Uitspraak CAT 20 april 2018
Zaaknummer 17-14 CAT
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van
klager,
gemachtigde, echtgenote van klager,
klager in hoger beroep,
tegen
beklaagde,
gemachtigde: mr. P. Oberink, bedrijfsjurist te Utrecht,
verweerder in hoger beroep.
Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift van 3 december 2017 (met producties) heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 1 november 2017 met zaaknummer 17-33/AT, gegeven tussen klager en beklaagde. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’
1.2 Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 21 februari 2018.
1.3 Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft beklaagde bij e-mail van zijn gemachtigde van 22 februari 2018 het – bij de stukken van de eerste aanleg ontbrekende – slotwoord van beklaagde bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege overgelegd, alsmede de in 2.11 nader genoemde beschikking van de rechtbank Limburg.
1.4 Op 16 maart 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klager, ter zitting bijgestaan door zijn echtgenote, en beklaagde, bijgestaan door mr. Oberink, hebben het woord gevoerd, de echtgenote aan de hand van pleitaantekeningen die aan het college zijn overgelegd.
1.5 Ten slotte is uitspraak bepaald.
De feiten
2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld. Voor zover het beroep ook tegen het in 2.3 vermelde is gericht faalt het beroep gelet op wat hierna in 3.3 wordt overwogen. Het gaat daarbij om het volgende.
2.2 Klager is werkzaam geweest bij [werkgever], volgens het bij de functie horende functieprofiel in de functie van Senior Process Operator B. In deze functie is klager arbeidsongeschikt uitgevallen. Klager werd door de bedrijfsarts op 8 januari 2015 tijdelijk arbeidsongeschikt geacht.
2.3 In verband met de Eerstejaarsevaluatie in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter heeft [werkgever] eind 2015 aan beklaagde (indirect) opdracht verleend om onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de re-integratiemogelijkheden van klager.
2.4 Zowel bij brief als e-mail van 8 december 2015 van [werkgever] is klager uitgenodigd voor een gesprek bij HR van de [werkgever] in het kader van de Eerstejaarsevaluatie. Daarbij is door de [werkgever] aangegeven dat bij het gesprek aanwezig zijn: beklaagde en de HR Country Lead bij de [werkgever], hierna aangeduid als de heer X.
Op 15 december 2015 vond dit gesprek plaats. Beklaagde had eerst een gesprek met klager en zijn echtgenote, gevolgd door een gesprek waarbij ook de heer X aanwezig was.
2.5 Op 16 december 2015 heeft beklaagde een rapportage "Arbeidsdeskundig Re-integratie Onderzoek + 1e jaarevaluatie" aan de [werkgever] en klager uitgebracht.
2.6 Bij brief van 29 december 2015 heeft de advocaat van klager aan beklaagde aangegeven dat klager zich niet met de inhoud van de rapportage kan verenigen en de inhoud daarvan wordt verworpen.
2.7 Op 5 januari 2016 heeft beklaagde op de in 2.6 genoemde brief geantwoord geen aanleiding te zien om de rapportage te herzien.
Beklaagde heeft klager laten weten dat het klager vrij staat om de rapportage niet te ondertekenen, waardoor in dat geval geen sprake is van een Eerstejaarsevaluatie, maar uitsluitend van een arbeidsdeskundig advies. Daarbij heeft beklaagde ook aangegeven dat klager aan het UWV een deskundigenoordeel kan vragen over de re-integratie-inspanningen van de [werkgever].
2.8 Bij brief d.d. 8 januari 2016 is daar door de advocaat van klager op gereageerd met de mededeling dat wel sprake is van een Eerstejaarsevaluatie en daarover overeenstemming tussen [werkgever] en werknemer dient te bestaan.
2.9 Op 12 januari 2016 heeft beklaagde aan de advocaat van klager opnieuw laten weten dat er bij niet-ondertekening van de rapportage geen sprake is van een Eerstejaarsevaluatie, maar van een advies waar [werkgever] en werknemer mee aan de slag moeten.
2.10 Met een e-mailbericht van 14 oktober 2016 heeft klager beklaagde meegedeeld dat hij bij de SRA een klacht zal indienen inzake de handelwijze van beklaagde. Naar aanleiding daarvan vond op 27 oktober 2016 bij klager thuis een gesprek plaats tussen klager en beklaagde, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.
