Uitspraak CAT van 21 mei 2021 (zaaknummer: 20-27 CAT)
Uitspraak
Uitspraak CAT van 21 mei 2021 (zaaknummer: 20-27 CAT)
Trefwoorden
Re-integratie tweede spoor. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Beroep verworpen.
Artikelen Gedragscode SRA
Artikel 1 en artikel 7 Gedragscode SRA.
Samenvatting
De klacht heeft betrekking op de handelwijze van verweerster als register-arbeidsdeskundige bij de begeleiding van klager bij de re-integratie tweede spoor. Daarbij gaat het in aanvang om oriëntatie op een andere functie en coaching naar passende arbeid. Van de arbeidsdeskundige wordt, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, niet verwacht dat van iedere naar het oordeel van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arbeidsdeskundige mogelijk passende functie een volledige arbeidsdeskundige beoordeling wordt gemaakt alvorens deze als vacature onder de aandacht van de client wordt gebracht.
Het CAT verwerpt de klacht dat verweerster geen toenaderingsverantwoordelijkheid jegens klager heeft getoond. Met het AT is het CAT van oordeel dat verweerster veelvuldig contact met klager heeft onderhouden, hem bij herhaling heeft geïnformeerd over haar taak en de vragen van klager zo goed mogelijk beantwoord. Beroep ongegrond.
Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de klacht van
klager in hoger beroep,
hierna te noemen: klager,
gemachtigde: mr.drs. R.K. Torn, advocaat te Amsterdam
tegen
de register-arbeidsdeskundige,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: verweerster.
Procesverloop
1.1 Bij beroepschrift van 1 oktober 2020 heeft klager, onder overlegging van 1 productie, tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 26 augustus 2020 met zaaknummer 20-62/AT, gegeven tussen klager en verweerster. Voor het procesverloop bij het AT verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’
1.2 Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, binnengekomen op 2 november 2020, waarbij gevoegd 4 producties.
1.3 De op 22 januari 2021 geplande mondelinge behandeling heeft vanwege coronabezwaren niet plaatsgevonden. In plaats daarvan hebben partijen ieder schriftelijk gepleit en hebben zij vervolgens daarop over en weer gereageerd.
1.4 Ten slotte is uitspraak bepaald, na aanhouding op heden.
De feiten
2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld, nu daartegen in beroep geen grieven zijn gericht. Het gaat daarbij om het volgende, waarbij het college een enkele aanvulling heeft aangebracht van wat in hoger beroep ook vaststaat.
2.2 Op 8 juni 2016 is klager ziek uitgevallen vanwege diverse medische klachten. Klager heeft meerdere operaties ondergaan en kon langere tijd niet werken.
2.3 Op 4 mei 2017 is klager door de bedrijfsarts van zijn werkgever beoordeeld. Het oordeel van de bedrijfsarts luidde, kort gezegd: “Er is nog geen belastbaarheid voor (eigen) werk”. Daarbij is door de bedrijfsarts ook een uitbreide functionele mogelijkhedenlijst (fml) opgesteld.
2.4 Op basis daarvan is een arbeidsdeskundig onderzoek verricht door de compagnon van verweerster. Dit onderzoek leidde tot de Arbeidsdeskundige rapportage van 3 juli 2017. Conclusie van dat rapport was dat het eigen werk van klager nu niet passend is en binnen de eigen organisatie geen passend werk voor klager is. Geadviseerd werd om het re-integratietraject spoor 2 op te starten.
2.5 Naar aanleiding van dit rapport kreeg verweerster op 14 augustus 2017 de opdracht van de werkgever van klager om de re-integratie tweede spoor van klager te begeleiden voor de duur van 3 maanden met de mogelijkheid van een verlenging van 3 maanden.
2.6 Na kennisname van het dossier, heeft verweerster op 22 augustus 2017 een intakegesprek met klager gehad. In dat gesprek lichtte verweerster toe wat haar taak en verantwoordelijkheid is: begeleiding van klager bij de tweede spoor re-integratie dat middels het intakegesprek en een nog op te stellen trajectplan zal worden opgestart.
2.7 Op 4 september 2017 stuurde verweerster een concept-Trajectplan aan klager.
2.8 Klager reageerde op 5 september 2017 op dit concept:
“Met verbazing hebben wij kennis genomen van uw conceptrapportage.
