien dat zij betrouwbare medische informatie tot haar beschikking had en niet de moeite heeft genomen om reguliere artsen te consulteren. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond. De volledigheid van de verzamelde informatie ligt niet op het kennisgebied van een arbeidsdeskundige. Daarover heeft een arbeidsdeskundige ook geen zeggenschap of verantwoordelijkheid. Beklaagde behoefde geen hoor en wederhoor toe te passen ten aanzien van strikt medische informatie.
Uitspraak van 30 juli 2020 (klacht 19-58/AT)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: "het Tuchtcollege", op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: "beklaagde", gemachtigde: mr. drs. A.B. Schippers-Jürgens.
1. Procesverloop
1.1. Via het webformulier is op 23 augustus 2019 door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.
1.2. Beklaagde heeft bij haar brief d.d. 1 oktober 2019 op de klacht gereageerd. Deze reactie is voorzien van 9 bijlagen.
1.3. De Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA heeft op 7 november 2019 aan het secretariaat SRA laten weten, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is medegedeeld dat hij zijn klacht kan voorleggen aan het Tuchtcollege.
1.4. Klager heeft op 11 december 2019 aan het secretariaat SRA laten weten dat hij zijn klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen. Hij heeft op 14 januari 2020 zijn klacht aangevuld.
1.5. Op 28 januari 2020 heeft de gemachtigde van beklaagde een verweerschrift voorzien van 9 bijlagen ingediend.
1.6. Op 12 maart 2020 zou de mondelinge behandeling van de klacht plaatsvinden. Klager is verschenen, beklaagde heeft zich die dag in de ochtend met ziekteverschijnselen afgemeld voor de zitting. Haar gemachtigde heeft daarbij telefonisch een verzoek tot aanhouding ingediend. Gelet op het belang van een deugdelijk onderzoek met inbegrip van hoor en wederhoor heeft het Tuchtcollege het aanhoudingsverzoek van beklaagde gehonoreerd.
1.7. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege heeft vervolgens plaatsgevonden op 18 juni 2020. Ter zitting zijn klager en beklaagde verschenen. Klager en beklaagde hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.
1.8. Het Tuchtcollege heeft aan het einde van de zitting aan klager en beklaagde meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.
2. Feiten
2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.
2.2. Klager heeft zich op 1 oktober 2017 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als medewerker klantenservice. Klager is per 1 april 2018 door de bedrijfsarts hersteld geacht voor eigen werk.
2.3 Klager heeft hierop een deskundigenoordeel gevraagd bij UWV. In verband met een door klager aangevraagd deskundigenoordeel is klager op 21 juni 2018 gezien voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Daarnaast heeft op 25 en 26 juni 2018 een onderzoek plaatsgevonden door de UWV-arbeidsdeskundige [X] dat met name gericht was op de vraag van de verzekeringsarts over het aspect zitten in de functiebelasting van het eigen werk. De verzekeringsarts heeft zijn verzekeringsgeneeskundige rapportage op 27 juni 2018 op schrift gesteld. De verzekeringsarts concludeerde dat klager per geschildatum van 1 april 2018 niet geschikt is te achten voor het eigen werk.
2.4. Vervolgens heeft de werkgever de onafhankelijk arbeidsdeskundige [Y] opdracht gegeven om een arbeidsdeskundig functie-onderzoek uit te voeren. [Y] heeft zijn rapportage opgeleverd op 9 september 2018. Op basis hiervan achtte de werkgever klager alsnog per 1 april 2018 geschikt voor het eigen werk.
2.5. Het dienstverband van klager is op 6 april 2018 beëindigd. Er werd een claim gedaan op ziekengeld van UWV vanaf datum uitdiensttreding. Op 15 augustus 2018 heeft UWV aan klager laten weten dat de behandeling van zijn ziekmelding werd opgeschort.
2.6. Op 25 september 2018 volgde de beslissing van UWV waarin aan klager is medegedeeld dat hij op en na 16 november 2017 niet arbeidsongeschikt was wegens ziekte of gebrek voor zijn werk.
2.7. Op 27 september 2018 heeft klager een beslissing ontvangen van UWV waarin is aangegeven dat klager bij einde dienstverband niet in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering nu hij ingaande 1 april 2018 arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn werk.
