Uitspraak CAT van 4 december 2020 (zaaknummer: 2020/21 en 2020/22 CAT)

Uitspraak CAT van 4 december 2020 (zaaknummer: 2020/21 en 2020/22 CAT)

Uitspraak

CAT van 4 december 2020 (zaaknummer: 2020/21 en 2020/22 CAT)

Trefwoorden

Passende functies. Zorgvuldig onderzoek. Toenaderingsverantwoordelijkheid. Vernietiging. 

Artikelen Gedragscode SRA

Artikel 1, 3 lid 1 en 3 en 6

Samenvatting

Voor een samenvatting van de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de samenvatting bij AT 26 juli 2020 (20-59 AT). 

Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan. De grieven van klager slagen niet. De grieven van verweerster slager gedeeltelijk. Het CAT is van oordeel dat het niet zonder meer de taak van verweerster was om met klager vervangende functies te verkennen. Zij diende op basis van de FML de re-integratiemogelijkheden te onderzoeken. In dat kader kan het volgens het CAT dienstig zijn met de betreffende werknemer vervangende functies te verkennen, maar dat is niet zonder meer noodzakelijk. Niet is komen vast te staan dat er onvoldoende onderzoek naar de voor klager passend werk bij de werkgever is gedaan, aldus het CAT. Deze grief van verweerster slaagt. Ten aanzien van de toenaderingsverantwoordelijkheid van verweerster is het CAT van oordeel dat klager zo onwelwillend heeft gereageerd op de uitnodigingen van verweerster om in gesprek te gaan, dat de toenaderingsverantwoordelijkheid van verweerster ernstig op de proef werd gesteld. De grenzen van de toenaderingsverantwoordelijkheid waren volgens het CAT bereikt toen klager eiste dat eerst het definitieve rapport zou worden aangepast alvorens hij bereid was om met verweerster te spreken. Partijen behoren zich te kunnen herkennen in wat er gerapporteerd wordt, maar zij bepalen niet de inhoud van de arbeidsdeskundige rapportage. Dat betekent niet dat klager niet serieus genomen is, maar dat verweerster haar eigen professionele afweging heeft gemaakt. Het CAT overweegt dat die afweging, mede gelet op de toenaderingsverantwoordelijkheid, niet onbespreekbaar is, maar uiteindelijk wel aan de arbeidsdeskundige is. Het CAT vernietigt de uitspraak van het AT en verklaart de klacht ongegrond. 

 

Uitspraak CAT 4 december 2020

Zaaknummers: 2020-21 en 2020-22 CAT

Uitspraak van het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in de hoger beroepen op de klacht van 

appellant in zaak 2020-21,

verweerder in zaak 2020-22,

hierna te noemen: klager,

 

tegen

 

de register-arbeidsdeskundige,

verweerster in zaak 2020-21,

appellante in zaak 2020-22,

gemachtigde: mr. dr. drs. H. Mees, 

hierna te noemen: verweerster.

 

Procesverloop

in de zaak 2020-21

1.1 Bij beroepschrift van 30 juli 2020 heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT) van 26 juli 2020 met zaaknummer 20-59/AT, gegeven tussen klager en verweerster. Voor het procesverloop bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verwijst het college naar wat in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop.’

 

1.2 Na daartoe verleend uitstel heeft verweerster op 28 september 2020 haar verweerschrift ingediend, met producties.

in de zaak 2020-22

1.3 Bij pro forma beroepschrift van 3 augustus 2020 heeft verweerster (eveneens tijdig) beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak van het AT. Aan verweerster is desgevraagd uitstel verleend voor aanvulling van haar beroep met de gronden van beroep. Verweerster heeft op 26 augustus 2020 haar beroepschrift aangevuld, onder overlegging van producties. 

 

1.4 Op 22 september 2020 is binnengekomen het verweerschrift van klager. 

in beide zaken

1.5 Op 30 oktober 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van verweerster heeft pleitaantekeningen overgelegd. 

 

1.6 Ten slotte is uitspraak bepaald in de ter zitting gevoegde zaken.

De feiten

In zaak 2020-21 en 2020-22

 

2.1 Voor de feiten gaat het college uit van de feiten die door het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onder het kopje ‘Feiten’ in de bestreden uitspraak zijn vermeld nu daartegen in beroep geen grieven zijn gericht, aangevuld op enkele onderdelen. Het gaat daarbij om het volgende.