2.11 Bij beschikking van 24 april 2017 heeft de rechtbank Limburg op daartoe strekkend verzoek van [werkgever] tegen 1 juli 2017 de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met klager uitgesproken. Naar het oordeel van de kantonrechter was sprake van een arbeidsconflict dat is uitgemond in een zodanig verstoorde arbeidsverhouding tussen [werkgever] als organisatie en werknemer dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij overwoog de kantonrechter: “dit wantrouwen van [klager] jegens [werkgever] loopt verder als een rode draad door het dossier (..)”. [Werkgever] is veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding. Het verzoek van klager tot betaling van een billijke vergoeding door [werkgever] werd afgewezen nu naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de kant van [werkgever].
2.12 Bij beschikking van 19 oktober 2017heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch de in 2.11 genoemde beschikking bekrachtigd. Klager noch [werkgever] zijn van deze beschikking in cassatie gekomen.
Overwegingen
3.1.1 In zijn uitspraak waarvan beroep heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de verschillende onderdelen van de klacht als volgt benoemd en behandeld:
i Informatieverstrekking over opdracht
ii Geen hoor en wederhoor
iii Rapportage voldoet niet aan de eisen
iv Partijdigheid, beïnvloeding en ongeoorloofde druk
3.1.2 Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft de klacht op het eerste onderdeel gegrond geoordeeld. Op voet van artikel 22 lid 1 aanhef en onder a. van het Tuchtreglement SRA heeft het AT opgelegd als maatregel: gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Op de onderdelen ii, iii en iv werd de klacht ongegrond geoordeeld. Het AT overwoog daartoe, tegen de achtergrond van de artikelen 1, 2 (lid 1) en 3 van de Gedragscode, samengevat als volgt.
(i) Klager werd door [werkgever] uitgenodigd voor een gesprek op 15 december 2015 in het kader van de Eerstejaarsevaluatie met de mededeling dat beklaagde als arbeidsdeskundige bij dit gesprek aanwezig zou zijn. In de uitnodiging werd niet vermeld dat een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek door beklaagde zal worden uitgevoerd. Door de ongelukkige combinatie in de titel van zijn rapport van 16 december 2015: "Arbeidsdeskundig Re-integratie Onderzoek + 1e jaarevaluatie" en de ruimte die in de rapportage zowel aan de [werkgever] als werknemer wordt geboden om de rapportage als Eerstejaarsevaluatie te ondertekenen, is de onduidelijkheid vergroot. Beklaagde had, mede gezien de achtergrond van de arbeidsongeschiktheid van klager en de werk gerelateerde problematiek die daaraan ten grondslag lag, klager vooraf duidelijker moeten inlichten over zijn opdracht, namelijk het verrichten van arbeidsdeskundig onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden voor klager. Als beklaagde vooraf duidelijker had gemaakt dat niet hij maar [werkgever] en werknemer verantwoordelijk zijn voor de Eerstejaarsevaluatie en zich van opstelling van de Eerstejaarsevaluatie afzijdig had gehouden en zich beperkt had tot de advisering over de re-integratiemogelijkheden, waren onnodige misverstanden voorkomen. Als een arbeidsdeskundige wordt ingeschakeld in een situatie waarin sprake is van werk gerelateerde problematiek dient de arbeidsdeskundige er extra op bedacht te zijn, dat hij duidelijk is over zijn opdracht om te voorkomen dat hij zelf onderdeel wordt van het geschil tussen [werkgever] en werknemer.
Beklaagde is daar in dit geval onvoldoende alert op geweest en had bij het inlichten van klager over zijn opdracht beter moeten waken voor zijn eigen positie en rol als arbeidsdeskundige, bijvoorbeeld door klager vooraf te informeren, liefst schriftelijk, over de aard en omvang van de opdracht.
(ii) Klager is gehoord in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek, hij heeft alle ruimte gekregen zijn visie naar voren te brengen en zijn visie heeft een plaats gekregen in het rapport. Dat klager zich niet kan vinden in de visie van beklaagde in de rapportage doet daaraan niet af.
