Uitspraak CAT 13 augustus 2013
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van "klager," tegen registerarbeidsdeskundige, verder te noemen "beklaagde", bijgestaan door mr. dr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer.
1. Procesverloop
1.1 Bij brief van 22 april 2013 heeft klager tijdig beroep ingesteld bij het College van Beroep, thans geheten het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, hierna te noemen: het College, tegen de uitspraak van de Raad van Toezicht, hierna te noemen "de Raad", van 25 maart 2013, gegeven tussen klager en beklaagde. Voor het procesverloop bij de Raad verwijst het College naar hetgeen in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop’.
1.2 Aan beklaagde is een termijn gegeven om een verweerschrift in te dienen. De advocaat van beklaagde heeft van die gelegenheid – na verleend uitstel – gebruik gemaakt bij brief van 18 juni 2013.
1.3 Klager heeft bij brief van 3 juli 2013 nog een schriftelijke reactie op het verweerschrift gezonden.
1.4 De mondelinge behandeling van het College vond plaats op 19 juli 2013 te Amersfoort. Daarbij zijn klager en beklaagde, bijgestaan door zijn advocaat, verschenen.
2. De feiten
2.1 Voor de door de Raad vastgestelde feiten verwijst het College naar hetgeen daaromtrent is vermeld in de bestreden uitspraak, luidend als volgt:
"Op 11 september 2008 heeft klager een auto-ongeluk gehad. In het kader van de afwikkeling van de daaruit voortvloeiende schade is aan beklaagde bij brief van 30 augustus 2011 door de advocaat van klager, mede namens de aansprakelijkheidsverzekeraar, opdracht verstrekt tot het doen van arbeidsdeskundig onderzoek.
In verband met deze onderzoeksopdracht had beklaagde gesprekken met klager op 22 september 2011, 4 oktober 2011 en 7 november 2011. Bij brief d.d. 14 november 2011 is beklaagde door de advocaat van de aansprakelijkheidsverzekeraar documentatie toegezonden over de onderneming van klager.
Na een e-mailbericht van 21 november 2011 van klager aan beklaagde, waarin klager de onafhankelijkheid van beklaagde ter discussie stelde, heeft beklaagde een periode van “time-out” genomen en zich bezonnen op de vraag of al dan niet verdere uitvoering aan de opdracht moest worden gegeven. Na het besluit van beklaagde om met de opdracht verder te gaan, is door beklaagde een conceptrapportage opgesteld en op 30 januari 2011 aan klager toegezonden met het verzoek daarop te reageren.
De reactie van klager op het conceptrapport van 3 februari 2011, waarin beklaagde door klager onder andere persoonlijk aansprakelijk werd gesteld, vormde voor beklaagde aanleiding om zijn opdracht terug te geven. Dit is door beklaagde bevestigd in brieven van 6 februari 2012 aan klager en de advocaat van klager.
Op 15 februari 2011 is door de advocaat van klager en de advocaat van de aansprakelijkheidsverzekeraar aan beklaagde verzocht om toezending van de conceptrapportage. Aan dat verzoek heeft beklaagde voldaan."
Aansluitend diende klager een klacht in tegen beklaagde bij de SRA.
2.2 De Raad heeft de klacht ongegrond verklaard.
3. De klacht
3.1 Het College stelt vast, dat het beroep uitsluitend gericht kan zijn tegen de niet gegrond bevonden klachtonderdelen, zoals hiervoor omschreven.
3.2 Klager stelt in zijn beroepschrift (17 pagina’s) en nader bij de na het verweerschrift ingekomen brief en zoals ter zitting nog nader toegelicht – kort samengevat -, dat beklaagde zich heeft laten beïnvloeden door mevrouw mr. Spruit bij zijn werkzaamheden en dat hij te veel belang heeft gehecht aan de door haar aan beklaagde gezonden stukken. Hij heeft zich te veel laten leiden door wat de verzekeringsmaatschappij wilde. Voorts beklaagt hij zich erover, dat beklaagde te lang in beraad heeft gehouden of hij zijn werkzaamheden zou voortzetten, waardoor voor klager schade is ontstaan. De gezonden conceptrapportage verdient deze kwalificatie niet, omdat daarvan geen sprake was.