 

2.2 In augustus 2019 is door de werkgever van klager aan verweerster opdracht verstrekt om in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter een arbeidsdeskundig onderzoek te doen naar de re-integratiemogelijkheden van klager.

 

2.3 Op 2 september 2019 heeft verweerster in dat kader gesprekken gevoerd met de werkgever van klager, met klager en met de werkgever en klager gezamenlijk.

 

2.4 Op 3 september 2019 heeft verweerster overleg gehad met de bedrijfsarts over de beperkingen van klager. Op diezelfde dag heeft klager verweerster een e-mail gestuurd met de eerstejaarsevaluatie en het verzuimprotocol en een aantal inhoudelijke opmerkingen over de handelwijze van de werkgever met het verzoek aan verweerster om deze in het verslag van het gesprek met klager op te nemen. 

De e-mail luidt als volgt:

“Bijgaand zend ik je twee documenten.

Het door mij gecombineerde formulier eerstejaarsevaluatie. (…) Daarnaast het document "beleidskader ziekteverlof en re-integratie" van [werkgever]. (…)

Ik weet dat je verslag beknopt wordt maar verwacht wel dat ook mijn ervaring wordt weergegeven. Mi is de kern van mijn betoog; Ziek geworden door onrealistische taakstellingen en opgelegde dubbelfunctie.

Van begeleiding bij re-integratie is geen sprake. Bejegening door leidinggevende is niet respectvol. Bedrijfsarts, vertrouwenspersoon en UWV moesten ingeschakeld worden om weer arbeidstherapeutische werkzaamheden te kunnen gaan verrichten.

Er is door mij opnieuw een verzoek ingediend om de communicatie via de tweede bestuurder te laten verlopen. Vorig jaar was ook noodzakelijk en dat is toen professioneel en prettig verlopen.

Ik ben van mening dat ik wel alles heb gedaan om zoveel mogelijk te herstellen en te re-integreren ondanks alle tegenwerking en kan dat ook beargumenteren.”

Deze e-mail is door verweerster, zoals zij zelf aangeeft, voor kennisgeving aangenomen.

 

2.5 Op 9 september 2019 is de arbeidsdeskundige rapportage door verweerster aan klager en aan de werkgever van klager toegezonden met de mogelijkheid om binnen 1 week nog aanpassingen van de rapportage aan verweerster door te geven. Volgens het rapport heeft de werkgever “(i)n verband met de arbeidsongeschiktheid van de werknemer (…) een verzoek gedaan een arbeidsdeskundig onderzoek te laten verrichten. De doelstelling van het onderzoek is het vaststellen of het eigen werk ondanks de bestaande huidige beperkingen nog als passend te beschouwen is, eventueel door middel van aanpassingen. Mocht dit niet zo zijn, dan wordt onderzocht of er passende werkzaamheden voor de werknemer te duiden zijn bij de eigen of een andere werkgever.”

 

2.6 Op 17 september 2019 is de definitieve versie van de rapportage door verweerster vastgesteld. Van klager werd geen reactie ontvangen, maar klager was, zo bleek achteraf, op vakantie. Op verzoek van de werkgever van klager werd het onderdeel van het rapport met de titel ‘gesprek met de werkgever’ door verweerster aangepast.

 

2.7 Klager heeft na terugkomst van zijn vakantie, op 24 september 2019, per e-mail op het rapport gereageerd. Hij heeft aangegeven teleurgesteld te zijn in het rapport. 

Terwijl de werkgever volgens klager in het rapport uitgebreid is geciteerd, is het verslag van het gesprek met klager volgens klager summier, niet volledig en niet correct. Klager heeft een aantal volgens hem belangrijke punten aangevoerd die niet in rapport van verweerster zijn opgenomen:

“• Mijn werkgever houdt zich aantoonbaar niet of nauwelijks aan de stappen die in de wet verbetering poortwachter en het interne verzuimbeleid worden genoemd.

• lk wordt fors tegengewerkt. Voor het weer beschikbaar krijgen van digitale werkruimte heb ik de vertrouwenspersoon, UWV en bedrijfsarts moeten inschakelen. Ook het beschikbaar krijgen van kantoorruimte leverde gedoe.

• Alle initiatieven voor plan van aanpak en re-integratie zijn door mij genomen.

