Uitspraak CAT 20 augustus 2014

Uitspraak CAT 20 augustus 2014

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van
klager tegen de registerarbeidsdeskundige, verder te noemen beklaagde.

Procesverloop

Bij brief van 19 mei 2014 heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van 7 mei 2014, gegeven tussen klager en beklaagde. Voor het procesverloop bij het  Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (hierna: AT) verwijst het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, hierna te noemen “het CAT” naar hetgeen in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop’.  
Klager heeft het door hem verschuldigde bedrag ad € 100,- terzake van administratiekosten tijdig betaald.

Beklaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 16 juli 2014.

De overwegingen

1. Uit het beroepschrift en de ter zitting gegeven toelichting door klager begrijpt het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat de klachten neerkomen op het volgende.
2. Beklaagde heeft haar rol als adviseur niet binnen de daarvoor geldende grenzen vervuld in het gesprek op 16 juli 2013. Zij had zich moeten onthouden van het uiten van haar mening dat klager in haar visie 100% arbeidsproductief was. Dat geldt te meer nu in het plan van aanpak was vastgelegd, dat de werkplek moest worden aangepast, terwijl dat op 16 juli 2013 nog niet was gebeurd. Van een arbeidsdeskundige mag worden verwacht dat zij zich daarover een eigen mening vormt en niet vaart op het kompas van de werkgever. Zij is gehouden het oordeel van de arts te volgen. Zij heeft volgehouden, dat klager 100% arbeidsproductief was in het gesprek van 16 juli 2013 terwijl geen sprake was van het aanpassen van de werkplek.
3. Voorts ontkent klager dat beklaagde tijdens de SMT-bijeenkomsten steeds zou hebben gevraagd naar de voortgang en aangedrongen zou hebben op het onderzoek door bureau X.
4. Beklaagde heeft zich verweerd met de stelling, dat zij inderdaad niet beslist of iemand hersteld is of niet en zij zich niet over enig percentage heeft uitgelaten wat de inzetbaarheid betreft. Zij heeft met klager een gesprek gevoerd over zijn arbeidsinzet, maar dit gesprek ging klager uit de weg. Van een SMT-gesprek wordt geen verslag gemaakt.
5. Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft ter zitting gevraagd naar de basis waarop beklaagde haar werkzaamheden heeft verricht. Zij blijkt te zijn ingehuurd volgens een eigen regie model, waarbij zij als coach en als adviseur is opgetreden. Het ging erom dat zij klager duidelijk zou maken hoe het traject eruit moest zien en zij had geen primaire taak om toe te zien op het uitvoeren van het plan van aanpak. Tegen die achtergrond hoorde het niet tot haar taak om te rappelleren over de voortgang met betrekking tot het werkplekonderzoek.

Zij heeft tijdens de vergadering van het SMT wel geïnformeerd naar de voortgang omdat zij dat nodig vond. Vaststaat, dat klager niet aanwezig is geweest bij enig gesprek van het SMT, dat iedere zes weken bij elkaar kwam. Klager heeft  zijn stelling dat beklaagde in dat verband ten onrechte de werkplek niet aan de orde heeft gesteld niet onderbouwd. Onduidelijk is gebleven waarop klager deze stelling heeft gebaseerd, zodat dit klachtonderdeel faalt.
6. Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft ter zitting klager gevraagd naar de inzetbaarheid in tijd van klager in het werkproces. Klager heeft aangevoerd dat hij een aanstelling had om 22 uren te werken. Hij heeft feitelijk tot april 2013 zijn werkzaamheden volledig (22 uren) vervuld en is vanaf begin april 2013 voor ongeveer 11 tot 12 uren gaan werken. Omdat hij dat niet kon volhouden is hij vanaf juli 2013 5 à 6 uren gaan werken. Hij heeft dat besproken met zijn leidinggevende, die daarmee akkoord was. Sedert september 2013 heeft hij gedurende ongeveer drie maanden 22 uren gewerkt waarna hij om andere redenen (operatie) is uitgevallen tot op de dag van de behandeling van de klacht bij het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Waar in de stukken gesproken wordt over 100% arbeidsproductief begrijpt het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat daarmee bedoeld wordt voornoemde 22 uren. Ter zitting heeft klager aangegeven dat hij bij zijn uitval begin juli 2013 onbetaald verlof heeft genomen. Hij heeft niet kunnen verklaren waarom hij zich voor die uren niet (aanvullend) ziek heeft gemeld.
7. Beklaagde heeft ter zitting verklaard, dat zij voorafgaand aan het gesprek op 16 juli 2013 met de leidinggevende heeft gesproken en dat hij tegen haar gezegd heeft dat klager voor 100 % arbeidsproductief was hetgeen zij aan klager op dat gesprek heeft voorgehouden. De leidinggevende, die bij dat gesprek aanwezig was, heeft niet gereageerd. Klager is vervolgens boos geworden en is uit het gesprek gelopen.
8. Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt vast, dat kennelijk sprake is geweest van een communicatiestoornis, niet alleen tussen de leidinggevende en beklaagde, voorafgaand aan het gesprek maar ook vervolgens tussen alle aanwezigen bij het gesprek. Het aan de orde stellen van de vermeende omvang van de arbeidsproductiviteit in een driegesprek kan beklaagde niet worden verweten en evenmin het daarbij, gelet op het vorenstaande, gerezen misverstand. Dit brengt mee, dat ook dit klachtonderdeel faalt.
9. Tenslotte verwijt klager aan beklaagde, dat zij klager niet meer heeft benaderd voor een vervolggesprek. Beklaagde heeft aangegeven dat dat in haar voornemen lag, maar op het bedrijf sprake was van een hectische periode en het er niet van is gekomen. Beklaagde heeft al eerder aangegeven dat zij betreurt, dat zij dat niet heeft opgepakt en het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege is van oordeel dat dit nalaten van beklaagde niet zodanig is dat sprake is van klachtwaardig handelen. Daarmee faalt ook het derde en laatste klachtonderdeel.
10. De slotsom is derhalve dat de klacht terecht ongegrond is geoordeeld en het beroep derhalve eveneens ongegrond is.

Beslissing

Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 20 augustus 2014 door
mr. L.F.A. Husson, voorzitter en de heren L. Janssen en P. van Kesteren, leden.

Voor dezen:
 
L.F.A. Husson