Aangezien de behandelend arts aangegeven heeft dat ik naar verwachting op termijn gewoon weer terug kan keren in mijn eigen werkzaamheden, snap ik niet waarom er nu een tweede spoortraject moet worden opgestart.
In verband hiermee heb ik een aantal opmerkingen verwerkt in uw conceptrapportage (zie bijlage). Uw hele rapportage ademt de sfeer dat ik voor [werkgever] afgeschreven zou zijn. Dit is niet alleen feitelijk onjuist, maar raakt mij – als loyaal werknemer van [werkgever] – zeer.
Mijn prognoses zijn immers goed en mijn doel is om weer gewoon bij [werkgever] terug te keren. Uw conceptrapportage is voor mij – zoals u zult begrijpen – niet akkoord. Zelfs indien al mijn opmerkingen zouden worden verwerkt, kan ik mij niet in de rapportage vinden, omdat deze uitgaat van een verkeerde vooronderstelling.
lk kies er echter voor om mij nu te richten op mijn medische situatie en herstel. Zodra ik daartoe medisch weer in staat ben, wil ik weer aan de slag bij [werkgever]. Het leek mij goed u dit te laten weten.”
2.9 Met de e-mail van 7 september 2017 reageerde verweerster als volgt:
“Dank voor uw opmerkingen en toevoegingen op het trajectplan. lk heb niet alle door u geplaatste opmerkingen in de rapportage verwerkt omdat een deel van de opmerkingen betrekking hebben op mijn visie en overwegingen. Ten aanzien van de medische zaken is voor mij hetgeen de bedrijfsarts zegt leidend en deze heeft aangegeven dat u met het openbaar vervoer kan reizen.
Verder wil ik nogmaals benadrukken dat ik door uw werkgever ben ingehuurd om met u een 2e spoor traject in te zetten. Dit laat onverlet dat de mogelijkheden in het 1e spoor (werk bij uw eigen werkgever) ook steeds moeten worden bekeken. Het is echter aan de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige om een uitspraak te doen over de mogelijkheid tot terugkeer in eigen werk na de operatie. De door mij geschreven rapportage is een momentopname zoals ik in het gesprek heb uitgelegd en alleen gericht op het 2e spoor.
lk heb de door u gemaakte opmerkingen, voor zover, verwerkt in de rapportage en deze wordt nu aan u en uw werkgever verzonden. lk zal aan uw werkgever terugkoppelen dat u niet akkoord bent [het college leest: met] de rapportage.”
2.10 Op 11 september 2017 stuurde verweerster klager een format CV met het verzoek aan klager deze aan te vullen. Het CV is door verweerster op 17 september 2017 terug ontvangen.
Op 18 september 2017 reageerde verweerster op het CV en is het CV aangevuld en definitief gemaakt.
2.11 Op 10 oktober 2017 had verweerster met klager een persoonlijk gesprek bij klager thuis. In dat gesprek heeft klager opnieuw medegedeeld dat hij kan en wil terugkeren in het eigen werk en hij het nut van re-integratie tweede spoor niet inziet. Verweerster heeft daarop aan klager uitgelegd dat de re-integratie tweede spoor voorlopig blijft doorlopen. Afgesproken is dat verweerster aan klager ter oriëntatie passende vacatures toestuurt en klager naar aanleiding daarvan zijn voorkeuren kenbaar maakt.
2.12 Op 24 oktober 2017 stuurde verweerster aan klager in het kader van de re-integratie tweede spoor ter oriëntatie een aantal naar haar oordeel passende vacatures. Zij gaf daarbij aan, dat zij nog uitgaat van de door de bedrijfsarts aangegeven belastbaarheid. Verder heeft verweerster aangegeven de week daarop contact op te zullen nemen met klager om te horen hoe het met klager gaat en de toegezonden voorbeeldfuncties te bespreken.
2.13 Klager reageerde dezelfde dag (24 oktober 2017) per e-mail, gaf opnieuw aan dat de re-integratie tweede spoor niet aan de orde is en stelde voor om de uitkomst van een nieuw spreekuur-contact met de bedrijfsarts af te wachten.