2.8. Klager is tegen deze UWV-beslissingen in bezwaar gegaan. In het kader van de behandeling van het bezwaar van klager heeft beklaagde op 12 november 2018 een arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar opgesteld waarin zij aangeeft, nu de twee voorgaande arbeidsdeskundigen ieder een tegengestelde visie hebben ten aanzien van het aaneengesloten zitten in klagers functie, de visie van arbeidsdeskundige [Y] te onderschrijven.
2.9. Beklaagde heeft in haar verslag bij haar onderzoeksrapport aangegeven dat zij telefonisch overleg heeft gehad met de operations manager van de inlener en met UWV-arbeidsdeskundige [X]. Het arbeidsdeskundig rapport van beklaagde is door de afdeling bezwaar en beroep van UWV op 28 november 2018 aan klager toegezonden met de uitnodiging om erop te reageren.
2.10. Op 12 februari 2019 heeft in verband met de behandeling van klagers bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij klager is gehoord. Bij deze hoorzitting was ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig.
2.11. Naar aanleiding van het gestelde in het verslag van de hoorzitting, namelijk of de informatie verkregen tijdens de hoorzitting aanleiding geeft om af te wijken van het voorgaande standpunt, concludeert beklaagde in haar aanvullend rapport van 28 februari 2019 dat het aanvullend bezwaar van klager geen aanleiding geeft om haar conclusie te herzien. Ter onderbouwing van haar tweede rapport geeft beklaagde in haar verslag aan dat zij op 28 februari 2019 wederom telefonisch overleg heeft gehad met de operations manager van de inlener.
2.12. Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2019 heeft UWV de bezwaren van klager tegen de beslissingen van 15 augustus 2018 en 27 september 2018 ongegrond verklaard en zijn bezwaar tegen de beslissing van 25 september 2018 niet-ontvankelijk geacht.
2.13. Klager is tegen deze beslissing op bezwaar in beroep gegaan bij de Rechtbank Limburg. De rechtbank heeft op 17 september 2019 uitspraak gedaan, waarin het beroep van klager ongegrond is verklaard en de rechtbank heeft geoordeeld dat de onderzoeken van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig zijn geweest.
3. De klacht
3.1. Klager verwijt beklaagde, kort samengevat, het volgende.
a. Beklaagde heeft geen contact opgenomen met klager, zijnde haar cliënt, hetgeen aanleiding geeft voor een eenzijdig beeld van de werkelijkheid.
b. Beklaagde heeft er niet op toegezien dat zij betrouwbare medische gegevens tot haar beschikking had. Er is geen medisch dossier opgevraagd bij klagers behandelende artsen en de medische conclusies van de controlerende artsen alsmede die van het deskundigenoordeel zijn terzijde geschoven. Het dossier van UWV waarop beklaagde zich beroept was onvolledig en bevatte zelfs niet de startdiagnose van de bedrijfsarts.
c. Omdat beklaagde alle medische uitspraken naast zich neer heeft gelegd en zelfs niet de moeite neemt de reguliere artsen te consulteren, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat beklaagde zich een oordeel aanmatigt over een vakgebied dat ver buiten haar competenties ligt.
3.2. In zijn e-mail van 12 januari 2020 heeft klager zijn klacht nader toegelicht.
4. Het verweer
4.1. Beklaagde voert verweer. Daar wordt, voor zover nodig, in het hiernavolgende op ingegaan.
5. De werkwijze van het tuchtcollege
5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een "blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid".
5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
5.4. Ook geeft het Tuchtcollege geen oordeel over de inhoud van het werk van beklaagde en zijn inhoudelijke afweging. Klager heeft ter zake daarvan geen correctierecht. Ook de door klager gestelde gevolgen van/schade door de handelwijze van beklaagde laat het Tuchtcollege buiten beschouwing.
5.5. Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1 en 3 van de Gedragscode SRA van belang.
5.6. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. In artikel 3 Gedragscode SRA is vastgelegd aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen.
