Uitspraak AT van 7 januari 2020 (zaaknummer 19/53 AT)

Uitspraak AT van 7 januari 2020 (zaaknummer 19/53 AT)

Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA 7 januari 2020 (19/53 AT)

Trefwoorden

Professionele distantie. Conceptrapportage. Hoor en wederhoor.

Samenvatting

Klaagster heeft van beklaagde na afloop van het arbeidsdeskundig onderzoek een boek over Auschwitz cadeau gekregen en beklaagde heeft klaagster in de avonduren opgebeld. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de beklaagde onvoldoende professionele distantie in acht heeft genomen. Conform de werkwijze van opdrachtgever van beklaagde heeft beklaagde geen conceptrapportage aan klaagster overgelegd, maar is de rapportage beschikbaar gesteld waarna klaagster en de werkgever van klaagster hebben kunnen reageren. Naar aanleiding daarvan heeft een gesprek plaatsgevonden en is de laatste versie van de rapportage geüpload. Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde het beginsel van hoor en wederhoor correct heeft toegepast.

Uitspraak

 

Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: “het Tuchtcollege”, op de klacht van klaagster tegen beklaagde.

 

1. Procesverloop

 

1.1. Op 13 juni 2019 is door klaagster door middel van het webformulier een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA. Bij de klacht zijn vijf bijlagen gevoegd en een geluidsopname.

 

1.2. Bij e-mailbericht van 15 juli 2019 heeft beklaagde op de klacht gereageerd.

 

1.3. Met de brief van 5 september 2019 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA laten weten, dat de behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en dat klaagster inmiddels telefonisch kenbaar had gemaakt dat zij de klacht onder de aandacht wil brengen van het Tuchtcollege.

 

1.4. Met e-mailbericht van 3 september 2019 heeft klaagster aan het secretariaat SRA laten weten dat zij haar klacht aan het Tuchtcollege wil voorleggen.

 

1.5. Met e-mailbericht van 22 oktober 2019 heeft beklaagde een verweerschrift ingediend.

 

1.6. De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege, bijgestaan door mr. M.J.P. Vink voor het maken van aantekeningen van hetgeen ter zitting werd behandeld, vond plaats op 28 november 2019. Ter zitting is klaagster verschenen, vergezeld door een vriendin. Beklaagde is ook ter zitting verschenen. Klaagster en beklaagde hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen van het Tuchtcollege beantwoord.

 

1.7. Het Tuchtcollege heeft aan het eind van de zitting aan klaagster en beklaagde medegedeeld dat het onderzoek is gesloten en uitspraak zal worden gedaan.

 

2. Feiten

 

2.1. Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, door het Tuchtcollege van de volgende feiten uitgegaan.

 

2.2. Klaagster is begin 2018 uitgevallen voor het werk als verpleegkundige. Op 18 januari 2019 heeft de bedrijfsarts een inzetbaarheidsprofiel opgesteld ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek.

 

2.3. De werkgever van klaagster heeft Bureau X verzocht een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten. Beklaagde was ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd zelfstandig register-arbeidsdeskundige. Bureau X heeft haar opdracht gegeven om het arbeidsdeskundig onderzoek naar aanleiding van langdurig verzuim door ziekte uit te voeren.

 

2.4. Beklaagde heeft op 8 april 2019 een gesprek gevoerd met achtereenvolgens de leidinggevende en de HRM-functionaris van de werkgever van klaagster en met klaagster zelf. Dezelfde dag volgde ook een afsluitend gezamenlijk gesprek.

 

2.5. Op 18 april 2019 heeft beklaagde aan klaagster de rapportage naar aanleiding van het arbeidsdeskundig onderzoek gestuurd.

 

2.6. Naar aanleiding van de rapportage van 18 april 2019 heeft uitvoerig mailcontact plaatsgevonden tussen beklaagde en klaagster. Op 1 mei 2019 heeft beklaagde rond 19.30 uur met klaagster gebeld, onder meer over de aanpassingen in het rapport.

