Uitspraak CAT van 14 mei 2021 (zaaknummer: 2020-26 CAT)
Uitspraak
Uitspraak CAT van 14 mei 2021 (zaaknummer: 2020-26 CAT)
Trefwoorden
Professionele houding en gedrag onder de maat. Mate van zorgvuldigheid. Geen inzicht in eigen gedrag. (Voorwaardelijke) Schorsing van vier maanden.
Artikelen Gedragscode SRA
Artikel 1 Gedragscode SRA.
Samenvatting
In eerste aanleg is aan verweerder de maatregel van voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, met als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan hem een tuchtrechtelijk verwijt. Tegen deze beslissing van het AT komt klaagster op met meer dan 10 grieven.
Het CAT is het eens met het AT. Van verweerder wordt een transparante en toetsbare houding verwacht. Noch bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman, noch bij het AT heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid om verweer te voeren. Verweerder heeft weinig tot geen inzicht getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt verlangd. Verweerder heeft zijn handelswijze gebagatelliseerd en toont zich weinig tot niet bewust van de consequenties. Verweerder heeft geen inzicht getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die van hem verwacht wordt. Hij heeft ook geen inhoudelijk verweer gevoerd in beroep en is zelfs niet ter zitting van het CAT verschenen.
Oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel beoogt met name om in het belang van een behoorlijke beroepsuitoefening de betrokken beroepsbeoefenaar aan te scherpen dat hij in zijn professionele houding en gedrag beneden de maat is gebleven. Het CAT komt tot een (iets) zwaardere maatregel door verweerder een voorwaardelijke schorsing op te leggen van vier in plaats van drie maanden.
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in de hoger beroepen op de klacht van
appellante,
hierna te noemen: klaagster,
tegen
de register-arbeidsdeskundige,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: verweerder,
niet verschenen in hoger beroep.
Procesverloop
1.1 Bij pro forma beroepschrift van 8 september 2020 heeft klaagster tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 14 juli 2020 met zaaknummer 20-60/AT, gegeven tussen klaagster en verweerder. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’
1.2 Na daartoe verleend uitstel heeft klaagster haar beroepschrift aangevuld met de gronden van beroep, door het secretariaat ontvangen op 5 oktober 2020.
1.3 Op 28 oktober 2020 heeft verweerder, na verleend uitstel voor verweer, medegedeeld: “Helaas kan ik hier niet op reageren, omdat het geen beroepschrift van klaagster betreft, zodat ook niet kan worden beoordeeld of het al dan niet tijdig en op een juiste manier is ingediend.”
1.4 Op 29 oktober 2020 heeft het secretariaat aan verweerder medegedeeld dat:
– naar het voorlopig oordeel van de voorzitter klaagster in overeenstemming met het bepaalde in het Tuchtreglement SRA (oud), artikel 18. Inhoud van het beroepschrift, op 8 september 2020 in hoger beroep is gekomen en
– klaagster op 5 oktober 2020 op juiste wijze en tijdig haar beroepschrift heeft aangevuld;
– het CAT kennis heeft genomen van de opvatting van verweerder over het beroepschrift en de aanvulling;
– het CAT begrijpt dat verweerder geen (verder) verweer voert;
– het CAT zich bij zijn uitspraak een oordeel zal vormen over hetgeen verweerder stelt in de e-mail van 28 oktober 2020;
– verweerder tot en met 4 november 2020 gemotiveerd om uitstel (met 4 weken) voor antwoord kan verzoeken.
1.5 Tot en met 4 november 2020 is geen verweerschrift of verzoek om uitstel van verweerder ontvangen.
1.6 Op 22 januari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klaagster is verschenen en heeft het woord gevoerd, verweerder is (hoewel uitgenodigd voor de zitting) niet verschenen.
1.7 Ten slotte is uitspraak bepaald, na aanhouding op heden.
De feiten
2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld voor zover daartegen in beroep geen grieven zijn gericht (zie hierna grief 1) en aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan. Het gaat daarbij om het volgende.
2.2 Klaagster was sinds 1 februari 2016 werkzaam als contact-/contractmanager bij de werkgever, een kleine onderneming die zich bezighoudt met detachering van softwaretesters. Op 26 februari 2019 is de arbeidsovereenkomst met klaagster door de werkgever opgezegd.
Deze opzegging is later weer ingetrokken, evenals het verzoek van de werkgever om een ontslagvergunning bij UWV op bedrijfseconomische gronden.
2.3 Op 27 februari 2019 is klaagster uitgevallen in verband met toegenomen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren.
2.4 Bij e-mail van 19 september 2019 heeft de algemeen directeur van klaagsters werkgever verweerder verzocht om een arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren. De e-mail luidt als volgt:
“Zoals (…) 18 september 2019 met u besproken, heeft [werkgever] BV een zieke medewerker wier re-integratie aan de orde is. [werkgever] wenst een onderzoek of softwaretesterwerkzaamheden passende werkzaamheden zijn. Andere werkzaamheden zijn niet binnen [werkgever] aanwezig.
