Uitspraak CAT 13 november 2020 (zaaknummer: 20/24 CAT)

Uitspraak CAT 13 november 2020 (zaaknummer: 20/24 CAT)

Uitspraak

CAT van 13 november 2020 (zaaknummer: 20-24 CAT)

Trefwoorden

Eisen aan rapportages. Onderzoeksvraag. Beroep ongegrond.

Artikelen Gedragscode SRA

Samenvatting

Voor een samenvatting van de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de samenvatting bij AT 30 juli 2020 (19-58 AT). 

Klager is in hoger beroep gegaan. Klager verzoekt het CAT om de zaak nogmaals te beoordelen en aan te geven of verweerster diende vast te stellen of de voorzieningen, waarover de werkgever naar eigen zeggen beschikte, daadwerkelijk aan klager zijn aangeboden. Het CAT overweegt dat de onderzoeksvraag van het rapport van verweerster betrekking had op twee tegenstelde visies van arbeidsdeskundigen ten aanzien van het aaneengesloten zitten in de functie van klager. Daarmee zag het onderzoek van verweerster op de belasting in het werk ten aanzien van het zitten, specifiek de aaneengesloten duur daarvan. Het ging aldus niet om een onderzoek naar re-integratieactiviteiten, zoals aanpassingen van de arbeidsplaats. Verweerster heeft de visie van de onafhankelijke arbeidsdeskundige, inhoudende dat het zitten onderbroken kon worden door te staan en bewegend te staan, als juist aangemerkt. Volgens het CAT heeft verweerster er terecht op gewezen dat aanpassingen door de werkgever niet nodig waren, maar dat klager juist zelf mogelijkheden had om aanpassingen in zijn werk door te voeren. Verweerster hoefde derhalve geen onderzoek te verrichten naar en niet te rapporteren over de eventuele voorzieningen of aanpassingen om de functie van klager te vervullen. Van een schending van artikel 3 van de Gedragscode is daarom geen sprake.

Het CAT verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak CAT 13 november 2020

Zaaknummer 20-24 CAT

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van

klager in hoger beroep,

hierna te noemen: klager,

tegen

register-arbeidsdeskundige,

verweerster in hoger beroep,

gemachtigde: mr. A.B. Schippers-Jürgens,

hierna te noemen: verweerster.

 

 

Procesverloop

1.1 Bij beroepschrift gedateerd 14 september 2020 doch binnengekomen op 20 augustus 2020, heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 30 juli 2020 met zaaknummer 19-58/AT, gegeven tussen klager en verweerster. Voor het procesverloop bij het AT verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’

1.2 Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, binnengekomen op 18 september 2020.

1.3 Op 30 oktober 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd. Verweerster is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.4 Ten slotte is uitspraak bepaald.

De feiten

2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tucht­college onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld, nu daartegen in beroep geen grieven zijn gericht. Het gaat daarbij om het volgende.

2.2 Klager heeft zich op 1 oktober 2017 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als medewerker klantenservice. Klager is per 1 april 2018 door de bedrijfsarts hersteld geacht voor eigen werk.

2.3 Klager heeft hierop een deskundigenoordeel gevraagd bij UWV. In verband daarmee is klager op 21 juni 2018 gezien voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Daarnaast heeft op 25 en 26 juni 2018 een onderzoek plaatsgevonden door de UWV-arbeidsdeskundige dat met name gericht was op de vraag van de verzekeringsarts over het aspect zitten in de functiebelasting van het eigen werk. De verzekeringsarts heeft in zijn verzekeringsgenees-kundige rapportage van 27 juni 2018 geconcludeerd dat klager per geschildatum 1 april 2018 niet geschikt is te achten voor het eigen werk.

2.4 Vervolgens heeft de werkgever een onafhankelijk arbeidsdeskundige (hierna: de onafhankelijk arbeidsdeskundige) opdracht gegeven om een arbeidsdeskundig functieonderzoek uit te voeren. Deze heeft zijn rapportage opgeleverd op 9 september 2018. Op basis hiervan achtte de werkgever klager alsnog per 1 april 2018 geschikt voor het eigen werk.