 

2.7. Nadat klaagster via e-mail inhoudelijk op de rapportage had gereageerd heeft op 7 mei 2019 op het kantoor van beklaagde een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde. Tijdens dat gesprek heeft klaagster op aanraden van beklaagde na een half uur een opname gestart op haar telefoon. Aan het eind van het gesprek heeft beklaagde aan klaagster een boek aangeboden, getiteld “De keuze: leven in vrijheid”, dat door klaagster is aanvaard.

 

2.8. Op 15 mei 2019 heeft beklaagde klaagster opgebeld met de mededeling dat zij zou gaan stoppen met haar werk als arbeidsdeskundige. In haar e-mailbericht van dezelfde dag heeft klaagster aan beklaagde aangegeven dat zij over de gang van zaken rond het arbeidsdeskundig onderzoek niet tevreden is, dat beklaagdes persoonlijke opmerking in het telefoongesprek bij klaagster verkeerd is gevallen en dat zij overweegt een klacht in te dienen. Klaagster heeft het indienen van de klacht aan beklaagde bevestigd in haar e-mail van 9 juni 2019.

 

2.9 Naar aanleiding van de ingediende klacht heeft beklaagde in haar e-mail van 19 juni 2019 aan de werkgever van klaagster laten weten dat zij per direct niet meer beschikbaar is voor eventueel aanvullend advies betreffende de re-integratie van klaagster.

 

2.10. Op 26 juli 2019 hebben klaagster en beklaagde een gesprek gehad met de Arbeidsdeskundig Ombudsman. Beklaagde heeft daarbij aangegeven dat zij zich zal laten uitschrijven als register-arbeidsdeskundige. Op 29 juli 2019 heeft SRA aan beklaagde bevestigd dat op haar verzoek de registratie als arbeidsdeskundige per 1 januari 2020 zou worden beëindigd.

 

2.11. Bij haar e-mail van 26 augustus 2019 heeft beklaagde aan het secretariaat van SRA aangegeven dat zij haar eerder ingediende verzoek om haar registratie als register-arbeidsdeskundige te beëindigen weer intrekt. Klaagster heeft daarop te kennen gegeven dat zij haar klacht wil voorleggen aan het Tuchtcollege.

 

3. Klachten

 

3.1. Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat er sinds het gesprek met beklaagde van alles mis is gegaan rond haar re-integratieproces doordat (i) de benadering van beklaagde niet ethisch en integer is, (ii) klaagster sterke twijfels heeft over de professionaliteit van het handelen van beklaagde, (iii) er twee maanden na het gesprek op 8 april 2019 nog steeds geen definitieve rapportage is, (iv) er op de laatste aanpassingen die klaagster op het eerste rapport heeft ingevoerd nog geen reactie is gekomen.

 

4. Het verweer

 

4.1. Beklaagde voert gemotiveerd verweer. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5. De werkwijze van het Tuchtcollege

 

5.1. Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het tuchtcollege een klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragsregels van de SRA (Gedragscode SRA) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.

 

5.2. Volgens artikel 1 van het Tuchtreglement SRA is een klacht een “blijk van onvrede die betrekking heeft op een gedraging van een arbeidsdeskundige in die hoedanigheid”.

 

5.3. Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.

 

5.4. Voor de duidelijkheid: het Tuchtcollege toetst dus niet aan civielrechtelijke normen en geeft ook geen oordeel over de mogelijke (civielrechtelijke) consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor de klager heeft. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van beklaagde getoetst aan de binnen de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen ter zake daarvan geldende gedragsnormen.

 

5.5. Het Tuchtcollege geeft geen oordeel over de inhoud van het werk van beklaagde en haar inhoudelijke afweging. Klaagster heeft ter zake daarvan geen correctierecht. Ook de door klaagster gestelde gevolgen of schade door de handelwijze van beklaagde laat het Tuchtcollege buiten beschouwing.

