Uitspraak CAT 26 mei 2017

Uitspraak CAT 26 mei 2017

Dossier 17-12 CAT
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van klaagster,
gemachtigde: mr. A.L.M. Simons, advocaat te Gulpen,
verweerster in hoger beroep,

tegen

beklaagde,
gemachtigde: mr. S.M.C. Verheyden, advocaat te Arnhem,
appellant in hoger beroep.

Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift van 22 januari 2017 heeft beklaagde tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van 22 december 2016 met zaaknummer 16-27/AT, gegeven tussen klaagster en beklaagde. Voor het procesverloop bij het  Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar hetgeen in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop’. 

1.2 Klaagster heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 14 maart 2017.

1.3 Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft beklaagde bij e-mail van 11 april 2017 nog een productie aangekondigd, doch deze is door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet ontvangen.

1.4 Op 14 april 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster, ter zitting bijgestaan door mr. B. Augustin, kantoorgenoot van mr. Simons, en beklaagde, bijgestaan door mr. Verheyden, hebben het woord gevoerd, mr. Verheyden aan de hand van pleitaantekeningen.

1.5 Ten slotte is uitspraak bepaald.

De feiten

2.1 Voor de feiten gaat het college uit van hetgeen door het Arbeidsdeskundig Tucht­college onder ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak is vermeld. Voor zover het beroep ook tegen die feitenvaststelling is gericht faalt het beroep gelet op wat hierna in 4.1 wordt overwogen. Het gaat daarbij om het volgende.

2.2 Klaagster, zelfstandig kapster, heeft een beroep gedaan op haar particuliere arbeids­ongeschiktheidsverzekering gesloten met “Schadeverzekering” (hierna: verzekeraar).

2.3 Bij e-mail van 6 maart 2014 heeft verzekeraar aan de toenmalige werkgever van beklaagde opdracht verstrekt “(…) een ’traject psychische klachten’ te doen ten behoeve van (klaagster). (…) Gezien het recidiverende karakter in deze zaak vragen wij u deze zaak te laten behandelen door (beklaagde).”

2.4 Beklaagde heeft in de periode maart 2014 – december 2014 regelmatig thuisbezoeken aan klaagster gebracht en gesprekken met haar gehad. Beklaagde heeft daarvan rapporten gemaakt en aan verzekeraar verzonden.

2.5 Bij e-mail van 10 oktober 2014 deelde beklaagde het volgende mee aan verzekeraar: “Vooruitlopend op mijn rapport wil ik (het college leest: u) graag vast in kennis stellen van de wijziging in mate van arbeidsongeschiktheid. Mijn rapport volgt zo spoedig mogelijk.

Op basis van het verhaal van verzekerde en het aantal uren dat zij gaat werken adviseer ik u een arbeidsongeschiktheid te hanteren vanaf:

– 1 november 2014 van 30%

– 15 november voor minder dan 25%.

(…)”

2.6 Een laatste bezoek aan klaagster vond plaats op 11 november 2014. Aansluitend rapporteerde beklaagde aan verzekeraar dat het afbouwschema vermeld in zijn e-mail van 10 oktober 2014 blijft gehandhaafd, dat dit bezoek het laatste was en hij zijn dossier sluit.

Overwegingen

3.1 In zijn uitspraak waarvan beroep heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, zakelijk weergegeven, overwogen dat klaagster erover klaagt dat beklaagde zich in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige (i) ten onrechte heeft voorgedaan als ‘psycholoog en seksuoloog/relatie­therapeut’; (ii) zijn professionele standaard heeft veronachtzaamd door het aangaan van een seksuele relatie met klaagster en aldus heeft gehandeld in strijd met de Gedragscode resp. gedragsregels voor arbeidsdeskundigen; (iii) hij daardoor het vertrouwen van klaagster op oneigenlijke gronden heeft weten te winnen, haar (vertrouwen) heeft misbruikt en haar extra psychische schade berokkend. Beklaagde heeft herstel van klaagster en haar re-integratie alsmede een verbetering van de relatie tussen klaagster en haar partner alleen maar achterop geholpen; (iv) klaagster op onvoldoende gemotiveerde gronden ‘volledig arbeidsgeschikt’ (minder dan 25% AO) heeft verklaard bij rapportages van 10 oktober en 12 november 2014 aan verzekeraar; (v) in zijn rapportages aan verzekeraar onjuiste mededelingen en een onjuiste weergave van bevindingen en inspanningen heeft gedaan en de verzekeraar heeft misleid door valse voorlichting; (vi) klaagster niet deelachtig heeft gemaakt van zijn bevindingen, mate van re-integratie en arbeidsgeschiktheidsmelding aan verzekeraar.