2.14 De bedrijfsarts beoordeelde klager opnieuw op 26 oktober 2017 en oordeelde toen als volgt:
“[klager] heeft een medische ingreep gehad en ervaart een flinke afname van klachten. Zijn behandelaar gaf aan dat hij weer zou kunnen beginnen met werken, rustig opbouwen, nadat hij voldoende genezen was van de ingreep. Dat houdt in dat hij per de week van 6-11 2 hele dagen mag gaan werken, boventallig. Hij moet zelf de grenzen aangeven van wat fysiek mogelijk is. Als dat goed gaat mag hij na 3 weken uitbreiden naar 3 hele dagen, ook nog boventallig. Ondertussen bouwt hij ook weer conditie op die nodig is voor de uitvoering van zijn werk. Gezien de verzuimduur adviseer ik dat hij voorlopig wel door gaat met re-integratie 2e spoor.”
Als re-integratiedoel gaf de bedrijfsarts aan dat de komende maanden moet blijken of een volledige werkhervatting mogelijk is of niet. Bij het oordeel van de bedrijfsarts is een “benutbare mogelijkheden lijst (bml)” gevoegd.
2.15 Op 31 oktober 2017 berichtte verweerster per mail aan klager, mede als reactie op de e-mail van klager van 24 oktober 2017, dat de uitkomst van het laatste bezoek aan de bedrijfsarts is, dat de re-integratie tweede spoor ook moet doorgaan en het zoeken naar passende vacatures daarmee relevant en nodig blijft. De vacatures die eerder aan klager waren toegezonden, waren ter oriëntatie. Verweerster verzocht klager deze vacatures te bekijken, aan te geven welk werk wel of niet aanspreekt. Doel was niet dat op deze vacatures al werd gesolliciteerd. Daarnaast ontving verweerster van klager graag vacatures die klager heeft gevonden. Klager liet daarop aan verweerster per e-mail van 31 oktober 2017 weten wat zijn voorkeuren zijn.
2.16 Naar aanleiding van het oordeel van de bedrijfsarts liet de werkgever van klager op 2 november 2017 aan klager weten, dat eerst een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek wordt uitgevoerd naar de re-integratiemogelijkheden alvorens kan worden gestart met re-integratie.
2.17 Op 2 november 2017 verzocht verweerster klager nogmaals om naar passende vacatures te zoeken.
2.18 Per e-mail van 20 november 2017 stuurde verweerster klager “een passende vacature waarop kan worden gesolliciteerd (…) [functie] 40 uur per week (…)” met het verzoek aan klager haar een sollicitatiebrief toe te sturen zodat deze door verweerster kon worden aangevuld. Verweerster gaf verder aan van klager geen vacatures te hebben ontvangen met het verzoek aan te geven wat daarvoor de reden is.
2.19 Op 20 november 2017 bracht de compagnon van verweerster een aanvullende Arbeidsdeskundige rapportage uit.
Conclusie van dat rapport was, dat het eigen werk ongewijzigd niet passend is, er in het kader van de re-integratie aangepaste werkzaamheden zijn voor maximaal 2 uur verspreid over de dag op locatie, dat dit geen structurele werkzaamheden zijn en er daarmee onvoldoende mogelijkheden tot re-integratie (in het eigen werk) bij de eigen werkgever zijn. Blijkens de rapportage heeft er in het kader van het onderzoek overleg met de werkgever en met de bedrijfsarts plaatsgevonden. Dit rapport werd eind november aan klager toegezonden.
2.20 Klager liet met een e-mail van 21 november 2017 aan verweerster weten, dat hij niets liever wil dan snel re-integreren, dat de werkgever weigert hieraan mee te werken en de werkgever heeft laten weten eerst een aanvullend arbeidsdeskundig onderzoek uit te laten voeren. Klager vroeg vervolgens of de uitkomst van dit onderzoek niet eerst moet worden afgewacht.
2.21 Diezelfde dag reageerde verweerster op deze e-mail. Zij deelde het volgende mee:
“De bedrijfsarts heef ook aangegeven dat het 2e spoor gewoon moet doorlopen. Dit staat dan los van de re-integratie bij de eigen werkgever. Dus of [werkgever] nu wel of geen re-integratie start blijft het 2e spoor doorlopen. Afwachten is dan ook niet zinvol of conform het advies van de bedrijfsarts.”
2.22 Op 7 december 2017 had verweerster weer een persoonlijk gesprek met klager bij klager thuis. Opnieuw gaf klager aan, dat hij wil re-integreren in het eigen werk, maar dat zijn werkgever dit tegenhoudt. Klager deelde meer in verband daarmee een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts te hebben gemaakt en de uitkomst daarvan af te willen wachten. Verweerster heeft opnieuw uitgelegd dat, zolang de bedrijfsarts niet anders aangeeft, de re-integratie spoor 2 doorloopt.