 

5.6. Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name artikel 1 van de Gedragscode SRA van belang. Artikel 1 Gedragscode SRA bepaalt, dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt.

 

6. De overwegingen van het Tuchtcollege

 

6.1. Op grond van de genoemde feiten en hetgeen klaagster en beklaagde hebben aangevoerd overweegt het Tuchtcollege ter zake van de inhoud van de klacht als volgt.

 

6.2. Het Tuchtcollege stelt voorop dat het van het allergrootste belang is, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan te accepteren. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen.

 

Klachtonderdeel 1

 

6.3. Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel dat beklaagde niet ethisch en integer heeft gehandeld stelt het Tuchtcollege vast dat klaagster onvoldoende ter onderbouwing heeft aangevoerd van het oordeel dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de eisen die aan haar mogen worden gesteld op het gebied van ethiek en integriteit.

 

6.4. Ook is het Tuchtcollege anderszins niet gebleken dat beklaagde niet ethisch of niet integer heeft gehandeld. De klacht mist dus feitelijke grond.

 

6.5. Dit onderdeel van de klacht is volgens het Tuchtcollege dan ook ongegrond.

 

Klachtonderdeel 2

 

6.6. Klaagster heeft in verband met dit klachtonderdeel aangegeven dat zij het telefoongesprek van beklaagde op 1 mei 2019 in de avonduren als ongepast en onaangenaam heeft ervaren. De toon van beklaagde was volgens klaagster gehaast en het tijdstip van het telefoongesprek overviel haar.

 

6.7. Beklaagde heeft als verweer aangevoerd dat zij door een privésituatie geen andere mogelijkheid zag dan ook ’s avonds te bellen. Beklaagde herinnert zich niet dat zij onvriendelijk was, maar dat zij wel moe was en dat zij het gesprek kort wilde houden.

 

6.8. Het Tuchtcollege overweegt dat het betrachten van respect jegens de cliënt in de tegemoettreding onderdeel is van de vereiste professionaliteit. Het contact zoeken met een cliënt buiten de reguliere kantooruren is niet gebruikelijk en niet wenselijk. Beklaagde heeft onvoldoende duidelijk kunnen maken dat het voor haar absoluut onmogelijk was om overdag te bellen met klaagster. Wel neemt het Tuchtcollege in aanmerking dat niet is gebleken dat klaagster aan beklaagde heeft aangegeven dat het telefoongesprek niet schikte.

 

6.9. Klaagster heeft zich er voorts over verbaasd dat beklaagde haar tijdens het gesprek op 7 mei 2019 – eveneens onaangekondigd – een boek heeft overhandigd dat ook nog eens een zeer ernstig en beladen onderwerp aansnijdt. Het boek handelt over oorlogsherinneringen van de auteur uit Auschwitz.

 

6.10. Beklaagde heeft hier aangevoerd dat zij klaagster eerst heeft gevraagd of zij het boek mocht geven. Beklaagde had het boek recent gelezen en geeft aan dat het haar had verrijkt. Het was volgens haar een oprecht geschenk aan klaagster.

 

6.11. Dat mag zo zijn, het Tuchtcollege is van oordeel dat het een arbeidsdeskundige niet past om naar eigen inzicht en onaangekondigd – beklaagde erkent dat het een ingeving betrof – aan een cliënt een boek aan te bieden, in het bijzonder wanneer dat boek een lading heeft als in het onderhavige geval en waarbij klaagster heeft aangegeven nog altijd niet te weten waarom beklaagde haar dit boek gaf. Dat klaagster het boek heeft aanvaard doet aan de professionele zorgvuldigheid aan de kant van beklaagde niet af.