6. De overwegingen van het Tuchtcollege
6.1. Ter zake van de klachten overweegt en oordeelt het Tuchtcollege als volgt.
6.2. Het Tuchtcollege stelt voorop dat het van het allergrootste belang is, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de
onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig
onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan de accepteren. Het zal ook de
maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een
negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen.
Klachtonderdeel 1
6.3. De kern van de klacht is dat beklaagde voorafgaand aan het opstellen van haar rapportages geen contact heeft opgenomen met klager en hem dus ook niet over de kwestie heeft gesproken.
6.4. In haar verweerschrift en ter zitting heeft beklaagde erkend dat zij klager niet heeft gesproken. Als reden daarvoor heeft zij aangegeven dit niet noodzakelijk te achten aan de hand van de navolgende overwegingen.
6.5. Arbeidsdeskundige [Y] had reeds een werkplekonderzoek verricht waarbij hij op locatie is geweest en met de manager en de HR-adviseur van de inlener heeft gesproken. Beklaagde acht het onderzoek van arbeidsdeskundige [Y] gedegen, waarbij de mogelijkheden van de inlener om de werksituatie aan te passen voldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Zij heeft daarom niet overwogen om eveneens een werkplekonderzoek bij de inlener te verrichten, mede gelet op de omstandigheid dat de inlener de bevindingen van arbeidsdeskundige [Y] heeft bevestigd.
6.6. Volgens beklaagde is het evident dat de functie medewerker klantenservice een zittende functie betreft waarbij meer dan 1 uur aaneengesloten zitten aan de orde is. Er zijn echter mogelijkheden om te staan en de werkzaamheden bewegend staand uit te voeren. Daarnaast zijn er mogelijkheden tot werkaanpassing. Het was voor het onderzoek van beklaagde niet van belang of de inlener deze aan klager heeft aangeboden. Het onderzoek van beklaagde beperkte zich tot de functiebelasting van het werk voor wat betreft de noodzakelijke duur van het aaneengesloten zitten in de functie van medewerker klantenservice.
6.7. In haar rapportage van 12 november 2018 wordt antwoord gegeven op de vraag welke visie ten aanzien van aaneengesloten zitten juist is: die van de arbeidsdeskundige [Y] of UWV-arbeidsdeskundige [X]. De bevindingen van beide arbeidsdeskundigen zijn besproken met of gecontroleerd door de inlener en arbeidsdeskundige [X], aldus nog altijd beklaagde.
6.8. Ter zitting heeft beklaagde daarop nog aangevuld dat met de informatie die reeds was aangeleverd en haar positie als arbeidsdeskundige bezwaar en beroep contact met klager niet nodig was om tot een goede beoordeling te komen. Beklaagde kreeg haar opdracht bovendien van de medewerker bezwaar en beroep.
6.9. Het Tuchtcollege neemt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel allereerst tot uitgangspunt dat de Gedragscode SRA in beginsel van toepassing is op de werkzaamheden die door register-arbeidsdeskundigen in die hoedanigheid worden verricht. Dat uitgangspunt brengt mee dat ook de rapporten en het onderliggende onderzoek van beklaagde in haar functie van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep redelijkerwijs aan de in de Gedragscode daaraan te stellen eisen dient te voldoen.
6.10. In het voorliggende geval is beklaagde aldus te werk gegaan dat zij ter voorbereiding van haar rapportages telefonisch contact heeft opgenomen met de operations manager van de inlener en met de UWV-arbeidsdeskundige die eerder onderzoek had gedaan in het kader van een deskundigenoordeel.
6.11. Het Tuchtcollege acht het in het licht van artikel 1 Gedragscode van groot belang dat de arbeidsdeskundige onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt.
6.12. Het behoort dan ook tot de taak als arbeidsdeskundige om acht te slaan op stukken die hem of haar door beide partijen worden gezonden. Het innemen van een ander standpunt zou juist op partijdigheid kunnen duiden (CAT 13 augustus 2013). Het Tuchtcollege is van oordeel dat dit uitgangspunt niet anders wordt indien aan de arbeidsdeskundige mondeling informatie wordt verstrekt.
6.13. Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De register-arbeidsdeskundige dient op een heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bepalingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten te rapporteren. Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet.