De medewerkster in kwestie, [klaagster] is sinds 27 februari 2019 ziek, nadat wij (…) hebben aangegeven dat vanwege bedrijfsorganisatorische/bedrijfseconomische redenen de functie van cont(r)actmanager is komen te vervallen. Zij is momenteel al meer dan 6 maanden niet meer werkzaam voor [werkgever]. Er speelt dus een ziekmelding en medewerkster geeft aan dat er sprake zou zijn van ongewenste intimiteiten op de werkplek, die door haar nooit eerder zijn gemeld en bij de directie niet bekend waren.
Om re-integratie mogelijk te maken, hebben wij haar op 13 augustus 2019 per e-mail naar onze mening passende werkzaamheden aangeboden. [werkgever] houdt zich als kleine onderneming (2 directeuren, 6 medewerkers waaronder [klaagster]) bezig met detachering van softwaretesters. Zowel beide directeuren als de andere 5 medewerkers behoren werkzaam te zijn in de detachering bij klanten. De enige overheadfunctie was die van contact-/contractmanager.
[klaagster] was werkzaam als contact-/contractmanager, waar zij naast relatiemanagement richting klanten ook HRM-taken richting de medewerkers vervulde. De heer (…) en ik hebben (…) het besluit moeten nemen om de structuur van de organisatie aan te passes. Zo is er nu een meer platte organisatie waardoor er kortere lijnen zijn met de medewerkers en wij directer betrokken zijn bij onze klanten. De omvang van het bedrijf alsmede de aard van de werkzaamheden van onze medewerkers boden en bieden geen ruimte voor de functie contact-/contractmanager.
Een softwaretester wordt ingezet bij klanten van [werkgever] en komt slechts zeer beperkt op het kantoor van [werkgever] (overigens slechts een open ruimte van ca 60m2 in [plaats]).
[klaagster] komt uit het softwaretestvak. Zij heeft eerder een dergelijke functie vervuld.
Over of zij voldoende belastbaar is, kan ik geen uitspraken doen. Hiervoor verwijs ik u naar [casemanager]) en de bedrijfsarts (…).
Graag verneem ik van u of u deze opdracht op korte termijn kunt aannemen. Een nog langere tijd van afwezigheid van [klaagster] van het arbeidsproces lijkt ons niet bevorderlijk voor haar re-integratie.(…)”
2.5 Verweerder is na ontvangst van de dossierstukken op 23 september 2019 gestart met zijn onderzoek.
2.6 Tussen 27 september 2019 en 29 oktober 2019 heeft verweerder diverse telefoongesprekken gevoerd met de werkgever van klaagster.
2.7 Op 9 oktober 2019 vond onderzoek plaats van klaagster door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft zijn bevindingen opgenomen in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum. In het hierna in 2.19 genoemde concept-rapport is ten aanzien van de bevindingen van de bedrijfsarts het volgende vermeld:
“Conclusie:
De client beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden
De client heeft beperkingen ten opzichte van normaal functioneren (zie rubrieken)
RUBRIEK I: PERSOONLIJK FUNCTIONEREN
Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid:
– betrokkene is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen
– betrokkene is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken
RUBRIEK II: SOCIAAL FUNCTIONEREN
Omgaan met conflicten: betrokkene kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact hanteren
- betrokkene is aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat
(…)
Bijstelling Probleemanalyse d.d. 9 oktober 2019:
Betrokkene verzuimt momenteel ruim 7 maanden. De medische situatie is niet noemenswaardig verbeterd ten opzichte van het vorige spreekuur waardoor de re-integratie verder stagneert. Ik heb begrepen dot de werkgever opnieuw een mediation traject heeft opgestart. lk adviseer om het mediation traject zo spoedig mogelijk op te starten teneinde voldoende voorwaarden te creëren voor terugkeer naar werk.
Overleg met de bedrijfsarts d.d. 15, 22 en 23 oktober 2019
(…)
Aanvulling bedrijfsarts d.d. 30 oktober 2019 per email
"[klaagster] geeft aan dat er sprake is van minder medische beperkingen dan aangegeven in de FML. Daarnaast is zij van mening dat de beperkingen zullen afnemen (en haar dus haar belastbaarheid zal toenemen) indien een veilige werkomgeving kan worden gecreëerd. Dat denk ik ook. Om dit te realiseren dienen hiervoor concrete afspraken te worden gemaakt tijdens het mediation traject. Indien op afzienbare termijn voorwaarden kunnen worden gecreëerd voor terugkeer naar het eigen werk kan worden afgezien van een tweede spoor traject. Indien dit langer duren of partijen slagen er niet in om concrete afspraken te maker dan dient het re-integratie traject tweede spoor alsnog te worden opgestart omdat er arbeidsmogelijkheden zijn die niet bij de eigen werkgever kunnen worden benut."
2.8 Op 15, 22 en 23 oktober 2019 heeft overleg plaatsgevonden tussen verweerder en de bedrijfsarts.
2.9 Op 16 oktober 2019, 21 oktober en 23 oktober 2019 heeft verweerder telefonisch gesproken met klaagster.
2.10 Op 16 oktober 2019 ontving verweerder van klaagster een e-mail met het verzoek om hetgeen verweerder eerder die dag telefonisch heeft uitgelegd over zijn onderzoek, ook per e-mail toe te lichten omdat er nog onduidelijkheid bij klaagster was. Dezelfde dag heeft verweerder per e-mail aan dat verzoek voldaan. In die e-mail heeft verweerder klaagster om een afspraak verzocht voor het arbeidsdeskundig onderzoek.