(iii) Een arbeidsdeskundig advies dient op inzichtelijke wijze op basis van actuele en juiste feiten en omstandigheden een gemotiveerde beoordeling van de re-integratiemogelijkheden te bevatten; het is niet de taak van de arbeidsdeskundige om de geschiedenis van re-integratie-inspanningen van de werkgever en werknemer (volledig) te beschrijven en eventuele hiaten of gebreken daarin aan te geven. Dat de functie van klager niet juist is vermeld, mist naar het oordeel van het AT feitelijke grond. Beklaagde heeft zich gebaseerd op de officiële functiebeschrijving van de functie van process operator en de benaming "ovenoperator" (die volgens klager onjuist is) slechts gebruikt om kortheidshalve de specifieke plaats van klager in het productieproces aan te duiden. Ook het verwijt dat de gerapporteerd is aan dhr. X en niet aan de casemanager, is niet terecht. Het gaat er om dat de rapportage aan de [werkgever] als opdrachtgever wordt gestuurd. In dit geval was dhr. X de contactpersoon voor beklaagde en overigens ook aanwezig bij het gesprek op 15 december 2015. Het kan beklaagde dan ook niet worden verweten dat de rapportage aan dhr. X is gestuurd.
(iv) Van partijdigheid, beïnvloeding en ongeoorloofde druk blijkt naar het oordeel van het AT Tuchtcollege noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting. De visie van zowel klager als [werkgever] zijn weergegeven in de rapportage, er wordt door beklaagde een arbeidsdeskundige beoordeling van de re-integratiemogelijkheden gegeven op basis van de op moment voor de arbeidsdeskundige relevante bekende feiten en omstandigheden (waaronder de belastbaarheid zoals door de bedrijfsarts aangegeven en de functie van klager). Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan de arbeidsdeskundige volstaan met het vermelden van re-integratieactiviteiten tot aan het moment dat de arbeidsdeskundige betrokken wordt. De verantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige betreft de eigen handelwijze en het eigen advies.
Zowel het Plan van Aanpak als het verloop van re-integratie in het eerste ziektejaar zijn uiteindelijk een aangelegenheid tussen werkgever en de (het college leest:) [werknemer]. Ook de visie en het advies van beklaagde die in de rapportage zijn vastgelegd zijn niet partijdig te noemen. Beklaagde geeft blijkens de rapportage als zijn visie aan dat er op dat moment geen re-integratiemogelijkheden zijn, de werk gerelateerde problematiek herstel en re-integratie in de weg staat en daarom eerst de werk gerelateerde problematiek door [werkgever] en werknemer dient te worden opgelost in het kader waarvan mediation wordt geadviseerd. Het Tuchtcollege deelt de mening van klager niet, dat beklaagde in zijn rapportage re-integratie bij de [werkgever] uitsluit. De opmerkingen die door beklaagde tijdens het gesprek op 15 december 2015 zijn gemaakt geven naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege evenmin blijk van partijdigheid van beklaagde.
Van pogingen om de arts en arbeidsdeskundige van het UWV en de mediator te beïnvloeden, alsmede van ongeoorloofde druk op klager is het AT niet gebleken. Het enkele feit dat de naam van beklaagde bij het UWV en de mediator bekend zou zijn en wordt genoemd, is daarvoor onvoldoende. Beklaagde heeft zijn rapportage uitgebracht en heeft klager en [werkgever] volledig vrij gelaten om het met de rapportage oneens te zijn en desgewenst een deskundigenoordeel aan het UWV te vragen, aldus nog steeds het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege.
3.2.1 Het beroep keert zich, aldus klager, tegen de beslissing van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat er geen sprake is van handelen in strijd met artikel 1, 2 en 3 van de Gedragscode, dat er geen sprake is van partijdigheid, beïnvloeding, onzorgvuldig en onprofessioneel handelen en ongeoorloofde druk en dat er voldoende hoor en wederhoor is toegepast.
3.2.2 Klager voert daartoe een groot aantal gronden aan die, voor zover relevant, het college hierna zal beoordelen. Daarbij stelt het college het volgende voorop.
a. Volgens artikel 16 lid 1 aanhef en onder a. van het Tuchtreglement SRA kan tegen een beslissing van het AT beroep bij het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege worden ingesteld voor zover de klacht is afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.