6.14. Hoewel beklaagde in haar verweer niet heeft gesteld dat haar werkzaamheden hebben bestaan uit het opleveren van een zogeheten dossiercommentaar zal het Tuchtcollege evenwel ambtshalve toetsen of hiervan sprake is. Het dossiercommentaar is een eenzijdige opdracht, waarbij geen eigen onderzoek van de cliënt plaatsvindt. Bij het geven van een dossiercommentaar stelt de arbeidsdeskundige zijn visie op de hem door de opdrachtgever aangereikte stukken op schrift zonder eigen onderzoek van de cliënt te verrichten. Het dossiercommentaar moet voldoen aan de in dit artikel 3 Gedragscode geformuleerde vereisten van verslaglegging.
6.15. Indien van de arbeidsdeskundige een dossiercommentaar verlangd wordt dan kan dit in beginsel niet meer bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek. Een dossiercommentaar is een uitzondering op de hoofdregels van artikel 3 Gedragscode, omdat daarbij de introductieplicht vervalt en de bevindingen niet meer ten overstaan van de cliënt geverifieerd hoeven te worden. De strekking van een dossieronderzoek is, dat er geen nieuw feitenonderzoek plaatsvindt, maar dat integendeel uitgegaan wordt van de in het ter commentaar toegezonden dossier vastgestelde feiten.
6.16. Het Tuchtcollege betrekt hierbij dat niet alleen uit de tekst, aanhef en opmaak van het rapport volstrekt duidelijk dient te zijn, dat de rapportage slechts een dossiercommentaar betreft. Ook inhoudelijk mag een dossiercommentaar niet meer zijn dan dat. Dus geen nieuw feitenonderzoek, en geen (nieuwe) vaststelling van arbeidsongeschiktheid of schade, tenzij dit rechtstreeks voortvloeit uit de feiten, vastgelegd in het te commentariëren dossier of rapport én uit de tijdens het dossieronderzoek gevonden fouten en in het dossiercommentaar vastgelegde gebreken.
6.17. Gelet op de formulering van de inhoud van de beide rapportages stelt het Tuchtcollege vast dat beklaagde niet kenbaar heeft gemaakt een dossiercommentaar op te stellen. Daarbij komt dat zij in elk geval nieuw feitenonderzoek heeft uitgevoerd door telefonisch contact op te nemen met de operations manager van de inlener en met de betrokken UWV-arbeidsdeskundige.
Nu beklaagde in de uitvoering van haar opdracht aanvullend feitenonderzoek heeft verricht en haar opdracht niet heeft opgevat of uitgevoerd als een dossiercommentaar mocht beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege er niet aan voorbijgaan klager op de hoogte te stellen van haar bevindingen ter zake en de verkregen informatie bij hem te verifiëren.
6.18. Een en andermaal heeft het Tuchtcollege overwogen dat een arbeidsdeskundige rapportage verstrekkende gevolgen kan hebben tot in een verre toekomst en dat deze rapportage daarom zorgvuldig opgesteld, ter zake, en volledig moet zijn. Nu klager een diametraal ander standpunt heeft ingenomen dan blijkt uit in elk geval de rapportage van arbeidsdeskundige [Y], lag het eens te meer op de weg van beklaagde om de verkregen informatie voor wederhoor aan klager voor te leggen. Daarbij laat het Tuchtcollege de omstandigheid dat de bevindingen van beklaagde een bepalende rol kunnen spelen in een procedure op tegenspraak zwaar meewegen.
6.19. Tot slot heeft beklaagde gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij in de onmogelijkheid verkeerde om bij klager wederhoor toe te passen.
6.20. Klager heeft nog aangevoerd dat arbeidsdeskundige [Y] zijn rapport inmiddels heeft aangepast en klager zijn verontschuldigingen heeft aangeboden. Ook desgevraagd ter zitting heeft klager deze stelling niet van een onderbouwing kunnen voorzien. Wat daarvan zij, het Tuchtcollege beoordeelt de handelwijze van beklaagde als op zichzelf staand en zoals deze bij de klacht van klager is voorgelegd, zodat het Tuchtcollege hier verder aan voorbij zal gaan.