Over de weergave van de klachten door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, de wijze waarop het de klachten (ii) en (iii) heeft verstaan en deze gezamenlijk heeft behandeld is in hoger beroep door beklaagde niet geklaagd.

3.2 Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft de klachten (i) en (v) ongegrond en de klachten (ii), (iii), (iv) en (vi) gegrond geoordeeld. Ter zake van dit laatste is aan beklaagde de maatregel van doorhaling in het register opgelegd, met bepaling dat beklaagde zich niet opnieuw kan inschrijven in het register. Naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege is aannemelijk geworden dat beklaagde bij zijn handelen als arbeidsdeskundige ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en onvoldoende professionele distantie heeft betracht door andere, zelfs intieme en seksuele contacten met klaagster aan te gaan.

Aldus heeft beklaagde ernstig in strijd gehandeld met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode. Ten aanzien van klacht (iv) heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, toetsend aan artikel 3 van Gedragscode, geoordeeld dat aan conclusie van de rapportage van 10 oktober 2014 een inzichtelijke en consistente onderbouwing ontbreekt en dat hetzelfde geldt voor de afsluitende rapportage op 12 november 2014. Klacht (vi) is eveneens gegrond geoordeeld nu beklaagde (samengevat) niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht heeft genomen.

3.3 Het beroep keert zich tegen de gegrondverklaring van de klachten (ii), (iii), (iv) en (vi). Beklaagde verzoekt het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de uitspraak van het Tuchtcollege te herzien en te vernietigen.

Het college stelt vast dat door klaagster harerzijds geen beroep is ingesteld tegen de beslissingen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klachten (i) en (v). Deze klachten behoeven dus geen behandeling in hoger beroep.

4.1 Voor zover beklaagde met betrekking tot de door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege vastgestelde feiten aanvoert dat hem niets bekend was van het recidiverend karakter van de klachten van klaagster en dat “het geen behandeling (betreft) maar een begeleiding naar het eigen werk” gaat het college daaraan voorbij. Voor de eerste klacht geldt dat deze zich niet verdraagt met de in 2.3 geciteerde e-mail van de verzekeraar waarin deze reeds bij de opdracht wijst op “het recidiverende karakter in deze zaak.” Het tweede punt laat zich zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpen. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege refereert kennelijk aan de hiervoor bedoeld opdracht van verzekeraar waarin wordt gevraagd “deze zaak te laten behandelen door beklaagde.” Het spreekt naar het oordeel van het college voor zich dat, in aanmerking genomen de achtergrond van de opdracht en de taak van een arbeidsdeskundige, “behandeling van de zaak” begeleiding naar het eigen werk omvat.

4.2.1 Ook het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege ziet aanleiding de klachten (ii) en (iii) van klaagster gezamenlijk te behandelen. Daarbij stelt het college het volgende voorop.

a. Voor zover beklaagde in zijn beroepschrift en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling grieft over (de persoon van) de Arbeidsdeskundig Ombudsman en de bemiddelingsprocedure voorafgaande aan de behandeling van de klachten van klaagster door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege gaat dat de grenzen van onderhavige beroepsprocedure, die immers het door klaagster gewraakte handelen van beklaagde betreft, te buiten. Voor zover voor onderhavige procedure relevant, zal het college daaraan wèl aandacht besteden.

b. Het verweer van beklaagde dat met het verslag van de Arbeidsdeskundig Ombudsman aan het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (het college begrijpt: de verklaring van de Ombudsman van 29 juli 2016, hierna: de getuigenverklaring) artikel 5.2 van het Tuchtreglement SRA – dat inhoudt dat de Arbeidsdeskundig Ombudsman zich niet (schriftelijk) uitlaat over de klacht – wordt overschreden, is in zoverre gegrond dat voor zover in die getuigenverklaring op onderdelen een inhoudelijk oordeel over de klacht wordt gegeven, dat inderdaad in strijd met artikel 5.2 van het Tuchtreglement SRA is. Het college zal in zoverre geen acht slaan op de getuigenverklaring.

c. Er kan geen twijfel over zijn dat het in hoedanigheid van arbeidsdeskundige aanknopen van een relatie met een cliënt als door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege aannemelijk geacht (zie nr. 3.2) als grens­overschrijdend en getuigend van onvoldoende professionele distantie dient te worden aangemerkt. Het college deelt ook het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat dergelijk handelen kwalificeert als strijdig met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode. De vraag is evenwel of daarvan sprake is.