2.23 Op 10 december 2017 ontving verweerster van klager een concept-sollicitatiebrief.
2.24 Op 18 december 2017 had verweerster telefonisch contact met klager. Klager deelde mee dat de afspraak met de bedrijfsarts geen doorgang heeft gevonden, er een nieuwe afspraak wordt gemaakt en hij, in afwachting van de uitkomst daarvan, geen actie in het tweede spoor onderneemt.
2.25 In vervolg op dit gesprek zond verweerster aan klager in concept de 1e Voortgangs-rapportage. In deze rapportage werden de hiervoor aangegeven ondernomen activiteiten beschreven en aangegeven dat klager van mening is dat hij kan terugkeren in het eigen werk, de inzet van het tweede spoor daarom onnodig is en hij het gesprek met de bedrijfsarts wilde afwachten alvorens verder te gaan met het tweede spoor. Als vervolg werd in het rapport aangegeven, dat aan klager passende vacatures zullen worden toegezonden waarop klager in het kader van het tweede spoor kan reageren. Per e-mail van 21 december 2017 gaf klager aan dat hij het betreffende rapport heeft gelezen en er op dat moment niets aan toe te voegen heeft. Op 27 december 2017 werd de 1e Voortgangsrapportage per post aan klager en de werkgever van klager toegezonden.
2.26 Op 18 januari 2018 stuurde klager verweerster een e-mail met een overzicht van sollicitaties naar vacatures. Verweerster reageerde daarop per e-mail van 22 januari 2018 dat klager niet alleen naar re-integratieplaatsen moet solliciteren en breder moet kijken dan alleen de bouwsector.
2.27 Op 24 januari 2018 maakte klager in een e-mailbericht – volledig geciteerd in het inleidend klaagschrift – aan verweerster en haar compagnon, kort samengevat, duidelijk dat hij zich niet kan vinden in de aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van 20 november 2017, dat de bedrijfsarts aangaf dat hij kan re-integreren in het eigen werk bij zijn werkgever en de functies waarop hij door verweerster geacht wordt in het kader van de re-integratie tweede spoor te solliciteren niet passend te vinden.
2.28 Verweerster reageerde daarop met een e-mailbericht van 29 januari 2018 waarin zij antwoordde op de vragen die haar begeleiding betreffen. Verweerster lichtte toe waarom de vacatures naar haar oordeel wel passend zijn en gaf aan dat (het college begrijpt:) klager in het kader van de re-integratie tweede spoor geacht wordt op passende vacatures en niet op een re-integratieplaats te solliciteren. Verweerster legde uit dat de bedrijfsarts alleen een urenbeperking heeft gegeven voor het eigen werk, niet voor passend ander werk.
Verweerster deelde mee van klager te verwachten dat hij, aan de hand van de sollicitatiebrief die eerder (december 2017) in overleg met verweerster is opgesteld, solliciteert en zij stuurde klager nog 2 passende vacatures toe. Bij het solliciteren bood verweerster klager ondersteuning aan.
2.29 Op 1 maart 2018 had verweerster een gesprek met klager over de sollicitatie-activiteiten. Een verslag van dit gesprek werd diezelfde dag aan klager en de werkgever van klager toegezonden.
2.30 Op 21 maart 2018 pleegde verweerster overleg met de bedrijfsarts naar aanleiding van het feit dat klager aangaf dat hij alleen op een re-integratieplaats moet solliciteren en de bedrijfsarts zou hebben aangegeven dat hij eerst moet opbouwen in werk en hij nog niet bij een andere werkgever kan starten voor zijn volle werkuren zonder eerst te re-integreren. De bedrijfsarts heeft meegedeeld niet met zekerheid te kunnen zeggen dat klager het werk 40 uur per week volhoudt en daarom het advies te hebben gegeven klager te laten re-integreren bij de eigen werkgever.
Omdat sindsdien enige tijd verstreken is, gaf de bedrijfsarts ook aan dat klager ondertussen wel fulltime kan re-integreren bij een andere werkgever, maar daar geen 100% zekerheid over te hebben.
2.31 Bij brief van 3 mei 2019 is door de gemachtigde van klager bij verweerster geklaagd over de handelwijze van verweerster bij haar begeleiding van klager bij de tweede spoor re-integratie en is verweerster namens klager aansprakelijk gesteld voor schade die klager stelt te hebben geleden.