Zoals hiervoor in 3.1.2 onder (i) is weergegeven heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder verwijzing naar artikel 2 lid 1 van de Gedragscode geoordeeld dat beklaagde klager duidelijker moeten inlichten over zijn opdracht en misverstanden waren voorkomen als beklaagde zich afzijdig had gehouden van de opstelling van de Eerstejaarsevaluatie. In zoverre is dat klachtonderdeel gegrond geoordeeld.
Voor zover klager zich in hoger beroep opnieuw hierover beklaagt treedt het college daar gelet op het bepaalde in het Tuchtreglement SRA niet in.
b. Zoals hiervoor in aanhef van 3.1.2 vermeld, heeft het AT aan beklaagde opgelegd de maatregel: gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Voor zover klager zich keert tegen deze waardering van de klachtwaardigheid van het handelen van beklaagde door het AT (“zeer ernstig”, aldus klager), treedt het college gelet op het Tuchtreglement SRA ook hier niet in. Daarbij neemt het college in aanmerking dat het doel van het tuchtrecht zoals geregeld in het Tuchtreglement SRA, kort gezegd, handhaving van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door in het Register ingeschreven arbeidsdeskundigen is. Het Tuchtreglement SRA geeft, als rechtstreeks belanghebbenden bij de handhaving van die kwaliteit, aan cliënten en opdrachtgevers in de zin van het Tuchtreglement SRA de mogelijkheid om klachten daarover aan de tuchtrechter voor te leggen, alsmede een beroepsmogelijkheid voor zover die klachten zijn afgewezen. Dit brengt echter niet mee dat het bestaan van een beroepsmogelijkheid tevens zou moeten worden aangenomen in een geval als het onderhavige waarin de klacht gegrond is verklaard, doch zonder oplegging van een verdere maatregel dan opgelegd. Oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel beoogt immers niet zozeer om aan de klager wiens klacht gegrond wordt verklaard genoegdoening te verschaffen, als wel om – in het belang van een behoorlijke beroepsuitoefening – de betrokken beroepsbeoefenaar in te scherpen dat hij professioneel beneden de maat is gebleven.
Voor zover klager zich in hoger beroep keert tegen de waardering van de klachtwaardigheid van het handelen van beklaagde door het AT, wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
3.3 Ten aanzien van het in 2.3 vermelde feit voert klager – kort weergegeven – aan dat dat nergens uit blijkt, m.n. niet uit de in 2.4 gedeeltelijk geciteerde brief van 8 december 2015 van werkgever.
Het college is in het aansluiting op het vermelde in 3.2.2 onder a. van oordeel dat voor zover deze beroepsgrond niet reeds afstuit op het door het AT gegrond verklaarde klachtonderdeel, klager miskent dat een [werkgever] zich ingevolge het bepaalde in artikel 25 lid 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen( WIA) bij de uitvoering van zijn re-integratieverplichtingen dient te laten bijstaan door een deskundige als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet, waaronder een arbeidsdeskundige. Waar het opmaken van een Eerstejaarsevaluatie onmiskenbaar onder de uitvoering van de re-integratieverplichtingen van een [werkgever] als hiervoor bedoeld valt, werd beklaagde kennelijk in dat kader door [werkgever] ingeschakeld.
3.4 Volgens klager is beklaagde bij het opstellen van de Eerstejaarsevaluatie zeer onzorgvuldig te werk gegaan. Beklaagde heeft daarin – bewust – niet vermeld dat er geen Plan van Aanpak is opgemaakt. Hij verdoezelt daarmee dat [werkgever] niet heeft voldaan aan de Wet Verbetering Poortwachter, waarmee beklaagde [werkgever] lijkt te willen beschermen en hij partijdigheid toont.
Het college deelt het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat het Plan van Aanpak en de re-integratie in het eerste ziektejaar een aangelegenheid tussen [werkgever] en werknemer zijn. Het AT heeft voorts terecht geoordeeld dat de ongelukkige kop van het rapport van beklaagde en de ruimte die wordt geboden dat rapport als Eerstejaarsevaluatie te ondertekenen de onduidelijkheid over de rol van beklaagde heeft vergroot. Maar, anders dan klager ingang wil doen vinden, het was de taak van beklaagde de re-integratiemogelijkheden van klager te onderzoeken. Dat in het rapport niet is vermeld dat door [werkgever] en klager geen Plan van Aanpak is opgemaakt is in dit licht bezien niet onjuist, daargelaten dat voor de door klager gebezigde kwalificaties aan het adres van beklaagde redelijke grond ontbreekt. Uit de onder 3.1 van zijn rapport gegeven opsomming van wat er in de geëvalueerde periode wèl is gebeurd volgt overigens impliciet dat er geen Plan van Aanpak is opgesteld. Dat klager stelt jegens UWV hinder te hebben ondervonden van het ontbreken van het Plan van Aanpak maakt het voorgaande niet anders.