3.3 Klager heeft geconcludeerd, dat de klacht nu wel voldoende is toegelicht en terecht is ingediend.
4. Standpunt beklaagde
4.1 Beklaagde heeft aangevoerd, dat hij bij de aanvang van zijn werkzaamheden gesprekken heeft gevoerd en materiaal is gaan verzamelen. In een eerste gesprek met klager heeft hij toegelicht wat zijn plan was, dat hij een belastbaarheidpatroon nodig zou hebben en dat hij mogelijk van een derde gebruik zou moeten maken omdat de situatie vóór het ongeval die met ná het ongeval moest worden vergeleken en het bewuste kalenderjaar dientengevolge moest worden gesplitst.
Hij heeft inderdaad stukken ontvangen van de advocate van de verzekeringsmaatschappij, maar deze heeft hij bij de inventarisatie meegenomen. Hij stelt nimmer naar de verzekeraar toe bevooroordeeld te zijn geweest of door deze te zijn beïnvloed.
4.2 Na ontvangst van de mail van beklaagde van 21 november 2011 heeft beklaagde zich erover beraden of hij zijn opdracht zou voortzetten of teruggeven. Uiteindelijk heeft hij zijn werkzaamheden hervat en een eerste inventarisatie van de gevonden gegevens om commentaar naar klager gezonden.
5. De beoordeling
5.1 De voorzitter van het College heeft aan partijen bij aanvang van de zitting meegedeeld, dat de klacht uitsluitend zal worden behandeld met als toetsingskader de gedragscode SRA, zodat hetgeen klager overigens aan de orde heeft gesteld geen behandeling behoeft. Het gaat daarbij om
– de procesgang bij de Raad,
– de vermeende schending van de Gedragscode Behandeling Letselschade,
– de vermeende door beklaagde jegens klager gepleegde onrechtmatige daad en
– de civiele aansprakelijkstelling van beklaagde door klager.
Bovendien heeft de voorzitter van het College bij de aanvang vastgesteld, dat geen sprake is van overtreding van de Statuten of het Huishoudelijk Reglement, zodat ook dat geen onderwerp van de behandeling zal zijn. Gelet op de na het verweerschrift ingekomen schriftelijke reactie van klager heeft de voorzitter eerst het woord gegeven aan de advocaat van beklaagde. Met instemming van partijen is van de behandeling een digitale opname gemaakt, voor gebruik door het College. Tenslotte heeft de voorzitter te kennen gegeven, dat de behandeling uitsluitend en integraal heden zal plaatsvinden en worden afgerond en dat op na de behandeling nog ingekomen stukken geen acht zal worden geslagen.
5.2 Het College houdt het erop, dat het in dit geval gaat om de algemene toetsnorm, dat een arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt.
5.3 Ter zitting heeft het College de gang van zaken rond de opdracht, de door beklaagde verrichtte werkzaamheden doorgenomen en het door partijen gewisselde e-mailverkeer. Daarbij is een belangrijke plaats ingenomen voor de bespreking van de contacten die beklaagde heeft gehad met klager en ook met derden. Voorts is aan de orde gekomen of sprake was van een conceptrapportage.
5.4 Ter zitting heeft beklaagde toegelicht het belang van een belastbaarheidpatroon voor de verdere verslaglegging. Klager heeft aangegeven niet te weten wat daarmee bedoeld wordt. Dit laatste komt het College niet geloofwaardig over.
Immers niet alleen is vóór beklaagde de heer K. als arbeidsdeskundige actief geweest als beklaagdes voorganger en ook heeft beklaagde ter zitting uitvoerig uitgelegd wat de bedoeling was van het eerste gesprek en dat daarbij zeer uitdrukkelijk van zijn kant is gesproken over het belastbaarheidpatroon.