 

6.12. Tot slot heeft beklaagde in het telefoongesprek van 15 mei 2019 aan klaagster medegedeeld dat zij naar aanleiding van de gesprekken met klaagster haar werkzaamheden als arbeidsdeskundige wilde neerleggen en dat zij klaagster daarvoor wilde bedanken, met het verzoek aan klaagster om over deze mededelingen te zwijgen tegen Bureau X en klaagsters werkgever.

 

6.13. Het Tuchtcollege is van oordeel dat deze aangevoerde feiten in onderlinge samenhang bezien leiden tot het beeld van een arbeidsdeskundige die onvoldoende de professionele distantie in acht heeft genomen die evenwel van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige mag worden verlangd. Gelet op het bepaalde in de Gedragscode SRA bewaakt de arbeidsdeskundige de balans tussen humanitaire betrokkenheid en professionele distantie ten opzichte van een cliënte, opdat een redelijke en billijke afweging kan worden gemaakt.

 

6.14. Beklaagde heeft hierbij nog aangevoerd dat zij haar tekortschieten op dit punt erkent, maar dat dit volgens haar niet heeft geleid tot een onbillijke afweging in haar onderzoek naar de (on)geschiktheid van het eigen en ander werk. Het Tuchtcollege stelt evenwel vast dat het hier getoonde gebrek in de professionele distantie geen betrekking heeft gehad op de totstandkoming van de rapportage, maar juist op de onderlinge persoonlijke verhouding tussen klaagster en beklaagde. Het is daarin dat beklaagde is tekortgeschoten.

 

6.15. Gelet hierop acht het Tuchtcollege de klacht op dit onderdeel gegrond.

 

Klachtonderdeel 3

 

6.16. Klaagster heeft beklaagde voorts het verwijt gemaakt dat er twee maanden na het gesprek op 8 april 2019 nog geen definitieve rapportage is.

 

6.17. Het Tuchtcollege stelt vast dat klaagster en beklaagde in elk geval op 7 mei 2019 nog met elkaar in gesprek waren over de inhoud van de rapportage. Ruim een week later, op 15 mei 2019, heeft beklaagde klaagster deelgenoot gemaakt van haar voornemen om als arbeidsdeskundige te stoppen. Dezelfde dag geeft klaagster aan beklaagde te kennen dat zij overweegt een klacht in te dienen. Na bevestiging van dat voornemen op 9 juni 2019 en de uitvoering ervan op 13 juni 2019 heeft beklaagde geen andere mogelijkheid gezien dan haar werkzaamheden in het dossier van klaagster neer te leggen en zich aan de verdere uitvoering van de opdracht te onttrekken.

 

6.18. Beklaagde heeft – zeker vanaf het gesprek op 7 mei 2019 – voor een groot deel zelf de hand gehad in de verslechtering van de relatie tussen haar en klaagster, die tot het indienen van de klacht door klaagster en het neerleggen van de werkzaamheden door beklaagde heeft geleid. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het Tuchtcollege echter nog niet de conclusie dat het uitsluitend aan beklaagde is te wijten dat er na twee maanden nog geen definitieve rapportage is.

 

6.19. Beklaagde heeft ervoor gekozen klaagster een redelijke tijd en gelegenheid te geven om zich over de rapportage uit te laten. Klaagster heeft ook van die gelegenheid gebruik gemaakt. Aan het tijdsverloop is in dit geval ook op zichzelf bezien niets klachtwaardigs.

 

6.20. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond.

 

Klachtonderdeel 4

 

6.21. Als laatste verwijt heeft klaagster aangevoerd dat zij geen concept heeft ontvangen terwijl zij nog wilde reageren op de inhoud van het rapport.