Ten slotte treft het verwijt dat beklaagde een e-mailadres van een UWV-medewerker aan [werkgever] heeft verstrekt geen doel. Niets verzet zich ertegen dat beklaagde dergelijke informatie, niet-zijnde een persoonsgegeven van klager, aan [werkgever] verstrekt. Dat (een medewerker van) [werkgever] dat e-mailadres gebruikt zou hebben om “een aangepaste variant van de Eindevaluatie (…) en de Eerstejaarsevaluatie te sturen” treft niet beklaagde.
3.5 Tussen partijen is niet in discussie dat beklaagde zijn rapport heeft gezonden naar zowel klager als [werkgever] in de persoon van de heer X. Dat klager, bezwaren hebbend tegen het rapport, geweigerd heeft dat als “Eerstejaarsevaluatie” te ondertekenen stond klager vrij. Daarmee was er geen sprake van een door [werkgever] en werknemer overeengekomen Eerstejaarsevaluatie, zoals beklaagde blijkens het betoog van klager ook aan hem heeft doen weten. Niet valt in te zien welk verwijt beklaagde in dit verband treft. Dat beklaagde, die als arbeidsdeskundige zijn eigen professionele verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot de inhoud van zijn rapport, geweigerd heeft de door klager gewenste veranderingen in (een nadere versie van) zijn rapport aan te brengen is, anders dan klager kennelijk meent, gegeven de strekking van de rapportage – een advies aan [werkgever] en werknemer – niet onjuist. Beklaagde heeft zijn standpunt terzake onderbouwd weergegeven in zijn brieven van 5 en 12 januari 2016 aan de raadsman van klager.
De klacht dat beklaagde, als vermeld, zijn rapport heeft gestuurd aan de heer X en de bezwaren van klager tegen de rapportage onder díens aandacht heeft gebracht en niet aan de casemanager treft evenmin doel. De heer X immers nam namens [werkgever] deel aan het gesprek op 15 december 2015 (zie 2.4) en dat aan hem werd teruggekoppeld ligt (daarmee) voor de hand. Dat klager daartegen bezwaar heeft gemaakt is gesteld noch gebleken.
Dat [werkgever] de rapportage (jegens UWV) heeft gebruikt op een wijze die klager onwelgevallig was komt niet voor rekening van beklaagde. Met de niet-ondertekening door klager was, als hiervoor reeds overwogen, duidelijk dat er geen door [werkgever] en werknemer overeengekomen Eerstejaarsevaluatie lag. In dit verband is tevens van belang dat beklaagde, anders dan klager betoogt, niet bij [werkgever] werkte maar als (zelfstandig) arbeidsdeskundige uit hoofde van een overeenkomst van opdracht. Beklaagde was niet in de positie om contact op te nemen met de raadsvrouw van [werkgever].
3.6 Naar het oordeel van het college staat vast dat klager zich ziek gemeld heeft en er (vervolgens) tussen [werkgever] en klager een diepgaand arbeidsconflict is ontstaan, zoals ook door de bedrijfsarts gerapporteerd. Terecht heeft beklaagde erop gewezen dat ten tijde van zijn rapportage klager volledig arbeidsongeschiktheid werd bevonden, er (daarom) geen FML lag en re-integratie in het eerste of tweede spoor op dat moment niet tot de mogelijkheden behoorde. Beklaagde wijst er terecht op dat in de arbeidsdeskundige rapportage onder 3.3 is verwezen naar de periodieke evaluatie van 7 december 2015.
