Uitspraak CAT van 10 juli 2020 (zaaknummer: 20/18 CAT)
Uitspraak
CAT van 10 juli 2020 (zaaknummer: 20-18 CAT)
Trefwoorden
Deskundigenbericht. Conceptrapport. Hoor en wederhoor. Grenzen van deskundigheid.
Artikelen Gedragscode SRA
Artikel 1, 3
Samenvatting
Klager verwijt beklaagde dat zijn deskundigenbericht onzorgvuldig is. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat een onaangename uitkomst van het deskundigenonderzoek nog niet maakt dat het deskundigenbericht niet voldoet aan de eisen waaraan arbeidsdeskundige rapportages dienen te voldoen volgens artikel 3 van de Gedragscode SRA. Uit het deskundigenbericht blijkt dat klager ruimschoots in de gelegenheid is geweest te participeren in het deskundigenonderzoek, hij heeft stukken kunnen overleggen en hij heeft uitvoerig gereageerd op het concept-rapport. Deze handelwijze is volgens het Centraal Tuchtcollege geheel in overeenstemming met de zorg die een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden in acht dient te nemen (vgl. artikel 1 van de Gedragscode SRA). Ten onrechte verwijt klager beklaagde voorts dat beklaagde de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt heeft genomen. Beklaagde diende juist conform de opdracht van de rechtbank, de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt te nemen. Het verwijt dat beklaagde zijn persoonlijke mening teveel in de rapportage heeft laten doorschemeren miskent dat een deskundigenbericht van een door de rechtbank benoemde deskundige het gevoelen van die deskundige behelst over wat zijn wetenschap hem leert over datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep ongegrond.
Uitspraak CAT 10 juli 2020
Zaaknummer 20-18 CAT
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van
klager,
klager in hoger beroep,
tegen
beklaagde,
verweerder in hoger beroep,
gemachtigde: mr. P.M. Leerink te Deventer.
Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift met bijlagen van 17 januari 2020, aangevuld bij e-mail van 20 januari 2020, heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 9 december 2019 met zaaknummer 19-52/AT, gegeven tussen klager en beklaagde. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’
1.2 Beklaagde heeft op 17 februari 2020 zijn verweerschrift ingediend.
1.3 Na aanhouding heeft de mondelinge behandeling op 12 juni 2020 plaatsgevonden. Klager en zijn echtgenote hebben het woord gevoerd, alsmede beklaagde, bijgestaan door zijn raadsman. Klager heeft pleitaantekeningen overgelegd.
1.4 Ten slotte is uitspraak bepaald.
De feiten
2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld, nu daartegen in beroep geen grieven zijn gericht. Het gaat daarbij om het volgende.
2.2 Klager is betrokken (geweest) bij een langlopende letselschade-procedure die voortkomt uit een ongeval op 7 juli 2001 waarvan klager slachtoffer is.
2.3 In het kader van deze procedure heeft de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 2 april 2015, gecorrigeerd op 13 mei 2015, verzekeringsarts X en arbeidsdeskundige mevrouw Y (hierna: de eerste deskundige) tot deskundigen benoemd teneinde vragen te beantwoorden over, kort gezegd, de medische beperkingen, de belastbaarheid en de inzetbaarheid van klager.
2.4 In dat verband heeft de eerste deskundige op 22 september 2016 en 16 november 2016 gesproken met klager. Concept-verslagen van deze gesprekken zijn aan klager voorgelegd. Klager heeft op beide concepten gereageerd met opmerkingen, correcties en aanvullingen welke door de eerste deskundige in de verslagen zijn verwerkt.
2.5 Vanwege persoonlijke omstandigheden heeft de eerste deskundige haar werkzaamheden als deskundige moeten beëindigen, waarna beklaagde aan partijen en de rechtbank heeft aangeboden het onderzoek van de eerste deskundige over te nemen. Na akkoord van partijen, heeft de rechtbank beklaagde op 15 februari 2017 benoemd tot deskundige.
2.6 Op 4 oktober 2017 heeft beklaagde een gesprek gehad met klager. Op 5 oktober 2017 is door beklaagde een concept-verslag van dit gesprek aan klager ter aanvulling en/of correctie toegezonden. Op 17 oktober 2017 heeft klager gereageerd en nadere informatie aan beklaagde toegezonden.