2.32 Op 14 mei 2018 is een eindrapportage door verweerster opgesteld en is de opdracht beëindigd.
Overwegingen
3.1 Volgens de uitspraak van het AT, waarvan beroep, heeft de klacht betrekking op de handelwijze van verweerster bij de begeleiding van klager bij de re-integratie tweede spoor. De klacht bestaat er kort samengevat uit dat
a. verweerster zich bij haar handelen niet heeft laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid en geen toenaderingsverantwoordelijkheid jegens klager heeft getoond. Verweerster heeft zijn belangen niet geïnventariseerd, geen oog gehad voor de gevolgen voor klager en er heeft geen afstemming en bijstelling van de aanpak plaatsgevonden met de collega-arbeidsdeskundige na de aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van 20 november 2017. Door verweerster is volgens klager ook niet geantwoord op zijn e-mailbericht van 28 januari 2018. Bovendien zou door verweerster niet onafhankelijk en niet objectief jegens klager zijn gehandeld;
b. het optreden van verweerster zeer dwingend, belerend en vervelend was en niet van respect getuigde. In de terugkoppelingen van verweerster aan de werkgever over het verloop van de begeleiding van klager bij de re-integratie tweede spoor is klager naar zijn oordeel niet dan wel onvoldoende gekend.
Aldus heeft verweerster niet de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige in acht genomen, artikel 1 Gedragscode SRA, en is door verweerster gehandeld in strijd met artikel 7 Gedragscode dat voorschrijft dat de arbeidsdeskundige streeft naar een verhouding met cliënten die berust op respect.
3.2 Tegen de weergave van de klacht door het AT is in hoger beroep geen grief gericht zodat ook het college daarvan uitgaat.
3.3 Het AT heeft, na daartoe door verweerster gevoerd verweer, de klacht ongegrond geoordeeld. Het AT stelde voorop dat de taak en verantwoordelijkheid van verweerster jegens klager beperkt was tot uitsluitend de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager en dat verweerster klager daarover duidelijk en zorgvuldig heeft geïnformeerd.
Verweerster mocht zich laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie tweede spoor (nog) aan de orde was. Verweerster heeft op jegens klager zorgvuldige en respectvolle wijze uitvoering gegeven aan haar taak om klager te begeleiden bij de re-integratie tweede spoor.
Verweerster heeft veelvuldig contact met klager onderhouden en vragen van hem beantwoord. Zij heeft de beschikbare informatie op een zorgvuldige wijze geïnventariseerd, haar rapportages in concept aan (het college begrijpt:) klager voorgelegd alvorens deze definitief werden gemaakt.
Feitelijke onderbouwing ontbreekt aan het verwijt dat verweerster haar taak niet op onafhankelijke en objectieve wijze heeft vervuld.
Ook het verwijt dat verweerster onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar andere passende functies, treft volgens het AT geen doel. Verweerster heeft klager een en andermaal gewezen op naar haar oordeel passende vacatures. Dat klager van oordeel is dat deze niet passend waren doet daar niet aan af. Het is niet aan het Tuchtcollege om een oordeel te geven over de vraag of de betreffende vacatures wel of niet passend waren.
Ook aan de klacht dat verweerster klager niet op een respectvolle wijze heeft behandeld ontbreekt feitelijke grond. Dat klager de houding van verweerster als dwingend, belerend en vervelend heeft ervaren, is naar het oordeel van het Tuchtcollege beleving van klager, maar is, objectief beschouwd, onvoldoende om te kunnen spreken van niet-respectvol gedrag van verweerster, aldus – kort samengevat – het AT.
3.4.1 Klager heeft in hoger beroep de volgende grieven voorgedragen:
Grief 1.
Ten onrechte heeft het AT in zijn uitspraak geoordeeld dat verweerster de beschikbare informatie op een zorgvuldige wijze geïnventariseerd zou hebben. En ten onrechte oordeelde het AT dat verweerster daarbij afgewogen zou hebben of de informatie van de bedrijfsarts aanleiding vormde om het trajectplan en de begeleiding aan te passen.
Grief 2.
Ten onrechte heeft het AT voorts geoordeeld dat er geen feitelijke grondslag zou bestaan voor het verwijt van klager, dat verweerster haar taak niet op een onafhankelijke en objectieve wijze vervuld heeft.
3.4.2 Klager concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en het alsnog gehonoreerd worden van zijn klacht. Klager gaat er daarbij vanuit dat aan verweerster een passende tuchtrechtelijke maatregel zal worden opgelegd.