• Er is geen enkele begeleiding geboden in de negen maanden dat ik re-integratie werkzaamheden verricht. Op voortgangsberichten en meldingen van mij wordt niet gereageerd hoewel die inhoudelijk alarmerend zijn.

• In correspondentie en dossiervorming zijn door de werkgever zijn grove fouten gemaakt inzake persoonlijke en medische privacy. Een fout is door de Autoriteit Persoonsgegevens geregistreerd als data lek.”

 

2.8 Naar aanleiding van de reactie van klager heeft verweerster op 24 september 2019 telefonisch contact opgenomen met klager; zij heeft een bericht op de voicemail van klager achtergelaten.

 

2.9 Op 25 september 2019 heeft klager per mail aan verweerster laten weten, geen behoefte te hebben aan een gesprek. Verweerster heeft volgens klager voldoende informatie ontvangen. Klager heeft aangegeven ook contact te hebben gehad met het UWV en de SRA. 

Verweerster geeft per mail van dezelfde datum aan dat aanpassing in goed overleg mogelijk is, dat er volgens een bepaald format wordt gerapporteerd en dat zij bereid is om in gesprek te gaan over aanpassingen.

 

2.10 Klager heeft op 26 september 2019 aan verweerster medegedeeld, dat hij vindt dat hij zowel mondeling als schriftelijk voldoende informatie aan verweerster heeft verstrekt, dat hij deze informatie graag eerst opgenomen wil zien in de rapportage en daar vervolgens op zal reageren. Verweerster heeft dezelfde dag gereageerd met het verzoek om een belafspraak.

 

2.11 Op 27 september 2019 heeft klager nogmaals aan verweerster laten weten, dat hij eerst een aangepaste tekst wil ontvangen. 

Dezelfde dag stuurt verweerster klager een aangepaste versie van het rapport toe. Daarbij heeft verweerster aangegeven dat ze recht heeft willen doen aan de opmerkingen van klager en het haar voorkeur heeft het samen telefonisch te bespreken.

 

2.12 Klager heeft verweerster op 2 oktober 2019 meegedeeld, dat de aangepaste versie opnieuw incompleet is en een onjuist beeld schetst. Daarbij heeft klager verweerster een voorgenomen klacht bij de SRA toegestuurd gedateerd 1 oktober 2019, met het verzoek uiterlijk de vrijdag daarop een correcte rapportage te sturen met de zaken die klager heeft aangegeven.

 

2.13 Na overleg met een collega, die verweerster heeft geadviseerd de opmerkingen van klager integraal over te nemen, heeft verweerster aan klager en zijn werkgever een aangepaste versie van het rapport gestuurd met daarin opgenomen (blz. 12) de tekst van klager.

 

2.14 Klager heeft dezelfde dag gereageerd. Klager verwijt verweerster ‘lapwerk’, geeft aan met de aangepaste versie niet akkoord te zijn. Klager heeft verweerster verzocht om, vanwege de ophanden zijnde vakantie van verweerster, een collega de afhandeling van het rapport over te laten nemen.

 

2.15 Op 3 oktober 2019 heeft klager aan de werkgever, de bedrijfsarts en verweerster laten weten dat hij de aangepaste versie van het rapport afwijst, dat hij gesproken heeft met de SRA, dat de SRA de gang van zaken laakbaar vindt, dat de opmerkingen van klager volgens de SRA in de rapportage moeten worden meegenomen en door de SRA is verwezen naar de klachtenprocedure. Diezelfde dag heeft verweerster de klacht als casus in haar OTG (Onderlinge Toetsing Groep) ingebracht.

 

2.16 Op 8 oktober 2019 heeft klager verweerster laten weten, dat hij een klacht naar de SRA voorbereidt.

 

2.17 Na terugkeer van vakantie, heeft verweerster klager een mail gestuurd waarin zij haar rol als arbeidsdeskundige heeft uitgelegd en heeft laten weten dat indiening van een klacht bij de SRA de beste weg is. Klager heeft daarop gereageerd op 16 oktober 2019 met de mededeling dat hij de klacht heeft ingediend.