6.21. Voor de volledigheid: het Tuchtcollege toetst niet aan civielrechtelijke normen en geeft ook geen oordeel over de mogelijke (civielrechtelijke) consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de klager heeft. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde getoetst aan de binnen de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen ter zake daarvan geldende gedragsnormen.
6.22. Nu beklaagde ten onrechte achterwege heeft gelaten om in het kader van haar onderzoek contact op te nemen met klager acht het Tuchtcollege dit klachtonderdeel gegrond.
Klachtonderdeel 2
6.23. Klager is voorts van opvatting dat beklaagde er niet op heeft toegezien dat zij betrouwbare medische informatie tot haar beschikking had. Er is volgens klager geen medisch dossier opgevraagd bij zijn behandelende artsen en de medische conclusies van de controlerende artsen alsmede die van het deskundigenoordeel zijn terzijde geschoven.
6.24. Beklaagde heeft in haar verweerschrift aangegeven dat zij geen medische gegevens nodig had en dat het uitvoeren van de beoordeling op strikt medisch terrein niet aan beklaagde als arbeidsdeskundige maar aan de verzekeringsarts is. Het desbetreffende onderzoek heeft plaatsgevonden bij de verzekeringsarts in het kader van het aangevraagde deskundigenoordeel en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
6.25. Het Tuchtcollege volgt dit verweer van beklaagde. De volledigheid van de aldus verzamelde informatie kan beklaagde niet aangeven. Dit ligt immers niet op het kennisgebied van een arbeidsdeskundige en zij heeft daarover geen zeggenschap of verantwoordelijkheid.
6.26. Daarbij komt dat de opdracht van het arbeidsdeskundig onderzoek was gericht op een gerichte vraag over een specifiek aspect van de functiebelasting van het eigen werk van klager. Hiervoor is geen inzicht in de actuele belastbaarheid noodzakelijk. De opdracht van beklaagde was niet om een uitspraak te doen over de geschiktheid van klager voor dit werk. Dat is voorbehouden aan de (bezwaar-)verzekeringsarts.
6.27. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.
Klachtonderdeel 3
6.28. Klager verwijt beklaagde tot slot dat zij alle medische uitspraken naast zich neer heeft gelegd en zelfs niet de moeite heeft genomen de reguliere artsen te consulteren. Volgens klager leidt deze handelwijze tot de conclusie dat beklaagde zich een oordeel aanmatigt over een vakgebied dat ver buiten haar competentie ligt.
6.29. Beklaagde verzoekt om dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk te verklaren. Grond hiertoe is dat zij als arbeidsdeskundige geen kennis of verantwoordelijkheid heeft betreffende de strikt medische informatie. Daarbij komt volgens beklaagde dat zij volgens haar opvatting ten aanzien van het eerste klachtonderdeel correct en niet onrechtmatig heeft gehandeld door klager niet te zien.
6.30. Gelet op de aan beklaagde gegeven opdracht mocht volgens het Tuchtcollege van haar verwacht worden dat zij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de opdracht i.c. het beantwoorden van de vraag met betrekking tot het aspect van de functiebelasting.
6.31. Hoewel beklaagde zoals het Tuchtcollege bij het eerste klachtonderdeel heeft overwogen niet juist heeft gehandeld door bij klager geen wederhoor toe te passen ten aanzien van de nieuw verkregen informatie, is het Tuchtcollege zoals hiervoor is overwogen van oordeel dat dit niet geldt voor de strikt medische informatie. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
7. Slotsom
7.1. Nu het hiervoor genoemde klachtonderdeel 1 van de klacht gegrond is, komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.
8. Tuchtmaatregel
8.1. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.
8.2. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.
8.3. Van een register-arbeidsdeskundige wordt, zo blijkt uit de Gedragscode SRA en de daarop gebaseerde tuchtrechtspraak, een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde zich daarvan bij de totstandkoming van haar rapportages onvoldoende bewust is geweest.
8.4. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige betreft. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.
8.5. Alles afwegende is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.
Beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de door klager ingediende klacht gedeeltelijk gegrond en legt aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op.
Aldus beslist door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 30 juli 2020 door
mr. R. Sanders, voorzitter, en de heren J. van Heteren en B. van Lieshout, leden.