2.7 Het concept-deskundigenbericht is door beklaagde op 22 december 2017 aan de advocaten van partijen (waaronder klager) toegezonden met het verzoek om voor 19 januari 2018 op het concept te reageren.
Na een door beklaagde aan de advocaat van klager verleend uitstel, is door klager op 29 maart 2018 met een uitvoerige reactie op het concept-deskundigenbericht gereageerd.
2.8 Op 13 april 2018 is door beklaagde het definitieve deskundigenbericht aan de rechtbank toegezonden. In paragraaf 9 (hoor en wederhoor) van het deskundigenbericht is door beklaagde ingegaan op het commentaar van partijen (inclusief klager) op het concept-deskundigenbericht. Het commentaar van partijen is door beklaagde ook aan het definitieve deskundigenbericht toegevoegd.
2.9 Beklaagde is op 30 november 2018 door klager verzocht om aan te geven bij welke organisatie hij een klacht tegen de eerste deskundige en beklaagde kan indienen. Op 3 december 2018 heeft beklaagde aan klager laten weten, dat de eerste deskundige inmiddels met pensioen is, en klager zijn klacht kan indienen bij het secretariaat van de SRA.
2.10 Er is geen definitief rechterlijk oordeel over (de gevolgen voor klager van) het in 2.2 bedoelde ongeval geveld. Klager heeft in een mediation met de aansprakelijkheidsverzekeraar een schikking bereikt.
Overwegingen
3.1 Volgens de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT), waarvan beroep, verwijt klager beklaagde – kort samengevat – dat zijn rapport (hierna: het deskundigenbericht) onzorgvuldig is doordat:
a. het deskundigenbericht diverse foutieve en niet geverifieerde weergaven en aannames bevat (m.n. over de functie en het functioneren van klager) waardoor zijn waardigheid is aangetast;
b. er door beklaagde onvoldoende is gedaan met het uitvoerige commentaar van klager op het concept- deskundigenbericht van beklaagde (onvoldoende hoor en wederhoor);
c. er door beklaagde niets is gedaan met het commentaar van klager op de rapportage van de verzekeringsarts die ten grondslag ligt aan het deskundigenbericht van beklaagde;
d. niet alle door de rechtbank gestelde vragen door beklaagde zijn beantwoord;
e. het deskundigenbericht een sterk subjectieve en negatieve ondertoon bevat.
3.2. Verder klaagt klager erover dat er op het kantoor van beklaagde geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en hij, ten tijde van verzending van het deskundigenbericht aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.
3.3 Het AT heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klachten ongegrond geoordeeld. Het AT overwoog daartoe, samengevat, als volgt.
(6.4 ad a.) beklaagde heeft in zijn deskundigenbericht informatie uit diverse bronnen objectief en onafhankelijk weergegeven en op basis daarvan is hij tot de conclusie gekomen dat het beeld niet eenduidig is. Dat klager daar een andere mening over heeft maakt niet dat beklaagde niet overeenkomstig de Gedragscode SRA heeft gehandeld. Beklaagde heeft informatie niet klakkeloos overgenomen, maar deze verzameld, weergegeven en gewogen. Daarbij dient naar het oordeel van het Tuchtcollege ook rekening te worden gehouden met de lange periode die ten tijde van het onderzoek door beklaagde na het ongeval in 2001 reeds was verstreken en de informatie die op dat moment beschikbaar was.
(6.5 ad b.) Beklaagde heeft het principe van hoor en wederhoor op een goede wijze toegepast en op zorgvuldige wijze aandacht gegeven aan het uitvoerige commentaar van beklaagde op het concept-deskundigenbericht. Na overdracht van het dossier aan beklaagde heeft nog een gesprek met klager plaatsgevonden, daarvan is een concept-verslag aan klager toegezonden en beklaagde heeft zijn concept-deskundigenbericht aan partijen voorgelegd. Aan de reactie van klager (gevoegd bij het definitieve deskundigenbericht) is in het definitieve deskundigenbericht ruimschoots aandacht besteed. Het Tuchtcollege is van oordeel dat er voor beklaagde in redelijkheid geen aanleiding was om, naar aanleiding van het commentaar op het concept, nogmaals in gesprek te gaan met klager. Bovendien kan niet van beklaagde worden verlangd dat hij alle commentaar van klager overneemt. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verlangd dat hij objectief en onafhankelijk selecteert wat relevant is en bij de beoordeling inhoudelijk moet worden meegenomen. Dat heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege op een zorgvuldige wijze gedaan.