2.5 Het dienstverband van klager is op 6 april 2018 beëindigd. Er werd een claim gedaan op ziekengeld van UWV vanaf datum uitdiensttreding. Op 15 augustus 2018 heeft UWV aan klager laten weten dat de behandeling van zijn ziekmelding werd opgeschort.

2.6 Op 25 september 2018 volgde de beslissing van UWV waarin aan klager is medegedeeld dat hij op en na 16 november 2017 niet arbeidsongeschikt was voor zijn werk wegens ziekte of gebrek.

2.7 Op 27 september 2018 heeft klager een beslissing ontvangen van UWV waarin is aangegeven dat klager bij einde dienstverband niet in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering nu hij ingaande 1 april 2018 arbeidsgeschikt wordt geacht voor zijn werk.

2.8 Klager is tegen deze UWV-beslissingen in bezwaar gegaan. In het kader van de behandeling van het bezwaar van klager heeft verweerster op 12 november 2018 een “Arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar” opgesteld waarin zij aangeeft, waar de twee voorgaande arbeidsdeskundigen een tegengestelde visie hebben ten aanzien van het aaneengesloten zitten in klagers functie, de visie van de onafhankelijk arbeidsdeskundige te onderschrijven.

2.9 Verweerster heeft in haar verslag bij haar onderzoeksrapport aangegeven dat zij telefonisch overleg heeft gehad met de operations manager van de inlener en met de UWV-arbeidsdeskundige. Het arbeidsdeskundig rapport van verweerster is door de afdeling bezwaar en beroep van UWV op 28 november 2018 aan klager toegezonden met de uitnodiging om erop te reageren.

2.10 Op 12 februari 2019 heeft in verband met de behandeling van klagers bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij klager is gehoord. Bij deze hoorzitting was ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig.

2.11 Naar aanleiding van het gestelde in het verslag van de hoorzitting, namelijk of de informatie verkregen tijdens de hoorzitting aanleiding geeft om af te wijken van het voorgaande standpunt, concludeerde verweerster in haar aanvullend rapport van 28 februari 2019 dat het aanvullend bezwaar van klager geen aanleiding gaf om haar conclusie te herzien. Ter onderbouwing van haar tweede rapport gaf verweerster in haar verslag aan dat zij op 28 februari 2019 wederom telefonisch overleg heeft gehad met de operations manager van de inlener.

2.12 Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2019 heeft UWV de bezwaren van klager tegen de beslissingen van 15 augustus 2018 en 27 september 2018 ongegrond verklaard en zijn bezwaar tegen de beslissing van 25 september 2018 niet-ontvankelijk geacht.

2.13 Klager is tegen deze beslissing op bezwaar in beroep gegaan bij de Rechtbank. De rechtbank heeft op 17 september 2019 uitspraak gedaan, waarin het beroep van klager ongegrond is verklaard en is geoordeeld dat de onderzoeken van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig zijn geweest.

Overwegingen

3.1 Volgens de uitspraak van het AT, waarvan beroep, verwijt klager verweerster, kort samengevat, het volgende.

1. Verweerster heeft geen contact opgenomen met klager, zijnde haar cliënt, hetgeen aanleiding geeft voor een eenzijdig beeld van de werkelijkheid.

2. Verweerster heeft er niet op toegezien dat zij betrouwbare medische gegevens tot haar beschikking had. Er is geen medisch dossier opgevraagd bij klagers behandelende artsen en de medische conclusies van de controlerende artsen alsmede die van het deskundigenoordeel zijn terzijde geschoven. Het dossier van UWV waarop verweerster zich beroept was onvolledig en bevatte zelfs niet de startdiagnose van de bedrijfsarts.