4.2.2 Het beroepschrift van beklaagde en de pleitnota van zijn raadsman komen er in de kern op neer dat beklaagde het aan de klachten (ii) en (iii) ten grondslag gelegde handelen – samengevat: het aangaan van een seksuele relatie met een cliënt in de zin van artikel 1 van het Tuchtreglement SRA, incl. de uitwisseling per telefoon en/of e-mail van (een) erotisch getint(e) gesprek(ken), filmpje(s), foto(‘s) en bericht(en) – ontkent. Volgens beklaagde heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege ten onrechte, op basis van de getuigen­verklaring van de Arbeidsdeskundig Ombudsman, zonder (verder) bewijs aannemelijk geoordeeld dat beklaagde bij zijn handelen als arbeidsdeskundige ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en onvoldoende professionele distantie heeft betracht door andere, zelfs intieme en seksuele contacten met klaagster aan te gaan.

4.2.3 Het college stelt vast dat met betrekking tot de klachten (ii) en (iii) zijdens klaagster een beroep is gedaan op “forensisch onderzoek door Fox IT op de iPhone van klaagster” (inleidend klaagschrift) waar “een massale hoeveelheid data uit naar voren (is) gekomen” (repliek) waarvan een selectie is overgelegd in het kader van de klachtprocedure. Klaagster heeft evenwel ook vermeld dat uit dat onderzoek geen metadata ter zake gegevens over de afzender of ontvanger naar voren zijn gekomen en door klaagster is geen rapport van foren­sisch onderzoek door Fox IT of een andere gespecialiseerde onderzoeker overgelegd. Desgevraagd door het college ter zitting kon de raadsman van klaagster niet aangeven waarom een dergelijk rapport niet is overgelegd. Technisch is dus onvoldoende komen vast te staan dat het in 4.2.2 genoemde materiaal van (de telefoon van) beklaagde afkomstig is.

4.2.4 Klaagster stelt weliswaar “Ik heb geen andere kennissen die mij zulk materiaal toezenden” doch dat is, bij de ontkenning door beklaagde, onvoldoende. Aan klaagster kan toegegeven worden dat het heel toevallig is dat voorafgaande aan de geplande afspraak op 11 november 2014 op een afspraak op die datum duidende berichtjes tussen klaagster en een derde zijn uitgewisseld wederzijds afgesloten met “XXX” hetgeen, naar van algemene bekendheid is, staat voor “kussen.” Maar die enkele toevalligheid levert onvoldoende bewijs op van het aan beklaagde gemaakte verwijt. Dat, zoals het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege overweegt, zeker niet is uitgesloten dat (a.) het e-mailadres @hotmail.nl van gedaagde is (was) en (b.) de toegestuurde tekening “ik ben .., wie ben jij” de WhatsApp-profielfoto van beklaagde was, draagt evenmin aan het bewijs bij. Het zijn in die zin geen “feiten” die, zoals het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege overweegt, de aannemelijkheid van de grensoverschrijdende contacten bevestigen. Beklaagde ontkent dat genoemd e-mailadres van hem is geweest en dat de tekening zijn profielfoto was; bewijs dat dat anders is ontbreekt. Daarmee vervalt ook de klacht dat het beklaagde was die “iets over yoni massage” stuurde.

4.2.5 Ten aanzien van de getuigenverklaring van de Arbeidsdeskundig Ombudsman overweegt het college dat daaruit valt af te leiden dat de Ombudsman in een gesprek onder vier ogen met beklaagde sturend is opgetreden: “(…), jij hebt dat gedaan, hè?” is een gesloten vraag waarbij zelfs niet duidelijk is wat met “dat” precies werd bedoeld.