(6.6 ad c.) Van beklaagde wordt krachtens artikel 3 aanhef en lid 5 Gedragscode SRA, verlangd dat hij blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. De arbeidsdeskundige treedt niet in de medische beoordeling. Beklaagde kon en mocht dan ook niet treden in de vraag of de rapportage van verzekeringsarts en het commentaar van klager daarop juist is.
Beklaagde diende conform de opdracht van de rechtbank, de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt te nemen. Commentaar op de rapportage van de verzekeringsarts diende klager in de rechtbankprocedure aan de orde te stellen. Beklaagde kon en mocht daar niet op ingaan.
(6.7 ad d.) Alle door de rechtbank gestelde vragen zijn door beklaagde beantwoord. De vraag of de beantwoording door beklaagde genoegzaam, inhoudelijk juist en naar tevredenheid van partijen is, is niet aan het Tuchtcollege, maar onderwerp van de rechtbankprocedure.
(6.8 ad e.) Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat het definitieve deskundigenbericht een sterk subjectieve en negatieve ondertoon bevat. Weliswaar bevat het deskundigenbericht twee passages die door klager als negatief kunnen zijn ervaren en waarvoor door beklaagde ook excuses zijn aangeboden, maar dit is naar het oordeel van het Tuchtcollege, mede bezien in het geheel van de omvangrijke en deugdelijk onderbouwde rapportage, onvoldoende om te kunnen oordelen dat beklaagde het dossier onvoldoende objectief en onafhankelijk heeft behandeld en zich onzorgvuldig over klager heeft uitgelaten. Sterker nog, naar het oordeel van het Tuchtcollege siert het beklaagde juist dat hij zich, ook ter zitting, met veel geduld en respect jegens klager heeft opgesteld.
(ad. 3.2) Klager heeft niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt en onderbouwd, waar het bij de interne overdracht van het dossier aan beklaagde aan heeft geschort en welke stukken daarbij niet zijn overgedragen. Bovendien heeft klager in verband met het gesprek met beklaagde alle gelegenheid gekregen om eventueel nog ontbrekende stukken aan beklaagde toe te zenden. Het definitieve deskundigenbericht is door beklaagde volgens de daarvoor aangeven procedure aan de rechtbank toegezonden.
Dit is volgens het Tuchtcollege voldoende, ervan uitgaande dat de rechtbank het deskundigenbericht vervolgens weer heeft doorgezonden aan de advocaten van partijen (waaronder beklaagde) teneinde zich daarover en over het vervolg van de procedure bij de rechtbank uit te laten. Dat klager het deskundigenbericht blijkbaar niet van zijn advocaat heeft ontvangen, kan niet aan beklaagde worden verweten.
3.4 Het college stelt vast dat klager (terecht) geen grief richt tegen hetgeen het AT onder “5. De werkwijze van het Tuchtcollege” met verwijzing naar artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA voor zijn beoordeling van de klacht tot uitgangspunt heeft genomen.
Het bepaalde in artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA, inhoudend dat het AT de klacht toetst aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragscode van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie, is krachtens artikel 17.3 van het Tuchtreglement SRA op de procedure in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Gelijk het AT overwoog wordt ook door het CAT uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Blijkens het beroepschrift verliest klager deze uitgangspunten vervolgens bij herhaling uit het oog. Het college zal in zoverre geen acht slaan op het betoog van klager.
3.5.1 Klager geeft in een uitvoerig betoog (opnieuw) zijn visie op het deskundigenbericht van beklaagde. Voor zover klager daarin klaagt over het oordeel van het AT, stelt het college vast dat dat feitelijke grondslag mist. Want waar klager bijvoorbeeld constateert dat in de opsomming van de bronnen door het AT (de gesprekken met de eerste deskundige, informatie van de werkgever en eerdere rapportages) zijn eigen naam ontbreekt, kan niet volgehouden worden dat klager in het rapport niet voorkomt of aan hetgeen hij heeft ingebracht geen aandacht is geschonken. De gesprekken met de eerste deskundige immers waren gesprekken met klager (en zijn echtgenote), en op meerdere plaatsen in het rapport wordt gerefereerd aan de mededelingen van klager (“betrokkene vertelde mij dat … [6.2]” of “betrokkene geeft aan dat … [6.4]”) al dan niet uit eerdere rapportages opgetekend, zoals het rapport Van Gulden. Ook worden (6.6) door klager ter beschikking gestelde stukken in het rapport genoemd, verwerkt en als bijlage toegevoegd.