3. Omdat verweerster alle medische uitspraken naast zich neer heeft gelegd en zelfs niet de moeite neemt de reguliere artsen te consulteren, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verweerster zich een oordeel aanmatigt over een vakgebied dat ver buiten haar competenties ligt.

3.2 In zijn e-mail van 12 januari 2020 heeft klager zijn klacht nader toegelicht.

3.3 Het AT heeft, na daartoe door verweerster gevoerd verweer, klachtonderdeel 1. gegrond geoordeeld en de onderdelen 2. en 3. ongegrond. Het AT overwoog ten aanzien van de verschillende onderdelen, kort samengevat, het volgende.

(1.) De kern van de klacht is dat verweerster geen contact heeft opgenomen met klager vóór het opstellen van haar rapportages, hetgeen door verweerster is erkend. Verweerster achtte dit niet noodzakelijk omdat de onafhankelijk arbeidsdeskundige (2.4) een werkplekonderzoek had verricht en de manager en HR-adviseur van de inlener heeft gesproken. Verweerster acht dat onderzoek gedegen, waarbij de mogelijkheden om de werksituatie aan te passen voldoende inzichtelijk zijn gemaakt.

Het is volgens verweerster evident dat de functie medewerker klantenservice een functie is waarbij meer dan 1 uur aaneengesloten zitten aan de orde is. Er zijn echter mogelijkheden om te staan en de werkzaamheden bewegend staand uit te voeren.

Daarnaast zijn er mogelijkheden tot werkaanpassing. Het was voor het onderzoek van verweerster niet van belang of deze zijn aangeboden. Het onderzoek beperkte zich tot de functiebelasting van het werk voor wat betreft de noodzakelijke duur van het aaneengesloten zitten in de functie van medewerker klantenservice.

Het AT stelt vast dat verweerster niet kenbaar heeft gemaakt (slechts, zo begrijpt het college) een dossiercommentaar op te stellen. Daarbij komt dat zij in elk geval nieuw feitenonderzoek heeft uitgevoerd door telefonisch contact op te nemen met de operations manager van de inlener en met de betrokken UWV-arbeidsdeskundige. Daarmee mocht verweerster er niet aan voorbijgaan klager op de hoogte te stellen van haar bevindingen, de verkregen informatie bij hem te verifiëren en deze voor wederhoor aan klager voor te leggen. Daarbij weegt de omstandigheid dat de bevindingen van verweerster een bepalende rol kunnen spelen in een procedure op tegenspraak zwaar mee, aldus het AT.

(2.) Verweerster wordt gevolgd in haar verweer dat zij geen medische gegevens nodig had en dat het uitvoeren van de beoordeling op strikt medisch terrein niet aan verweerster als arbeidsdeskundige is maar aan de verzekeringsarts. Die onderzoeken hebben plaatsgevonden in het kader van het aangevraagde deskundigenoordeel en in bezwaar en beroep. De volledigheid van de aldus verzamelde informatie kan verweerster niet aangeven. Dit ligt immers niet op het kennisgebied van een arbeidsdeskundige en zij heeft daarover geen zeggenschap of verantwoordelijkheid. Daar komt bij dat de opdracht van het arbeidsdeskundig onderzoek was gericht op een specifiek aspect van de functiebelasting van het eigen werk van klager. Hiervoor is geen inzicht in de actuele belastbaarheid noodzakelijk.

(3.) Van verweerster mocht, gelet op de aan haar gegeven opdracht, verwacht worden te zorgen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de opdracht i.c. het beantwoorden van de vraag met betrekking tot het aspect van de functiebelasting. Dat geldt evenwel niet voor medische gegevens (vgl. onder 2.).