3.5 Verweerster voert ook in hoger beroep verweer. Voor zover nodig voor de beoordeling van het beroep gaat het college hierna op het verweer in. Verweerster concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het AT.
3.6.1 Verweerster heeft opgemerkt dat namens klager argumenten worden aangevoerd die in de eerdere procedure bij het AT niet zijn genoemd. Met referte aan het oordeel van het college lijkt het verweerster formeel onjuist om in deze procedure nieuwe klachten naar voren te brengen.
3.6.2 Het college overweegt dat voor het voor het eerst in hoger beroep indienen van een nieuwe klacht geen ruimte bestaat. Het aanvoeren van nieuwe of nadere argumenten ter onderbouwing van een reeds in eerste aanleg ingediende klacht stuit daarentegen niet op niet-ontvankelijkheid; het is in overeenstemming met de strekking van een hoger beroep dat stellingen nader kunnen worden uitgewerkt. Verweerster maakt niet duidelijk wélke nieuwe klachten er door klager voor het eerst in hoger beroep worden geponeerd. Voor zover zij zou doelen op de verwijzing in het beroepschrift naar artikel 2 lid 2 van de Gedragscode SRA, die niet voorkwam in het inleidend klaagschrift noch in de repliek van klager van 7 april 2020 (AT 1.5), gaat het college daaraan voorbij nu dat geen nieuwe inhoudelijke klacht is maar slechts een aanduiding van de grondslag in de Gedragscode SRA. Ook overigens heeft het college geen nieuwe klacht(en) aangetroffen.
3.7 Het college stelt vast dat klager (terecht) niet grieft:
a. tegen het uitgangspunt van het AT (6.2) in deze zaak dat de taak en verantwoordelijkheid van verweerster jegens klager beperkt was tot uitsluitend de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager en dat verweerster klager daarover zowel bij de start als herhaalde malen gedurende de begeleiding duidelijk en zorgvuldig heeft geïnformeerd;
b. tegen de overweging van het AT dat verweerster zich mocht laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie tweede spoor (nog) aan de orde was.
3.8 Terecht heeft klager bovendien niet gegriefd tegen het door het AT onder 5.3 van zijn uitspraak geschetste toetsingskader, welk kader ook het college aanhoudt: het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige.
Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten.
Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat verweerster met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
3.9 Het AT heeft in zijn overweging ten overvloede (6.7) aan verweerster meegegeven dat wanneer zij de re-integratiebegeleiding verzorgt in een dossier waarin haar compagnon reeds arbeidsdeskundig werk verrichtte, zij zich zeer bewust dient te zijn van het belang om in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit aan betrokkenen aan te geven welke ten opzichte van haar compagnon andere taak en verantwoordelijkheid zij heeft. Volgens het AT heeft verweerster zich daar in deze zaak genoegzaam van gekweten. Het college deelt deze opvattingen van het AT, in het bijzonder wanneer, zoals in dit geval, de arbeidsdeskundige beoordeling ter zake van de (on)geschiktheid voor de eigen functie, gedurende enige tijd samenloopt met de tweede spoor re-integratiebegeleiding van de betrokken cliënt. Onder omstandigheden kan het voor een cliënt onduidelijkheid met zich brengen.
3.10 Het college heeft ook in dit hoger beroep, hoewel niet zonder meer allemaal relevant voor de beoordeling, alle door het AT in aanmerking genomen vaststaande feiten uitgeschreven. De reden hiervoor hangt met name samen met hetgeen in 3.7 onder a., 3.9 en 3.12.4 is verwoord.
3.11.1 Ingevolge artikel 7:658a lid 1 BW bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Anders gezegd: de werkgever bevordert de re-integratie van de werknemer. De werkgever kan gedurende het re-integratieproces een deskundige inschakelen zoals een arbeidsdeskundige. Deze kan de re-integratieactiviteiten beoordelen en de werkgever (en werknemer) ter zake adviseren. De arbeidsdeskundige inventariseert de arbeidsmogelijkheden van de betrokken werknemer, beoordeelt of het eigen werk van de werknemer kan worden aangepast en of werknemer andere passende werkzaamheden (vgl. artikel 7:658a lid 4 BW) kan verrichten.