2.11 Op 21 oktober 2019 heeft verweerder zijn verzoek herhaald aan klaagster om een afspraak met hem te maken. Dezelfde dag stuurde klaagster aan verweerder een e-mail waarin zij hem op de hoogte stelde van de achterliggende problematiek, namelijk seksuele intimidatie vanuit de directie en daarmee een onveilige werkomgeving. Tevens heeft zij verweerder aangegeven dat op 31 oktober 2019 een rechtszaak diende (kort geding) over haar re-integratie en klaagster heeft verweerder verzocht om het gesprek na 31 oktober 2019 te laten plaatsvinden.
2.12 Op 23 oktober 2019 heeft tussen klaagster en verweerder de volgende e-mailwisseling plaatsgevonden:
a. de mail van klaagster aan verweerder:
“(…) Op advies van het UWV heb ik mijn advocaat gevraagd u te benaderen.
Mijn gezondheid is voor mij belangrijk en die is voor reïntegratie belangrijk.
(…)
lk kan na 31 oktober een tweede gesprek met u voeren. Dit is uitdrukkelijk geen weigering tot meewerken! Er was ook geen sprake van weigering tot meewerken want ik heb al een gesprek met u gehad. (…)”
b. de antwoordmail van verweerder aan klaagster:
“(…) Zojuist, dus vandaag 23 oktober, om 15.15 uur, is telefonisch contact opgenomen met het UWV Werkgeversportaal n.a.v. uw opmerking dat wij enkel en alleen uw advocaat mogen benaderen.
Er is hierover gesproken met de heer (…) van het UWV.
Aan hem is de vraag gesteld of hij kan bevestigen dat het UWV u geadviseerd zou hebben dat alleen uw advocaat benaderd mag worden.
Er is een ontkennend antwoord gegeven: het UWV heeft nooit het advies gegeven dat wij uitsluitend met uw advocaat mogen communiceren.
Dat betekent, dat alle communicatie uitsluitend via u zal blijven lopen.
Nogmaals leg ik u voor om morgen het gesprek met u te kunnen hebben. Uw advocaat mag daarbij aanwezig zijn.
Wij horen graag van u.(…) “
2.13 Op 24 oktober 2019 in de ochtend stuurde de werkgever meerdere mails aan klaagster waarin werd aangedrongen op een inhoudelijk gesprek tussen klaagster en verweerder. De werkgever heeft klaagster aangezegd haar salaris niet meer uit te betalen indien het gesprek met verweerder die dag geen doorgang zou hebben.
2.14. Op 24 oktober 2019 vond in een hotel het gesprek tussen klaagster en verweerder plaats.
2.15 Op 28 oktober 2019 heeft verweerder een telefoongesprek met klaagster gevoerd van 1,5 uur.
2.16 Op 29 oktober 2019 heeft verweerder per e-mail het conceptrapport aan alle betrokkenen toegezonden. Hij heeft daarbij aangegeven dat beide partijen op- en aanmerkingen binnen vijf werkdagen aan hem konden toezenden en dat hij eventuele fouten per omgaande zou aanpassen. Na ontvangst van de op- en aanmerkingen zou hij deze bestuderen en beoordelen of hij deze zou kunnen aanpassen.
2.17 Op 1 november 2019 ontving verweerder via e-mail van de werkgever diens reactie op het conceptrapport met het verzoek om een aantal aanpassingen en aanvullingen op te nemen in het rapport.
2.18 Op 4 november 2019 volgde een reactie per e-mail van klaagster met het verzoek een aantal correcties en aanvullingen in het rapport op te nemen.
2.19 Verweerder heeft het conceptrapport aangepast en op 5 november 2019 is het conceptrapport opnieuw per e-mail onder alle betrokkenen verspreid. Dezelfde dag heeft verweerder aan klaagster een e-mail gestuurd waarin hij puntsgewijs is ingegaan op haar op- en aanmerkingen.
2.20 Op 6 november 2019 vond nog nadere e-mailcorrespondentie plaats tussen klaagster en verweerder over een aantal vraagpunten. Verweerder heeft bij e-mail van die datum geschreven: “(…) U kunt per mail reageren maar ook bvk telefonisch.
Anders is er alleen sprake van mail correspondentie en dat heeft niet mijn voorkeur.
Ik wil daarnaast voorstellen om gelijktijdig met u en uw werkgever een gesprek te hebben. Nu gaat alles langs elkaar heen en dat vind ik een slechte zaak.
Ik zal dit vandaag ook aan je werkgever voorstellen, die overigens al veel eerder voorstelde om gezamenlijk een gesprek te hebben. Zoals het nu gaat, is niet de juiste weg. Ik (en anderen) word nu geconfronteerd met allerlei uitlatingen wat mij enorm veel tijd en negatieve energie kost.
Dus: mijn voorstel is een gezamenlijk gesprek met u en uw werkgever tegelijkertijd.”
2.21 Op 8 november 2019 heeft klaagster aan verweerder een uitvoerige mail gestuurd met daarin haar opmerkingen op het conceptrapport.