Dat beklaagde niet de visie van [werknemer] heeft overgenomen over zijn functie(omschrijving) en/of functie-inhoud is, in aanmerking genomen de discussie tussen [werkgever] en klager daarover en mede gelet op de door klager geambieerde functie, niet onjuist. Waar beklaagde, zoals door klager onder verwijzing naar de uitspraak van de (vroegere) Raad van Toezicht SRA van 28 februari 2011 aangehaald, “extra kritisch moet zijn op de door werknemer en [werkgever] aangedragen feiten en omstandigheden omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben” heeft hij overeenkomstig gehandeld. Het advies van beklaagde om door middel van mediation tot een oplossing te komen was, gegeven de situatie, juist. Naar het hof ‘s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 19 oktober 2017 overweegt “was en is er sprake van een groot wantrouwen over en weer, opgebouwd vanaf het moment dat [klager] op 2 januari 2015 wegens ziekte is uitgevallen.” Mediation had een uitweg uit deze situatie kunnen opleveren, maar (zelfs) daartoe heeft het niet kunnen komen. Eenzelfde wantrouwen – geïllustreerd met zijn heimelijke opname van het gesprek op 15 december 2015 – toont klager in de verwijten aan het adres van beklaagde terwijl daarvoor naar het oordeel van het college objectief beschouwd geen voldoende grond bestaat; dat beklaagde partijdig is geweest, klager heeft beïnvloed en ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend is volstrekt onvoldoende onderbouwd. Dat beklaagde klager heeft geattendeerd op de mogelijkheid een deskundigenoordeel bij UWV aan te vragen (2.7) past ook niet bij een partijdige houding jegens klager.
Niet onjuist is dat beklaagde een mogelijke mediator heeft genoemd toen de door klager voorgedragen mediator niet beschikbaar bleek; klager heeft deze gang van zaken ter zitting van het college niet weersproken. Niet valt in te zien dat het noemen van de naam van een mogelijke mediator, ook wanneer deze uit de kennissenkring van beklaagde komt, de positie van die mediator raakt. En inderdaad, mediation impliceert er samen uit (proberen te) komen zoals beklaagde kennelijk aan partijen voorgehouden heeft. En wat er zij van de opvatting van klager dat de insteek van [werkgever] voor die eventuele mediation geen andere zou zijn dan ontslag en dat beklaagde daarvan wist – andere, voor klager en [werkgever] begaanbare opties leken zich op dat moment, medio december 2015 dus, niet voor te doen. Dat beklaagde zou hebben aangegeven aan de mediator dat het om een exit-mediaton zou gaan is niet voldoende aannemelijk geworden.
3.7 Beklaagde heeft, anders dan klager kennelijk voor zich ziet (pleitnota blz. 1) geen “belangrijke rol gespeeld in het ontslag van klager”, daargelaten dat het strikt genomen geen ontslag (opzegging) was, maar een door de kantonrechter gehonoreerd en door het hof bekrachtigd verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aan klager kan toegegeven worden dat beklaagde onduidelijk is geweest over zijn positie maar daarover heeft het AT het nodige gezegd en beklaagde heeft dat begrepen. Maar dat die onduidelijkheid een belangrijke rol heeft gespeeld in het kader van het eindigen van de arbeidsovereenkomst valt in het licht van het diepgaande conflict tussen klager en zijn [werkgever] en zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet in te zien.
3.8 Het verwijt dat geen, althans onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast is ongegrond. Er heeft, naar tussen partijen vaststaat (zie 2.4), een gesprek tussen beklaagde en klager (met zijn echtgenote) plaatsgevonden en vervolgens met klager en [werkgever] en waarin klager – getuige de daarvan door klager gemaakte opname – uitvoerig in de gelegenheid is geweest zijn gedachten naar voren te brengen. Het college deelt het oordeel van het AT daarover. Het vervolgens door beklaagde opgemaakte rapport is aan klager gestuurd en zijn raadsman heeft daarop (vgl. 2.5 t/m 2.9) kunnen reageren. Dat beklaagde (de raadsman van) klager niet gevolgd heeft in diens kritiek maakt niet dat er geen voldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden of dat de rapportage ondeugdelijk is.
3.9 Het college komt, afrondend, tot het oordeel dat de gronden van het hoger beroep vergeefs zijn voorgedragen.
Beslissing
Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:
– verklaart klager in zijn beroep tegen de opgelegde maatregel niet-ontvankelijk;
– verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege bij vervroeging op 20 april 2018 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren P. van Kesteren en A. L. van Summeren, leden.
Mr. J.W. van Rijkom