 

6.22. Beklaagde heeft de bij Bureau X gehanteerde werkwijze beschreven. Via het systeem van Bureau X kunnen werkgever en cliënt de rapportage met behulp van een inlogcode inzien. Het is de voorgeschreven werkwijze van Bureau X om geen conceptrapportages te versturen. Tijdens het gesprek met de werkgever en met de werknemer geeft beklaagde in de regel aan dat indien zaken niet kloppen beiden kunnen reageren en dat beklaagde de tekst dan aanpast. Beklaagde heeft onweersproken gesteld dat zij dit ook aan klaagster heeft aangegeven. Eveneens onweersproken geeft beklaagde aan dat zij niet heeft gesuggereerd aan klaagster dat er eerst een conceptrapportage zou volgen.

 

6.23. Het Tuchtcollege houdt het ervoor dat beklaagde er geen misverstand over heeft laten bestaan dat er op grond van de door Bureau X gevolgde werkwijze geen conceptrapportage vooraf zou gaan.

 

6.24. Beklaagde heeft voorts aangevoerd dat zij op 18 april 2019 de oorspronkelijke rapportage in het systeem heeft geüpload. Deze rapportage is op 23 april 2019 automatisch beschikbaar gesteld aan de werkgever en aan klaagster. Klaagster heeft op deze rapportage gereageerd en op basis daarvan zijn beklaagde en klaagster op 7 mei 2019 met elkaar in gesprek gegaan. Na verder overleg heeft beklaagde op 21 mei 2019 de laatste versie van de rapportage geüpload.

 

6.25. Klaagster heeft dan ook naar het oordeel van het Tuchtcollege een redelijke tijd en gelegenheid gehad om het op de rapportage(s) van beklaagde te reageren en daarbij eventuele fouten aan te geven. Het beginsel van hoor en wederhoor is door beklaagde op een juiste wijze toegepast. Het Tuchtcollege wijst er daarbij op, dat beklaagde haar advies nimmer heeft afgerond, maar de opdracht na de indiening van de klacht door klaagster heeft beëindigd en vervolgens geen rapportage (meer) heeft uitgebracht.

 

6.26. Ook dit onderdeel van de klacht acht het Tuchtcollege daarom ongegrond.

 

7. Slotsom

 

7.1. Gelet op het vorenstaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klacht deels gegrond is.

 

7.2. Vervolgens is de vraag aan de orde tot welke van de maatregelen genoemd in artikel 22 van het Tuchtreglement de gegrond verklaarde klacht moet leiden.

 

7.3. Het Tuchtcollege is van mening dat de door beklaagde gevolgde handelwijze tekortkomingen bevat die niet zonder consequenties kunnen blijven.

 

7.4. Tegelijkertijd laat het Tuchtcollege meewegen dat onderhavige klacht de eerste klacht over beklaagde als (register-)arbeidsdeskundige is. Niet eerder werd aan beklaagde een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Bovendien stelt het Tuchtcollege vast dat beklaagde, zowel in haar schriftelijke verweer als ter zitting, bij de behandeling van de klacht de bereidheid toonde tot (kritische) reflectie op haar handelwijze en daar lessen uit te trekken. Dat is, zo merkt het Tuchtcollege nog maar weer eens op, ook een belangrijk doel van het tuchtrecht.

 

7.5. Op grond van deze overwegingen is het Tuchtcollege van oordeel dat aan beklaagde een waarschuwing volgens artikel 22.1 aanhef en onder b van het Tuchtreglement SRA dient te worden opgelegd.

 

Beslissing

 

Het Tuchtcollege verklaart de door klaagster ingediende klacht deels gegrond en legt beklaagde een waarschuwing op.