3.5.2 Dat beklaagde in zijn rapport er blijk van geeft (7.1) dat “het hem niet is gelukt om tot een eenduidige vaststelling van de functie en werkzaamheden van betrokkene te komen” moge een voor klager – m.n. gelet op de bewijsfunctie van een gerechtelijk deskundigenbericht – onaangename uitkomst van het deskundigenonderzoek zijn, daarmee is niet gegeven dat het deskundigenbericht niet voldoet aan de eisen waaraan arbeidsdeskundige rapportages dienen te voldoen volgens artikel 3 van de Gedragscode SRA zoals weergegeven in de uitspraak van het AT.
Daarmee heeft beklaagde niet, als aangevoerd door klager, de onduidelijkheid over de functie van betrokkene vergroot maar aangegeven voor welke moeilijkheden hij zich, meer dan 15 jaar na het ongeval benoemd als deskundige, geplaatst zag. En anders dan beklaagde kennelijk veronderstelt is het uiteindelijk (niet aan de benoemde deskundige maar) aan de rechtbank te beslissen, gehoord partijen bij conclusie na deskundigenbericht. Beklaagde heeft daarvoor aangedragen wat hij nog beschikbaar kreeg, waarbij het CAT vaststelt dat (zelfs) klager niet alle beschikbare informatie heeft overhandigd. Immers maakt het deskundigenbericht van beklaagde er melding van dat klager, door beklaagde gevraagd naar stukken van het UWV, slechts één pagina van een arbeidsdeskundig rapport heeft overgelegd.
3.5.3 Het functioneren van klager was op zichzelf irrelevant, beklaagde had opmerkingen in dat kader beter achterwege kunnen laten. Nu de klacht daarop geen betrekking heeft zal het college daaraan verder voorbijgaan.
3.5.4 Klager stelt in het kader van de behandeling van de klacht door de Ombudsman nog “extra informatie te hebben verschaft.” Deze extra informatie, naar het CAT begrijpt de brief van de ex-werkgeefster van 17 januari 2001, heeft beklaagde uiteraard niet bij zijn deskundigenonderzoek in aanmerking kunnen nemen.
3.6.1 Voor zover klager er ook in hoger beroep over klaagt dat beklaagde is tekortgeschoten in de toepassing van hoor en wederhoor, mist het betoog feitelijke grond. Uit het deskundigenbericht blijkt, als hiervoor reeds aangehaald en ook door het AT in aanmerking is genomen, dat klager ruimschoots in de gelegenheid is geweest te participeren in het deskundigenonderzoek, hij heeft stukken kunnen overleggen en hij heeft uitvoerig gereageerd op het concept-rapport. Een en ander is geheel in overeenstemming met de zorg die een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden in acht dient te nemen (vgl. artikel 1 van de Gedragscode SRA). Klager verliest bovendien uit het oog dat beklaagde overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor beide partijen gelijkwaardig moet behandelen in hun mogelijkheden om met hem te communiceren, aldus de Leidraad deskundigen in civiele zaken, nr. 5.2 (sub 19).
Dat beklaagde klager niet in al zijn op- en aanmerkingen heeft gevolgd doet daaraan niet af, beklaagde heeft uitvoerig gerespondeerd op de reactie van klager op het concept-deskundigenbericht, zoals het AT terecht overweegt.
3.6.2 Dat beklaagde klager slechts op zíjn initiatief heeft gehoord is niet komen vast te staan, daargelaten of het relevant is. Beklaagde heeft gesteld dat hij het dossier nog aan het bestuderen was toen het verzoek van (de raadsman van) klager kwam te worden gehoord. Volgens beklaagde zou een gesprek met klager normaal gesproken onder het “nadere onderzoek” vallen, wat het college niet onaannemelijk voorkomt. De stelling dat klager “wel even de rapportage (wilde) opstellen met de informatie van zijn [gedefungeerde, toev. CAT] kantoorgenote” mist voldoende onderbouwing. De door klager overgelegde e-mail van 31 mei 2017 roept, eraan refererend dat “mijn collega [eerste deskundige] al twee maal gesproken heeft met [klager]”, licht de gedachte op dat beklaagde niet (meer) voornemens was klager te horen, maar het verweer dat het in die mail genoemde “nadere onderzoek” het horen van klager omvatte kan niet als ongeloofwaardig terzijde worden gesteld.