De volgens de getuigenverklaring volgende reactie van beklaagde “(…), dat kan ik daar toch niet zo naar voren brengen (…).” is vervolgens eveneens niet zonder meer duidelijk, nog daargelaten dat beklaagde ontkent deze uitlating gedaan te hebben. Volgens beklaagde heeft hij gezegd dat hij niet gaat bekennen wat hij niet heeft gedaan. Beklaagde erkent dat hij in het vervolg van het gesprek met klaagster en de Arbeidsdeskundig Ombudsman zijn excuus heeft aangeboden, maar onduidelijk is gebleven ten aanzien waarvan dat dan precies is geweest. Ook overigens levert de verklaring van de Arbeidsdeskundig Ombudsman niet de voor een gegrondverklaring van de klachtonderdelen benodigde onderbouwing op.

4.2.6 De conclusie van het voorgaande is dat het aan de klachten (ii) en (iii) ten grondslag gelegde handelen niet voldoende aannemelijk is geworden. Het hoger beroep van beklaagde ten aanzien van deze klachten is gegrond.

4.3.1 Voor wat betreft het hoger beroep tegen de gegrondverklaring van de klachten (iv) en (vi) stelt het college voorop dat beklaagde in hoger beroep – terecht – niet heeft gegriefd over het uitgangspunt van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat een arbeidsdeskundige er op bedacht dient te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn.

Artikel 3 van de Gedragscode, “Eisen aan rapportages” luidt als volgt:

“Indien en voor zover de arbeidsdeskundige ter uitvoering van zijn werkzaamheden een rapport uitbrengt, dan dient dat te voldoen aan de navolgende vereisten:

a. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt;

b. De in de uiteenzetting genoemde gronden vinden op hun beurt aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen die in het rapport zijn vermeld;

c. De bedoelde gronden dienen de daaruit getrokken conclusies te rechtvaardigen.

(…)”

4.3.2 Volgens het beroepschrift van beklaagde heeft hij “een mail gestuurd vooruitlopend op mijn rapport,” naar het college begrijpt de in 2.5 geciteerde e-mail. Ter zitting van het college heeft (de raadsman namens) beklaagde evenwel erkend dat het rapport waarnaar de e-mail verwijst er niet is. Dat betekent dat de veronderstelling van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat dat rapport door beklaagde niet is opgesteld juist is.

Het college stelt voorts vast dat beklaagde niet heeft betwist dat in zijn rapporten van 10 oktober 2014 en 12 november 2014 verifieerbare (actuele) feiten, omstandigheden en bevindingen die de wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid steunen ontbreken. Het in de pleitnota ingenomen standpunt dat de “in de e-mails van oktober en november 2014 genoemde percentages correspondeerden met de volgens [klaagster] feitelijk gewerkte uren” is wat dat betreft illustratief: waar een weergave van die volgens klaagster feitelijk gewerkte uren en verrichte werkzaamheden ontbreekt, zijn de genoemde arbeidsongeschiktheidspercentages niet (door derden) te verifiëren. De mail van 10 oktober 2014 houdt immers slechts in:

“Op basis van het verhaal van verzekerde en het aantal uren dat zij gaat werken adviseer ik u een arbeidsongeschiktheid te hanteren vanaf:

– 1 november 2014 van 30%

– 15 november voor minder dan 25%.

Wat dat “verhaal van verzekerde” inhield en hoe realistisch beklaagde als arbeidsdeskundige “het aantal uren dat zij gaat werken” inschatte ontbreekt geheel. Zulks klemt te meer in aanmerking genomen de door beklaagde gestelde aard van de ziekte van klaagster, borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarmee voldoet het rapport niet aan eisen van artikel 3 onder a. en b. van de Gedragscode en in het verlengde daarvan ook niet aan artikel 3 sub c.

4.3.3 Het rapport van 12 november 2014 maakt het voorgaande niet beter, in tegendeel. Het rapport munt uit in niet-verifieerbare en niet kwantificeerbare algemeenheden. Het rapport geeft er, evenals het rapport van 10 oktober 2014, bovendien geen blijk van dat het klaagster duidelijk was dat “het afgesproken afbouwschema” zou leiden tot beëindiging van haar recht op uitkering onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De voor die duidelijkheid wenselijke verstrekking van (concept-)rapportages aan de betrokkene heeft, naar het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onbetwist heeft overwogen, niet plaatsgevonden.