 

Aldus gegeven op 7 januari 2020 door:

 

mr.dr. R. Sanders, voorzitter

 

C. Boulonois, lid

 

J.L.S. Lussing-van der Pol, lid

 

Noot

 

De arbeidsdeskundige beoordeling die inzet vormde van deze klacht begint zoals vele anderen; de arbeidsdeskundige voert een gesprek met werkgever en werkneemster naar aanleiding waarvan zij een rapportage opstelt. De arbeidsdeskundige zendt haar rapport vervolgens aan werkneemster toe, waarna uitvoerig mailcontact plaatsvindt. Dan gebeurt er iets geks. De arbeidsdeskundige neemt rond 19.30 uur telefonisch contact op met de werkneemster om de aanpassingen in het rapport te bespreken. Een week later vindt op het kantoor van de arbeidsdeskundige een gesprek plaats tussen haar en werkneemster. Kennelijk heeft de arbeidsdeskundige in dat gesprek aangeraden om een opname te maken op de telefoon van werkneemster. Aan het einde van het gesprek heeft de arbeidsdeskundige haar een boek aangeboden over Auschwitz. Een week later nam de arbeidsdeskundige opnieuw telefonisch contact op met de werkneemster en liet weten dat zij zou gaan stoppen als arbeidsdeskundige. Uiteindelijk heeft de arbeidsdeskundige geen definitief rapport opgesteld.

 

Werkneemster klaagt erover dat de arbeidsdeskundige onprofessioneel heeft gehandeld. Het Tuchtcollege deelt die visie door te overwegen dat de arbeidsdeskundige haar professionele distantie in onvoldoende acht heeft genomen. Dat mag van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verlangd worden. Onder expliciete verwijzing naar de Gedragscode SRA overweegt het Tuchtcollege dat de arbeidsdeskundige de balans tussen humanitaire betrokkenheid en professionele distantie dient te bewaken, opdat een redelijke en billijke afweging kan worden gemaakt. Ik onderschrijf de geconstateerde disbalans in dit geval ten volle. Het overhandigen van een boek met een zo beladen onderwerp heeft niets te maken met de opdracht die de arbeidsdeskundige heeft uitgevoerd. Terecht heeft het Tuchtcollege bij haar overweging één van de essentiële deugden betrokken. De Gedragscode SRA beschrijft deze deugd als “karakterverantwoordelijkheid”. In de zin dat de arbeidsdeskundige een eigen verantwoordelijkheid heeft in het ontwikkelen van zelfkennis, zorgvuldigheid en billijkheid met tegemoet treden van de cliënt en in het maken van professionele afwegingen. Begrijpelijk is dat het Tuchtcollege daarbij tevens heeft betrokken dat het niet aangaat om buiten de reguliere kantooruren contact te zoeken met een cliënt. Zie voor een ander voorbeeld waarin de noodzakelijke distantie ontbrak de beslissing van het Tuchtcollege van 19 maart 2018.

Werkneemster klaagde voorts over het feit dat zij geen concept-rapportage had ontvangen, terwijl zij nog wilde reageren op de inhoud van het rapport. Het Tuchtcollege heeft dit klachtonderdeel naar mijn mening terecht afgewezen door te overwegen dat de arbeidsdeskundige geen concept-rapport heeft toegezegd. Bovendien heeft klaagster voldoende gelegenheid gehad om te reageren op het rapport. Ik stip dit aspect aan, omdat SRA met regelmaat vragen van arbeidsdeskundigen krijgt over hoe zij moeten omgaan met concept-rapporten. SRA heeft in de nieuwsbrief van december 2019 er terecht op aangedrongen dat Register Arbeidsdeskundigen hun bevindingen neerleggen in een zogenaamd “concept-rapport”. Zoals ook blijkt uit de Gedragscode SRA en de Arbeidsdeskundige Tuchtspraak bestaat daartoe weliswaar geen (harde) verplichting, maar het verdient wel de voorkeur. Met name ook om te voorkomen dat in de fase van de totstandkoming van het rapport onnodig feitelijke onjuistheden sluipen. Daarnaast getuigt het volgens SRA van respect jegens partijen dat zij kunnen reageren op het concept. De nieuwsbrief POLL vraagt of u wilt aangeven wat uw mening is. Vul deze dan ook zo snel mogelijk in!

 

 

Mr.dr. E.J. Wervelman, advocaat bij VWW Advocaten-Mediation te Utrecht