2.22 Verweerder heeft klaagster op 8 november 2019 laten weten dat hij de reactie van de arbodienst zou afwachten alvorens haar vraagpunten te beantwoorden. Later die dag belde verweerder met klaagster over de voortgang. Op 11 november 2019 mailde verweerder aan klaagster dat hij met de arbodienst had afgesproken voorlopig niets te doen, totdat de vergoeding voor zijn werkzaamheden was geregeld.
2.23 Op 18 november 2019 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend.
Overwegingen
3.1 Volgens de uitspraak van het AT houdt de klacht (kort samengevat) in dat verweerder als arbeidsdeskundige:
1) niet onpartijdig heeft gehandeld;
2) geen zelfstandig onderzoek heeft uitgevoerd;
3) klaagster onjuist/onvolledig heeft geïnformeerd;
4) het UWV bewust en opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd;
5) geen gedegen onderzoek heeft uitgevoerd;
6) aan klaagster opzettelijk schade heeft toegebracht;
7) gezorgd heeft voor een verslechtering van de relatie tussen klaagster en haar werkgever;
8) niet integer heeft gehandeld noch conform de fatsoensnorm;
9) niets heeft gedaan met de informatie van de bedrijfsarts;
10) willens en wetens een kwalitatief slecht en onjuist, niet onderbouwd, niet objectief en niet onafhankelijk rapport heeft geschreven.
11) vergoeding van zijn werkzaamheden als voorwaarde heeft gesteld voor lezing van klaagsters opmerkingen op zijn rapport en de aanpassing daarvan.
3.2.1 Na daartoe door verweerder gevoerd verweer heeft het AT de door klaagster ingediende klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Het AT, dat een aantal klachtonderdelen gezamenlijk heeft behandeld, was ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen samengevat van oordeel dat
(1) voor de klacht geen aanwijzingen zijn. De klachtonderdelen zijn in zodanig algemene bewoordingen gesteld dat het AT de juistheid ervan niet kan vaststellen. Klaagster heeft onvoldoende relevante feiten en omstandigheden aangevoerd.
Dat geldt echter niet voor het verzoek van werkgever de rapportage nog voor het aanhangige kort geding op te leveren. Verweerder heeft de schijn gewekt dat zijn rapportage als partij-instrument zou dienen in het lopende arbeidsgeschil terwijl partijen het over de inhoud van deze rapportage nog niet eens waren. Daarmee is verweerder als redelijk handelend arbeidsdeskundige in zijn zorgplicht jegens klaagster tekortgeschoten;
(2), (5), (8) en (10) klaagster met betrekking tot (het CAT begrijpt: deze verwijten) geen relevante feiten en omstandigheden heeft gesteld. Niet kan worden gezegd dat verweerder op dit punt niet overeenkomstig de Gedragscode SRA heeft gehandeld. Daarbij is tevens van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet. Klaagster beperkt zich voornamelijk tot algemene kritiek op de wijze waarop verweerder zijn arbeidsdeskundig onderzoek heeft uitgevoerd. Welke relevante informatie concreet ontbreekt of al dan niet opzettelijk door verweerder is weggelaten werkt klaagster niet uit. Het AT oordeelt dat verweerder informatie niet klakkeloos heeft overgenomen, maar deze heeft verzameld, weergegeven en gewogen. Evenmin heeft het AT (7.17) de welbewustheid of opzettelijkheid kunnen vaststellen die ten grondslag zou hebben gelegen aan het schrijven door verweerder van een kwalitatief slecht en onjuist, niet onderbouwd, niet objectief en niet onafhankelijk rapport;
(3) dit onderdeel gegrond is. In de e-mail van 16 oktober 2019 heeft verweerder vermeld dat hij in opdracht werkt van de arbodienst en dat de arbodienst formeel zijn opdrachtgever is. In de conceptrapportage van 5 november 2019 heeft verweerder aangegeven dat het arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden op verzoek van de algemeen directeur van de werkgever van klaagster en uit de e-mail van 19 september 2019 blijkt dat verweerder zijn opdracht rechtstreeks van de algemeen directeur heeft ontvangen. Verweerder heeft klaagster niet juist ingelicht en onduidelijkheid laten bestaan over de opdrachtgever van het uit te voeren arbeidsdeskundig onderzoek.
Niet kan worden gezegd dat verweerder klaagster niet over zijn methode of wijze van onderzoek heeft geïnformeerd. Hij heeft in zijn e-mail van 16 oktober 2019 een toelichting gegeven op zijn taak en rol als arbeidsdeskundige en op zijn werkwijze. Deze toelichting is summier te noemen en verdient geen schoonheidsprijs. Voor de stelling dat verweerder klaagster onjuist heeft geïnformeerd over de in acht te nemen termijnen heeft het AT geen aanknopingspunten gevonden;
(4) dit onderdeel ongegrond is. Voor zover het AT kan nagaan is er op 23 oktober 2019 telefonisch contact geweest met UWV, waarover verweerder kort daarop een e-mail aan klaagster heeft gestuurd. Of de tijdens dat contact uitgewisselde informatie onjuist is en wie met het UWV contact heeft gehad, heeft het AT niet kunnen vaststellen. Belangrijk hierbij is voorts dat het AT, indien en voor zover deze uitgewisselde informatie onjuist was en door verweerder is overgebracht, evenmin heeft kunnen vaststellen of verweerder dat, zoals klaagster hem verwijt, bewust en opzettelijk heeft gedaan;
(6) dit onderdeel ongegrond is. Het AT toetst niet aan civielrechtelijke normen. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van verweerder getoetst aan de binnen de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen ter zake daarvan geldende gedragsnormen. Door middel van deze tuchtrechtelijke procedure kan geen schadevergoeding worden verkregen, het Tuchtreglement SRA bevat daarvoor geen grondslag;
(7) dit onderdeel feitelijke grondslag mist en ongegrond is.