3.7 Klager keert zich eveneens ten onrechte tegen het oordeel van het AT (6.6 ad c) dat beklaagde conform de opdracht van de rechtbank, de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt diende te nemen. “[D]e verzekeringsarts” is in dit geval de door de rechtbank benoemde verzekeringsarts, waarmee beklaagde het in dit geval had te doen; het stond – anders dan klager meent – beklaagde niet vrij van eventuele andere verzekeringsgeneeskundige rapportages uit te gaan, zoals (een stukje uit) het rapport van de UWV-verzekeringsarts uit 2008. Evenmin mocht beklaagde ter zake van de vastgestelde beperkingen en/of belastbaarheid zijn eigen verzekeringsgeneeskundige afwegingen maken, beklaagde zou daarmee, naar het AT terecht in aanmerking neemt, de grenzen van zijn deskundigheid overschrijden.
3.8 Met het AT is het college van oordeel dat beklaagde op alle door de rechtbank gestelde vragen antwoord heeft gegeven; dat klager meent dat de waardering van zijn arbeidsgeschiktheid een andere had dienen te zijn maakt dat niet anders.
Desgevraagd heeft klager ter zitting van het college medegedeeld dat de rechtbank na het uitbrengen van het deskundigenbericht ook niet gevraagd heeft een of meer vragen alsnog te beantwoorden.
3.9 Met het AT is het college eveneens van oordeel dat de klacht dat het definitieve deskundigenbericht een sterk subjectieve en negatieve ondertoon bevat en de waardigheid van klager daardoor is aangetast, onvoldoende is onderbouwd. Die “ondertoon” klinkt in het deskundigenbericht niet door. Dat beklaagde, kennelijk in reactie op de op de persoon van beklaagde gerichte kritiek van klager, heeft gesteld dat klager “het met niets en niemand eens is” diskwalificeert niet het hele deskundigenbericht, hoewel de opmerking beter achterwege had kunnen blijven. Met het eerdere excuus van beklaagde is deze kwestie voldoende rechtgezet. Het verwijt dat beklaagde zijn persoonlijke mening teveel in de rapportage heeft laten doorschemeren miskent dat een deskundigenbericht van een door de rechtbank benoemde deskundige het gevoelen van die deskundige behelst over wat zijn wetenschap hem leert over datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen. Dat beklaagde díe grenzen heeft overschreden is gesteld noch gebleken.
3.10 Volgens klager heeft er geen goede overdracht tussen de eerste door de rechtbank benoemde deskundige en beklaagde plaatsgevonden, waarvoor beklaagde verwijst naar een e-mail van 28 oktober 2016 waarin de ontvangst van verschillende stukken door de eerste deskundige wordt bevestigd. Het college stelt vast dat als attachments bij de daaraan voorafgaande e-mails van dezelfde datum van (de echtgenote van) klager naast onder meer een aantal salarisstroken, de “Inkoop Styling Structuur Juni 1997” wordt genoemd, kennelijk het door klager bedoelde organogram. Het college stelt voorts vast dat in het definitieve deskundigenbericht van beklaagde meerdere in die bijlagen genoemde stukken, met name salarisstroken zijn opgesomd en verwerkt. Beklaagde heeft die (e-mails met) attachments dus van de eerste deskundige ontvangen. Dat geen goede overdracht aan beklaagde door de eerste deskundige heeft plaatsgevonden is daarmee niet komen vast te staan, daargelaten of een eventuele misser in de overdracht aan beklaagde toerekenbaar is.
3.11 De niet van enige onderbouwing of uitleg voorziene waardering van klager ten slotte dat één van de leden van het Tuchtcollege tijdens de zitting een houding van non-interesse aannam, laat het college aan klager.
3.12 De conclusie moet zijn dat alle gronden van het hoger beroep falen.
Beslissing
Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:
– verklaart het beroep ongegrond.
Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 10 juli 2020 door
mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren P. van Kesteren en A.L. van Summeren, leden.