4.3.4 Beklaagde heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat dit laatste geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert nu er geen voorschrift is dat daartoe verplicht, de rapporten opgevraagd kunnen worden bij de verzekeraar en, ten slotte, dat klaagster daarvan geen nadeel heeft ondervonden.

Naar het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in aanmerking neemt kent de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen op dit moment geen algemene verplichting om een rapport eerst in concept of definitieve vorm aan een betrokkene te zenden; in zoverre mist het betoog van beklaagde feitelijke grondslag. Het college deelt evenwel het oordeel van het Arbeids­deskundig Tuchtcollege dat in de door hem in aanmerking genomen omstandigheden van dit geval – die beklaagde niet heeft betwist – beklaagde niet kon volstaan met enkel de vraag aan klaagster of zij het eens is met de voorgenomen rapportage. Beklaagde had als goed arbeidsdeskundige zich ervan dienen te vergewissen dat het klaagster duidelijk was wat de rapporten van 10 oktober 2014 en 12 november 2014 inhielden en waartoe die zouden leiden, met name door aan haar in aansluiting op de bezoeken concept-rapporten te doen toekomen en haar (eventuele) reactie daarop te verwerken in de definitieve rapportage. Dat nagalaten zijnde heeft beklaagde, naar het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege terecht heeft overwogen, gehandeld in strijd met (de algemene toetsnorm van) artikel 1 van de Gedragscode, alsmede met artikel 2 lid 1 daarvan.

Dat klaagster geen nadeel heeft ondervonden van de gang van zaken laat zich zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet begrijpen. De rapporten van 10 oktober 2014 en 12 november 2014 (gezamenlijk) leidden volgens beklaagde tot een arbeidsongeschiktheids­percentage <25 en – dus – tot het vervallen van het recht op uitkering onder de polis. Dat verzekeraar zich niet op deze (in 4.3.2 en 4.3.3 ondeugdelijk bevonden) rapporten heeft gebaseerd voor haar oordeel over het recht op uitkering is gesteld noch gebleken. Het onttrekt zich aan de waarneming door het college of klaagster (vervolgens) door verzekeraar in de gelegenheid is gesteld haar reactie te geven.

4.3.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen de gegrondverklaring van de klachten (iv) en (vi) faalt.

5.1 Nu het beroep van beklaagde slaagt met betrekking tot de gegrondverklaring door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van de klachten (ii) en (iii) en faalt ten aanzien van de klachten (iv) en (vi) komt het college tot herziening van de door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege opgelegde maatregel van doorhaling in het register, met bepaling dat beklaagde zich niet opnieuw kan inschrijven.

5.2 Het is het college ambtshalve bekend dat aan beklaagde door de toenmalige Raad van Toezicht reeds eerder de maatregel van berisping werd opgelegd, met de overweging dat “beklaagde er ook tijdens de hoorzitting van de Raad (…) overduidelijk blijk van heeft gegeven niet in te zien dat hij bij het opstellen van zijn rapportage onjuist en laakbaar heeft gehandeld (…).” Eenzelfde houding heeft beklaagde in onderhavige tuchtzaak dienaangaande geëtaleerd, zowel in de schriftelijke fase als ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het college. Uit hetgeen in 4.3.1 t/m 4.3.5 is overwogen volgt dat de kwaliteit van de rapporten van beklaagde tekortschiet en hij de zorg van een goed arbeidsdeskundige niet in acht heeft genomen. Gelet op artikel 22 van het Tuchtreglement SRA kan bij deze stand van zaken naar het oordeel van het college niet worden volstaan met een andere, met name lichtere, maatregel dan onder de beslissing weergegeven.

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

– verklaart het beroep gegrond ten aanzien van de klachten (ii) en (iii);

– verklaart het beroep ongegrond ten aanzien van de klachten (iv) en (vi);

– legt aan beklaagde op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van 1 jaar;

– verstaat dat deze maatregel niet tenuitvoergelegd wordt indien beklaagde zich gedurende een termijn van twee jaren niet schuldig maakt aan overtreding van artikel 3 van de Gedragscode, noch aan een andere ernstige gedraging;

– bepaalt dat deze termijn in werking treedt de dag nadat (de raadsman van) beklaagde in kennis is gesteld van deze uitspraak.

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 26 mei 2017 door

mr. J.W. van Rijkom, voorzitter en de heren L. Janssen en P. van Kesteren, leden.