Het AT heeft niet kunnen vaststellen of zelfs maar de indruk gekregen dat verweerder het oogmerk had om de relatie tussen werkgever en klaagster te verslechteren door een ondeugdelijk rapport op te leveren en de werkgever onjuist te informeren over het contact tussen klaagster en verweerder. Het AT geeft geen oordeel over de mogelijke consequenties die de handelwijze van de arbeidsdeskundige voor klaagster heeft gehad. Onderwerp van beoordeling is de wijze van handelen van verweerder;
(9) dit onderdeel gegrond is. Aan de hand van de contacten met de bedrijfsarts en de inlichtingen die klaagster heeft verstrekt over de achterliggende problematiek van ongewenste intimiteiten en een onveilig werkklimaat, heeft verweerder er blijk van gegeven daarvoor onvoldoende oog te hebben. Hij heeft deze problematiek ook niet zichtbaar betrokken in zijn onderzoek, althans daarvoor heeft het AT geen aanknopingspunten kunnen vinden in de rapportage. Verweerder heeft aangegeven dat hem bij aanvang van het onderzoek opviel dat sprake was van een beladen dossier. Ook uit de gesprekken met de directie van werkgever is verweerder duidelijk geworden dat er “meer aan de hand was”. Desondanks heeft hij ervoor gekozen om de opdracht voort te zetten. Klaagster heeft aangegeven dat zij zich niet of onvoldoende gehoord heeft gevoeld. Zij heeft in haar e-mail van 21 oktober 2019 verweerder verzocht om aandacht te besteden aan de bevinding van de bedrijfsarts dat de beperkingen vooral voortvloeien uit de seksuele intimidatie op de werkvloer. Verweerder heeft daarvan in zijn rapportage geen melding gemaakt. Het AT merkt op dat dit aansluit bij het achterwege laten van de reden die klaagster heeft aangevoerd om het gesprek met verweerder pas na 31 oktober 2019 aan te gaan, dat wil zeggen na het kort geding tussen klaagster en werkgever.
Een register-arbeidsdeskundige heeft een hoge mate van toenaderings-verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid heeft verweerder jegens klaagster onvoldoende in acht genomen. Verweerder heeft zich bij de uitvoering van de opdracht onvoldoende rekenschap gegeven van de achterliggende problematiek. In zijn gerichtheid op de uitvoering van de opdracht heeft verweerder geen veiligheid geboden aan klaagster, geen vertrouwen opgebouwd en haar geen of onvoldoende humanitaire aandacht gegeven.
Het AT laat meewegen dat verweerder bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd.
(11) ook dit onderdeel gegrond is. Verweerder heeft zijn zorgplicht voor de behandeling van het dossier en het belang van klaagster bij een tijdige, afgewogen en evenwichtige rapportage ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen financiële belang. Enig geschil met de opdrachtgever of andere derden over de financiële vergoeding van de arbeidsdeskundige kan geen reden zijn om de behandeling van een dossier niet voort te zetten of af te ronden, temeer waar klaagster geen invloed heeft op het oplossen van dat geschil. In dat geval had het op de weg van verweerder gelegen om het dossier terug te geven zodat het zo nodig door een andere arbeidsdeskundige had kunnen worden overgenomen. Het betreft hier dan ook een handelwijze die een arbeidsdeskundige onwaardig moet worden geacht.
3.2 De klachtenonderdelen 1, 3, 9 en 11 (deels), gegrond zijnde heeft het AT op voet van artikel 22 lid 1 aanhef en onder d. van het Tuchtreglement SRA (oud) aan verweerder opgelegd de maatregel van voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, met als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een tuchtrechtelijk verwijt.
3.3 Klaagster is met 12 grieven opgekomen tegen de beslissing van het AT. Volgens klaagster heeft het AT haar klachten niet/onvoldoende beoordeeld en getoetst.
3.4.1 Als vermeld in 1.3 heeft verweerder het college laten weten dat “(…) het geen beroepschrift van klaagster betreft, zodat ook niet kan worden beoordeeld of het al dan niet tijdig en op een juiste manier is ingediend.” Daarmee doet verweerder kennelijk een beroep op de niet-ontvankelijkheid van klaagster in appel. Waarom het “geen beroepschrift” van klaagster betreft vermeldt verweerder echter niet en het college vermag dit ook niet in te zien: het beroepschrift (1.1) en de aanvulling (1.2) tezamen voldoen aan de eisen gesteld in het Tuchtreglement SRA (oud). Het college verwerpt het (impliciete) beroep op de niet-ontvankelijkheid van klaagster. Het college zal de grieven hierna bespreken.