5.5 Als breekpunt in het contact tussen partijen ziet het College de e-mail van klager van 21 november 2011, die luidde:
"Geachte heer, Hoe dien ik uw vermeende onafhankelijkheid te duiden nu uw communicatie in mijn richting lijkt te zijn verstomd na kennelijke directieven van de advocate van de verzekeringsmaatschappij?"
De inhoud van deze mail was voor beklaagde aanleiding om zich te beraden op zijn positie. Weliswaar heeft hij nog gemaild dat klager ‘de verkeerde knop’ had ingedrukt, hij zijn opmerking serieus nam, en ‘volgende week’ met de zaak verder zou gaan.
5.6 Het College kan billijken dat klager zich bij nader inzien na ontvangst van deze mail heeft beraden op zijn positie en opdracht, daarover derden heeft geraadpleegd, die hem, zoals hij ter zitting mededeelde, adviseerden om de opdracht terug te geven. Ter zitting heeft beklaagde aangegeven, dat dat zijn eer te na was, hem dat in zijn 25jarige praktijk nog niet eerder was overkomen en hij het als een uitdaging zag zijn werkzaamheden voort te zetten.
5.7 Bij het bovenstaande neemt het College in aanmerking, dat uit het dossier op geen enkele wijze blijkt, dat beklaagde op enigerlei wijze directieven zou hebben ontvangen, laat staan deze zou hebben gevolgd. Het behoort tot zijn taak als arbeidsdeskundige acht te slaan op stukken die hem door beide partijen worden gezonden. Het innemen van een ander standpunt zou juist op partijdigheid kunnen duiden. Bovendien blijkt uit de door beklaagde overgelegde brief van de advocate van de verzekeringsmaatschappij, dat zij op geen enkele wijze beklaagde heeft beïnvloed, laat staan gedirigeerd. Daarbij tekent het College nog aan, dat niet is gesteld of gebleken dat uit het nadien door beklaagde opgestelde stuk op enigerlei wijze blijkt van beïnvloeding te meer nu het daarbij nog steeds ging om een inventarisatie.
5.8 Voor zover klager aan de orde heeft gesteld, dat beklaagde het woord conceptrapport heeft gebruikt is het College van oordeel, dat inderdaad geen sprake was van een conceptrapportage. Het was een eerste inventarisatie van hetgeen beklaagde heeft geconstateerd met daarbij – zo staat wel vast, het College beschikt niet over dit stuk – diverse vragen aan klager. Inderdaad kan dan niet worden gesproken van een conceptrapportage, zeker niet in de door klager bedoelde zin. Evenwel is het benoemen van dit stuk als conceptrapportage niet klachtwaardig.
5.9 Aan klager kan worden toegegeven, dat beklaagde niet optimaal heeft gecommuniceerd met betrekking tot het in beraad houden van het al dan niet teruggeven van de opdracht, ook al realiseert het College zich, dat alleen al het aan de orde stellen daarvan evenmin leidt tot voortgang van de zaak door beklaagde. Gezien de daarvoor door beklaagde genomen periode, waarin de kerstdagen en jaarwisseling waren gelegen is het niet een zodanige termijn, dat daarvoor aan beklaagde een verwijt kan worden gemaakt.
Daarbij tekent het College aan, dat klager door zijn opdringerige en door het personeel van beklaagde als dreigend ervaren houding ten kantore van beklaagde zelf uiteindelijk aan beklaagde de terechte teruggave van de opdracht heeft bezegeld.
5.10 Het gedrag van beklaagde is door het College getoetst aan artikelen 1,2,4,5,6 en 7 van de gedragscode SRA. Op geen van deze artikelen kan geconcludeerd worden dat beklaagde niet conform de gedragsregels van de SRA heeft gehandeld.
De slotsom van het bovenstaande is, dat de klachtonderdelen, waartegen klager in beroep is gekomen vergeefs worden voorgedragen.
6. Conclusie
Het beroep tegen de uitspraak van de Raad van Toezicht van 25 maart 2013 is ongegrond.
7. De beslissing:
verklaart de klachten ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven op augustus 2013 door mr. L.F.A. Husson, voorzitter en de heren L. Janssen en P. van Kesteren, leden.
Voor dezen:
mr. L.F.A. Husson