3.4 Klager stelt in zijn beroepschrift – het college begrijpt: als (enige) beroepsgrond als bedoeld in artikel 18 lid 2 van het Tuchtreglement SRA (oud) – dat de arbeidsdeskundige bij de werkgever heeft geïnformeerd of en zo ja welke voorzieningen er beschikbaar zijn voor medewerkers die zulke extra voorzieningen nodig hebben. Het antwoord van de werkgever was uitvoerig en (uiteraard) beschikken ze over alle voorzieningen. Maar verweerster heeft nergens geïnformeerd of aan klager zulke mogelijkheden zijn aangeboden. Het AT gaat daarop voor zover klager dat kan beoordelen niet in. Als dat zo is lijkt dat klager dat een ernstige omissie. Want bepalend is natuurlijk niet alleen het beschikbaar zijn, maar ook het beschikbaar stellen van voorzieningen. Als dat laatste niet wordt gecontroleerd kan zowat iedereen aan het werk, aldus klager.

Klager verzoekt het college de zaak nogmaals te bezien en aan te geven of verweerster inderdaad niet hoefde vast te stellen dat de voorzieningen ook aan klager zijn aangeboden.

3.5 Verweerster voert ook in hoger beroep verweer. Voor zover nodig voor de beoordeling van het beroep gaat het college daarop hierna in.

3.6 Het college stelt vast dat door verweerster geen (incidenteel) hoger beroep is ingesteld. Dat betekent dat, gelet op de beslissing van het AT, de uitkomst van het hoger beroep van klager niet kan zijn dat – zoals geconcludeerd door verweerster – haar geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Als verweerster een andere beslissing van het AT had gewild dan door hem gegeven, had zij zelf in hoger beroep moeten komen dan wel incidenteel moeten appelleren.

3.7 Verweerster verzoekt het college primair de klacht niet-ontvankelijk te achten. De klacht komt overeen met onderdeel 1 (vgl. 3.3 onder 1.), dat het AT in zijn uitspraak gegrond heeft geoordeeld, onder oplegging van een sanctie. Conform het tuchtreglement kan een klager uitsluitend beroep bij het CAT instellen voor zover de klacht is afgewezen of niet-ontvankelijk is verklaard, artikel 14.1 tuchtreglement, aldus verweerster.

3.7.1 Het college stelt het volgende voorop. Per 1 augustus 2020 is het Tuchtreglement SRA gewijzigd. Ingevolge artikel 22 lid 2 tweede volzin is “(h)et gewijzigde reglement van toepassing op alle klachten die vanaf die laatste datum zijn ingediend bij het secretariaat.”

De klacht is ingediend op 23 augustus 2019. Het college gaat dus uit van het “oude” Tuchtreglement SRA, waarvan artikel 16 lid 1 aanhef en onder a. luidt:

Tegen een beslissing van het AT kan (…) uitsluitend beroep bij het CAT worden ingesteld door:

a. de klager, voor zover de klacht is afgewezen of niet-ontvankelijk is verklaard;”

Het college begrijpt de verwijzing naar “artikel 14.1 tuchtreglement” als bedoeld te verwijzen naar het van toepassing zijnde artikel 16 lid 1 aanhef en onder a. als hiervoor geciteerd, nu artikel 14 van het per 1 augustus 2020 gewijzigde Tuchtreglement SRA gelijkluidend is aan artikel 16 van het Tuchtreglement SRA oud.

3.7.2 In zijn hiervoor in 3.2. genoemde “toelichting” heeft klager, voor zover thans van belang, het volgende gesteld:

“Op de tweede plaats geeft ze toe dat ze met de werkgever heeft gesproken over de mogelijkheden om gepast werk te verrichten. Nergens heeft beklaagde geïnformeerd of mij zulke mogelijkheden zijn aangeboden. Wellicht dat beklaagde kan aangeven dat deze nalatigheid standaard is in haar handelen want het maakt nogal wat uit of een voorziening uitsluitend voorhanden is of dat een voorziening ook daadwerkelijk wordt aangeboden. Indien een voorziening namelijk alleen maar aanwezig hoeft te zijn is praktisch iedereen gewoon inzetbaar.”