3.4.2 Als vermeld in 1.5 en 1.6 is van verweerder geen verweerschrift ontvangen en is hij niet ter zitting verschenen. Het college stelt vast dat verweerder (terecht overigens) niet heeft gegriefd tegen hetgeen het AT in 7.5 van zijn beslissing heeft overwogen; het college neemt deze beslissing over als zijn eigen beslissing en het zal op gelijke voet oordelen. Daarbij heeft het college acht geslagen op wat verweerder ter zitting van het AT heeft gezegd zoals kenbaar uit zijn beslissing. Het voorgaande brengt mee dat het college niet zonder meer overneemt al hetgeen klaagster in haar beroepschrift voorziet van “[verweerder]: niet betwist.”
Grief 1
3.5 Volgens grief 1 zijn niet alle feiten meegewogen in de beoordeling. De grief keert zich tegen verschillende onderdelen van de uitspraak van het AT. Het college oordeelt hierover als volgt.
3.5.1 Vooropgesteld dient te worden dat het aan de tuchtrechter is te beoordelen en te selecteren welke tussen partijen vaststaande feiten hij voor zijn beoordeling en beslissing nodig heeft. Die feiten worden veelal vermeld in de schriftelijke beslissing onder “de feiten”, niet meer en niet minder.
Daargelaten of het voor de beoordeling relevant is dat dat klaagster “direct” aan verweerder heeft verteld dat sprake is van seksuele intimidatie, heeft het college niet kunnen vaststellen dat dat het geval is. Dat klaagster heeft gesteld dat van seksuele intimidatie sprake is, is het AT en het college niet ontgaan.
3.5.2 De kritiek dat het AT onder 1.5 de brief van verweerder als een “nader standpunt” heeft aangemerkt, mist belang. De brief wordt genoemd onder het “Procesverloop” als nader stuk van verweerder (vgl. 1.2 van de uitspraak van het AT). Enige verdere betekenis komt aan de vermelding niet toe. Uit 7.4 blijkt dat het AT heeft vastgesteld dat verweerder “in zijn schriftelijke reactie feitelijk geen verweer heeft gevoerd.”
3.5.3 In aansluiting op de klacht dat het AT ten onrechte heeft opgenomen dat het door verweerder te verrichten arbeidsdeskundig onderzoek als doel had om aan te geven wat de interne en externe re-integratiemogelijkheden van klaagster waren, heeft het college onder 2. zijn weergave van de vaststaande feiten in hoger beroep aangepast (vgl. 2.4).
3.5.4 Waar klaagster aangeeft dat in 2.10 van de uitspraak van het AT ten onrechte niet is vermeld dat er op 16 oktober 2019 reeds een inhoudelijk gesprek heeft plaatsgevonden tussen haar en verweerder, gaat het college daaraan voorbij.
In 2.9 heeft het AT dat telefoongesprek vermeld, dat klaagster dat ter zitting van het college als een “inhoudelijk gesprek” heeft aangemerkt maakt dat niet anders.
3.5.5 De klacht dat het AT ten onrechte niet heeft opgenomen dat verweerder de methode van onderzoek niet kenbaar heeft gemaakt faalt. Het AT heeft in 7.21 daarover geoordeeld, zie hiervóór, 3.2.1 ad 3 tweede alinea. Het college wijst voorts naar hetgeen in 3.10.1 wordt overwogen ten aanzien van grief 6.
3.5.6 De klacht dat op ”22 oktober 2019 (het college leest: 23 oktober 2019) met klaagster (is) gecorrespondeerd over het te voeren gesprek tussen [verweerder] en klaagster” borduurt voort op het vermelde in 3.5.4. Wat er zij van de kwalificatie van het telefoongesprek op 16 oktober 2019 als inhoudelijk gesprek of niet, het mailverkeer op 23 oktober 2019 had betrekking op een nog te voeren (volgend) gesprek tussen verweerder en klaagster welk gesprek, als onbestreden in appel vermeld in 2.14 van de uitspraak van het AT, heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019. Dit onderdeel van de grief gaat uit van een verkeerde lezing van de uitspraak van het AT.
3.5.7 De grief dat het AT niet heeft opgenomen dat klaagster op 4 november 2019 “vroeg de feiten op te nemen” mist feitelijke grond. Wellicht was dat de strekking van “mijn opmerkingen op uw conceptrapport met het verzoek die aan te passen” maar het staat er zo niet en het door het AT in 2.18 over die mail vermelde is niet onjuist. Uit nr. 2.21 blijkt dat het AT kennis heeft genomen van de mail van klaagster van 8 november 2019 (“een uitvoerige mail”).
3.5.8 De grief over nummer 5.4 van het AT is in zoverre gegrond dat het AT, overwegend dat het geen oordeel geeft over de inhoud van het werk van de arbeidsdeskundige en zijn inhoudelijke afweging, te stellig heeft geformuleerd (deels herhaald in 7.18 door het AT). Immers, naar uit de toelichting op artikel 1 van de Gedragscode SRA blijkt toetsen de tuchtcolleges “Wat de inhoud betreft (…) of de arbeidsdeskundige in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen (marginale toetsing).” Daarmee is niet gezegd dat het AT voorbij is gegaan aan de door klaagster genoemde eerdere uitspraken van het AT dan wel dat niet getoetst is aan artikel 3 van de Gedragscode, “Eisen aan rapportages.” Het college komt hierop terug bij de behandeling van grief 6 (3.10.1). Reeds thans zij vastgesteld dat blijkens de gegrondverklaring van klachtonderdeel 9 ook het AT de concept-rapportage marginaal heeft getoetst, zie m.n. 7.44 van zijn uitspraak.