Voor de arbeidsdeskundige beoordeling bij re-integratie geldt de eigen functie van de werknemer als uitgangspunt. Dát is in beginsel de functie ter zake waarvan de (on)geschiktheid van de werknemer tot vervulling dient te worden vastgesteld, waarbij de beperkingen worden gehanteerd zoals door de bedrijfsarts vastgesteld in zijn zakelijke rapportage (voor de arbeidsdeskundige) en de functionele mogelijkhedenlijst (FML). Als de werknemer de bedongen arbeid (weer) kan verrichten zonder aanpassingen is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Er hoeft dan ook niet (meer) naar passende arbeid te worden gekeken.
3.11.2 In aansluiting op het vermelde in 3.7 onder b. was verweerster (dus) overeenkomstig haar opdracht belast met de re-integratie tweede spoor van klager. Daarbij gaat het in aanvang om oriëntatie op een andere functie en coaching naar passende arbeid.
3.11.3 Bij een opdracht tot arbeidsdeskundige begeleiding in het kader van re-integratie tweede spoor, wordt van de arbeidsdeskundige niet verwacht, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, dat van iedere naar het oordeel van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arbeidsdeskundige mogelijk passende functie een volledige arbeidsdeskundige beoordeling wordt gemaakt alvorens deze als vacature onder de aandacht van de cliënt wordt gebracht.
Grief 1
3.12.1 De toelichting op de grief gaat in op de door verweerster aangedragen (2.18) functie. Volgens klager kon en mocht verweerster gezien de vele beperkingen die in de door de bedrijfsarts opgestelde BML waren opgenomen, niet volstaan met slechts de summiere opmerking dat zij de betreffende functie passend zou achten “gelet op het ontbreken van fysieke belasting”. Volgens klager betreft de aangedragen functie bij uitstek een fysieke functie. Van verweerster had – als arbeidsdeskundige – verwacht mogen worden dat zij haar conclusie dat sprake was van een passende functie uitgebreid had onderbouwd met argumenten. Verweerster heeft dit echter volledig nagelaten, hetgeen een register-arbeidsdeskundige totaal niet past. Gezien het voorgaande heeft verweerster zich niet laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid, aldus klager.
Ook heeft verweerster geen toenaderingsverantwoordelijkheid getoond. Zij heeft niet adequaat gereageerd op de e-mail van klager van 24 januari 2018.
Dat het AT in zijn overwegingen de e-mail van 24 januari 2018 met geen woord noemt, heeft klager verbaasd en is niet-correct. Deze e-mail was een noodkreet van klager aan verweerster.
3.12.2 De grief slaagt niet, reeds op de in 3.11.3 weergegeven grond. Het college treedt niet verder in de inhoudelijke beoordeling door de arbeidsdeskundige.
3.12.3 De klacht dat verweerster zich niet heeft laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid bouwt voort op het onjuiste uitgangspunt van klager in 3.12.1 en faalt dus eveneens. De verwijzing naar “alle opmerkingen die [klager] in eerste aanleg maakte” (aanhef beroepschrift punt 9) is te vaag.
3.12.4 In aansluiting op hetgeen is 3.10 onder verwijzing naar 3.7 onder a. en 3.9 is overwogen, verwerpt het college de klacht dat verweerster geen toenaderingsverantwoordelijkheid jegens klager heeft getoond. Met het AT is het college van oordeel dat verweerster, blijkens de vaststaande feiten, veelvuldig contact met klager heeft onderhouden, hem bij herhaling heeft geïnformeerd over haar taak en hetgeen van klager verwacht werd en verweerster heeft vragen van klager zo goed als mogelijk beantwoord. De thans als een noodkreet gepresenteerde e-mail van 24 januari 2018 ademt die toon niet maar illustreert veeleer dat klager geen behoefte had aan re-integratie tweede spoor (maar wenste te re-integreren bij zijn eigen werkgever). Maar dat brengt niet met zich dat verweerster in haar toenaderingsverantwoordelijkheid is tekortgeschoten.
Grief 2.
3.13 Het college begrijpt de toelichting op de grief mede in het licht van de inleiding (“feiten”) van het beroepschrift aldus dat ook de klacht dat verweerster geen acht geslagen heeft op de BML ziet op de door haar aangedragen functie. Nu hetgeen in 3.12.2 is overwogen ook hierop betrekking heeft faalt ook deze grief.
3.14 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond behoort te worden verklaard.
Beslissing
Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:
– verklaart het beroep ongegrond.
Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op 21 mei 2021 door
mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren L. Janssen en P.E. Hulsen, leden.