Daarmee was dit klachtonderdeel onder de aandacht van het AT gebracht. Het AT heeft daarop niet gerespondeerd en het stond klager vrij dat in hoger beroep aan de orde te stellen. Het punt is door klager ook niet ingebracht in het kader van klachtonderdeel 1 (vgl. 3.3 onder 1.), maar in het kader van artikel 3 van de Gedragscode, “Eisen aan rapportages”. Daarmee kan niet gezegd worden dat de klacht overeenkomt met onderdeel 1 waarover het AT in zijn uitspraak heeft geoordeeld. Het niet-ontvankelijkheidsverweer faalt.

3.8 Zoals vastgesteld door de rechtbank in haar in 2.13 genoemde uitspraak, maakten re-integratie-activiteiten geen onderdeel uit van het (in rechte) bestreden besluit. Dat impliceert dat de onderzoeken van verweerster daarop evenmin betrekking hebben gehad, althans dat die onderzoeken in zoverre niet van belang waren.

Blijkens het door verweerster uitgebrachte rapport Arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar (2.8) was de onderzoeksvraag:

De arbeidsdeskundige de heer A en de arbeidsdeskundige de heer B hebben een onderzoek verricht naar het aspect zitten van de medewerker klantenservice bij de inlener. Zij hebben een tegengestelde visie ten aanzien van het aaneengesloten zitten in deze functie. Welk standpunt is juist?”

Daarmee lag niet de vraag voor naar re-integratie-activiteiten, aanpassingen van de arbeidsplaats daaronder begrepen, maar ging het, zo voert verweerster terecht aan, om de belasting in het werk ten aanzien van het zitten, specifiek de aaneengesloten duur ervan. Verweerster heeft mét de onafhankelijk arbeidsdeskundige geoordeeld dat het zitten onder­broken kon worden door te gaan staan en bewegend te staan. De medewerkers hadden eigen regiemomenten en handelingsvarianten in de uitvoering van het werk. Terecht heeft verweerster er dus op gewezen dat aanpassingen door de werkgever niet nodig waren. Het betrof de mogelijkheden van klager zelf. Verweerster hoefde daarmee geen onderzoek te verrichten naar en (dus) niet te rapporteren over de eventuele voorzieningen of aanpassingen om klagers functie te kunnen vervullen. Dat betekent dat van schending van artikel 3 van de Gedragscode geen sprake is. De grief faalt.

3.9 Ten overvloede overweegt het college nog het volgende. Ter zitting van het college heeft klager, in aansluiting op zijn beroepschrift, erop gewezen dat de onafhankelijk arbeids­deskundige “zijn keutel heeft ingetrokken” (het college begrijpt: zijn rapport van 9 september 2018) en een nieuw rapport het licht heeft doen zien op 28 oktober 2019. Aangezien deze datum ligt ná het door verweerster opgemaakte rapport en zelfs ná de uitspraak van de rechtbank op 17 september 2019 (2.13) valt niet in te zien dat verweerster daarmee rekening zou hebben moeten of kunnen houden. Evenmin valt in te zien dat verweerster uit eigen beweging op dat rapport zou hebben moeten reageren, zoals klager kennelijk meent.

Dat verweerster ook “een re-integratierapport van de bedrijfsarts” niet in haar overwegingen heeft betrokken rekent het college verweerster evenmin aan. Klager heeft zijn kritiek op dit punt onvoldoende onderbouwd. Het college kent dit stuk niet, het bevindt zich niet bij de stukken van deze tuchtprocedure.

Desgevraagd ter zitting heeft klager niet de datum van het stuk kunnen noemen, noch de datum waarop hij dat stuk ingebracht zou hebben in deze procedure. Dat verweerster het stuk kende, althans dat zij dat stuk behoorde te kennen, is onvoldoende onderbouwd.

3.10 Nu de grief faalt behoort het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

– verklaart het beroep ongegrond.

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege bij vervroeging op 13 november 2020 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren L. Janssen en P. Hulsen, leden. 

Mr. J.W. van Rijkom