3.5.9 De grief is gedeeltelijk gegrond, hetzelfde geldt voor de deelgrief van grief 5 over overweging 7.18 van het AT. Met het in 3.5.3. vermelde heeft het college rekening gehouden bij zijn vaststelling van de feiten in hoger beroep.
Grief 2
Grief 2 klaagt dat het AT, overwegend in 5.5 “Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2 lid 1, 3 en 7 van de Gedragscode SRA van belang” de klachten niet toetst aan de overige artikelen van de Gedragscode SRA, Statuten, Reglementen en jurisprudentie.
3.6.1 Artikel 11 lid 2 van het Tuchtreglement SRA (oud) luidt:
“Het AT toetst de klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de Gedragscode van
de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.”
3.6.2 De grief mist zelfstandige betekenis. Vooropgesteld dat uit overweging 5.1 van het AT blijkt dat het artikel 11.2 Tuchtreglement SRA (oud) voor ogen heeft gehouden, mist de grief zelfstandige betekenis: (ook) het college oordeelt overeenkomst artikel 11 lid 2 van het Tuchtreglement SRA (oud) en “toetst de klacht aan Statuten, Reglementen en/of de Gedragscode van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.” Voor zover deze klacht ook is verwoord in andere (deel)grieven, zoals bijv. in grief 4, geldt daarvoor hetzelfde.
Grief 3
3.7 Deze grief houdt in dat de klachten 12 t/m 15 onterecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Volgens klaagster heeft het AT ten onrechte overwogen (3.2 en 6.1) dat klaagster in haar e-mail van 18 maart 2020 haar eerder ingediende klacht met drie klachtonderdelen heeft aangevuld. Door deze klachten als onderdelen van de reeds ingediende klachten te kwalificeren heeft het AT, aldus klaagster, miskend dat dit nieuwe klachten zijn.
Het college kan dit niet anders zien dan een kwestie van interpretatie, het effect is hetzelfde: niet-ontvankelijkheid. Kennelijk is ook klaagster van mening dat de klachten 12 t/m 15 nieuwe klachten zijn. Klaagster kan, zoals reeds ter zitting van het college onder haar aandacht gebracht, deze desgewenst middels een nieuwe klachtprocedure voorleggen. De grief faalt.
Grief 4
3.8 Volgens grief 4 is klacht 1a t/m k, die inhoudt dat verweerder niet onpartijdig heeft gehandeld, op grond van artikel 11 Tuchtreglement SRA onterecht ongegrond verklaard door het AT. De grief valt in een groot aantal deelgrieven uiteen. Voor zover de deelgrieven andere kwesties dan het volgens klaagster niet onpartijdig handelen van verweerder aansnijden gaat het college daaraan bij de behandeling van deze grief voorbij.
Het college stelt ten aanzien van de beoordeling voorop dat het in het licht van de Algemene toetsnorm (artikel 1 Gedragscode SRA) volgens vaste (C)AT-tuchtrechtspraak van het grootste belang is dat de arbeidsdeskundige zijn opdracht en onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Tegen deze achtergrond overweegt het college als volgt.
3.8.1 Het college verwerpt het uitgangspunt van klaagster dat verweerder niet onpartijdig heeft gehandeld een feit is. “Niet onpartijdig” kan de conclusie zijn van het waarderen van de feiten en omstandigheden van de voorliggende casus (het dossier) het is géén feit op zichzelf.
3.8.2.1 Ingevolge artikel 7:658a lid 1 BW bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Anders gezegd: de werkgever bevordert de re-integratie van de werknemer. De werkgever kan gedurende het re-integratieproces een deskundige inschakelen zoals een arbeidsdeskundige. Deze kan de re-integratieactiviteiten beoordelen en de werkgever (en werknemer) ter zake adviseren. De arbeidsdeskundige inventariseert de arbeidsmogelijkheden van de betrokken werknemer, beoordeelt of het eigen werk van de werknemer kan worden aangepast en of werknemer andere passende werkzaamheden (vgl. artikel 7:658a lid 4 BW) kan verrichten. Voor de arbeidsdeskundige beoordeling bij re-integratie geldt de eigen functie van de werknemer, i.c. contact-/contractmanager (2.1), als uitgangspunt. Dát is in beginsel de functie ter zake waarvan de (on)geschiktheid van de werknemer tot vervulling dient te worden vastgesteld, waarbij de beperkingen worden gehanteerd zoals door de bedrijfsarts vastgesteld in zijn zakelijke rapportage (voor de arbeidsdeskundige) en de functionele mogelijkhedenlijst (FML). Als de werknemer de bedongen arbeid (weer) kan verrichten zonder aanpassingen is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Er hoeft dan ook niet naar passende arbeid te worden gekeken.
3.8.2.2 Naar het oordeel van het college kon verweerder, eenmaal gestart met zijn werkzaamheden, gegeven de bevindingen van de bedrijfsarts als vermeld in 2.7, in redelijkheid niet tot het oordeel komen dat vanwege ongeschiktheid voor de eigen functie gekeken diende te worden naar passende arbeid zoals besloten lag in de opdracht. Immers, de bedrijfsarts concludeerde tot “duurzaam beschikbare mogelijkheden” en hij adviseerde “om het mediation traject zo spoedig mogelijk op te starten teneinde voldoende voorwaarden te creëren voor terugkeer naar werk.” Dat laatste hield onmiskenbaar in terugkeer naar eigen werk en voor zover verweerder daaraan nog getwijfeld zou hebben werd dat in de per e-mail gestuurde aanvulling op 30 oktober 2019 geëxpliciteerd.
3.8.2.3 Volgens de inleiding van de (concept) arbeidsdeskundige rapportage had het onderzoek “als doel om aan te geven wat zowel de interne als externe re-integratiemogelijkheden zijn van werknemer.” Daarmee is verweerder buiten de opdracht als verwoord in de e-mail van 19 september 2019 (2.4) getreden. Een reden daarvoor is het college niet gebleken en het was niet in het belang van klaagster. Nu verweerder aan het systeem van de wet en de bevindingen van de bedrijfsarts als hiervoor vermeld is voorbijgegaan heeft verweerder gehandeld in strijd met de Algemene toetsnorm en hij heeft de schijn van partijdigheid op zich geladen. Waar de e-mail van 19 september 2019 er reeds melding van maakte dat volgens werkgever/opdrachtgever andere werkzaamheden dan softwaretesterwerkzaamheden niet binnen het bedrijf aanwezig zijn, was (aanvaarding van) de opdracht er bovendien toe geëigend ingezet te worden in het lopende geschil tussen werkgever en klaagster/werknemer.
3.8.3 Dat uit door werkgever bij de rechtbank overgelegde stukken zou zijn gebleken dat reeds op 18 september 2019 het conceptrapport van verweerder gereed zou zijn geweest, gaat uit van een verkeerde lezing van die stukken. Tussen partijen staat vast (2.4) dat op 18 september 2019 telefonisch overleg met verweerder heeft plaatsgevonden en dat bij e-mail van 19 september 2019 verweerder is verzocht om een arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren. De gang van zaken daarna als weergegeven in 2.5 t/m 2.16 – tegen welke feiten door klaagster niet is gegriefd – laat niet toe aan te nemen dat al op 18 september 2019 het concept-rapport gereed was. De passage “2019-09-18 Arbeidsdeskundige kon geen afspraak maken met werknemer om concept-rapportage te bespreken” begrijpt het college in het licht van de vaststaande feiten als arbeidsdeskundige kon vanaf 18 september 2019 geen afspraak maken met werknemer om de voor een concept-rapportage nodige zaken te bespreken.
Dit past ook in het feit dat de werkgever bij de rechtbank heeft aangegeven: “2019-09-18 Arbeidsdeskundig onderzoek aangevraagd” als uit het gegeven dat er (eerst) op 24 oktober 2019 een fysiek gesprek tussen klaagster en verweerder plaatsvond en verweerder daarna (29 oktober 2019) met een concept-rapport kwam (2.16). Dat verweerder ná het concept-rapport nadere informatie kreeg wat leidde tot aanpassing van zijn concept levert niet zonder meer op dat het concept gebaseerd was op onvoldoende onderzoek. Het feit dat verweerder in het kader van de behandeling van de klacht door de Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft aangegeven bereid te zijn de door werkgever aangeboden functie opnieuw op passendheid te onderzoeken, maakt dat ook niet anders. In dat aanbod is geen schijn van partijdigheid gelegen. Waar verweerder heeft gesteld zich persoonlijk geraakt te voelen door het aan hem gemaakte verwijt van (schijn van) partijdigheid, ziet het college ook niet dat hij heeft erkend dat daarvan sprake is.
3.8.4 Dat verweerder in zijn concept-rapport door het gebruik van arceringen (vet, schuin gedrukt, hoofdletters) een negatief beeld schetst van klaagster ontgaat het college. Het college kan het niet anders zien dan dat verweerder op een aantal plaatsen, kennelijk om het belang van het gestelde te benadrukken, gebruikmaakt van de genoemde accentueringen. Partijdigheid blijk daaruit niet.
3.8.5 De gestelde (schijn van) partijdigheid is ook niet zonder meer gelegen in het feit dat verweerder niet al hetgeen door klaagster in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek naar voren is gebracht heeft opgenomen. Zoals het college ook recentelijk heeft overwogen (4 december 2020, zaaknummer 2020-21 en 2020-22 CAT) behoort in de arbeidsdeskundige rapportage de visie van de werknemer/cliënt naar voren te komen. Daarbij behoort het rapport een voor zover relevant in het kader van het te verrichten onderzoek adequate verslaglegging in te houden. Partijen behoren zich (dus) te kunnen herkennen in wat er gerapporteerd wordt, maar zij bepalen niet de inhoud van de arbeidsdeskundige rapportage; de arbeidsdeskundige maakt zijn/haar eigen professionele afweging. Het niet opnemen van wat volgens klaagster de “juiste feiten” zijn is (dus) niet zonder meer in strijd met de algemene toetsnorm (artikel 1 Gedragscode SRA), noch met de eisen die aan rapportages gesteld worden volgens artikel 3 van de Gedragscode SRA.
3.8.6 Het in 3.8.5 vermelde neemt niet weg dat de selectie van feiten en omstandigheden in het onderzoek en de rapportage k&