 

Overwegingen

In beide zaken

 

3.1 Volgens de uitspraak van het AT heeft de klacht betrekking op de arbeidsdeskundige rapportage van verweerster van 17 september 2019. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:

a. verweerster heeft klager als arbeidsdeskundige niet alle relevante informatie verschaft;

b. verweerster is in strijd met de op haar als arbeidsdeskundige rustende verantwoordelijkheid niet op een redelijke wijze met klager in gesprek gebleven;

c. de conclusie van het arbeidsdeskundig onderzoek dat er geen passende functie voor klager bij de werkgever beschikbaar is, is niet gebaseerd op een gedegen onderzoek (suggesties van cliënt zijn niet vermeld en niet meegewogen) en is niet voldoende onderbouwd;

d. verweerster heeft onvoldoende zelfkennis, zelfreflectie, zorgvuldigheid, billijkheid en professionaliteit in het tegemoet treden van de cliënt getoond;

e. de rapportage van verweerster vermeldt niet de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

f. verweerster heeft de op haar rustende geheimhoudingsplicht jegens klager geschonden;

g. verweerster heeft gehandeld in strijd met de financiële zorgvuldigheid.

 

3.2.1 Na daartoe door verweerster gevoerd verweer heeft het AT de door klager ingediende klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Samengevat was het AT, onder verwerping van het door verweerster gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer, ten aanzien van de hiervoor weergegeven klachtonderdelen van oordeel dat

a. (7.3) de feitelijke grondslag voor dit klachtonderdeel onvoldoende was. Het klachtonderdeel werd daarom ongegrond verklaard. Dat verweerster beklaagde onjuist heeft geïnformeerd met de opmerking: “Als de werkgever stelt dat er geen passend werk is, dat er dan ook geen mogelijkheden zijn. Aan het eind komen dan de advocaten en dan stopt het. Dat kun je maar het beste gewoon aanvaarden” is niet komen vast te staan. 

b. (7.4 – 7.8) verweerster na oplevering van de definitieve rapportage op 17 september 2019, verschillende pogingen heeft gedaan om met klager in gesprek te gaan. Verweerster is zich echter in de aanloop naar de totstandkoming van die rapportage onvoldoende bewust geweest van de zorgvuldigheid die van haar als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. 

Klager heeft al in het e-mailbericht van 3 september 2019 aangegeven dat hij het van groot belang vindt dat zijn opmerkingen in het verslag worden opgenomen. Verweerster heeft deze opmerkingen voor kennisgeving aangenomen en niet in haar rapportage opgenomen en verwerkt.

Van verweerster had als redelijk handelend arbeidsdeskundige mogen worden verwacht dat zij, voordat zij haar rapportage aan klager en zijn werkgever stuurde, aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, uitleg te verschaffen over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige en zich daarbij zorgvuldig te vergewissen van de juistheid van de weergave van het gesprek met de klager. Verweerster heeft niet de zorg betracht die van haar als arbeidsdeskundige mag worden verwacht, hetgeen ook geldt voor de fase na oplevering van het rapport op 9 september 2019;

c. + e. (7.9 – 7.10) de rapportage van verweerster niet aan de eisen van artikel 3 aanhef en onder 1 en 3 van de Gedragscode SRA voldoet. Van verweerster mocht verwacht worden dat zij zorgvuldig onderzoek zou doen of er geen andere passende functies bij de werkgever voorhanden zijn waarin klager kan re-integreren en zij in haar rapportage op een voor klager kenbare wijze zou ingaan op de (mede door klager aangedragen) feiten. Het AT was van oordeel dat het rapport op dit punt erg summier is en dat niet op inzichtelijke wijze uiteengezet wordt op welke gronden verweerster tot de conclusie komt dat er voor klager geen ander passend werk bij de werkgever aanwezig is;

d. (7.11) dit onderdeel, klagend over de opstelling van verweerster bij de bemiddeling door de Arbeidsdeskundig Ombudsman (hierna: de Ombudsman) buiten beschouwing blijft. De houding en uitlatingen van partijen daarbij vallen buiten de tuchtrechtelijke toetsing door het AT;

f. (7.12) van schending van de geheimhoudingsplicht niet is gebleken. Inbreng van de casus in de OTG (2.15) is geanonimiseerd gebeurd en er zijn geen vertrouwelijke gegevens over tot klager gedeeld;

g. (7.14) nu artikel 4 van de Gedragscode SRA (financiële zorgvuldigheid) niet ziet op het financiële nadeel dat klager stelt te hebben geleden, het AT daarover geen oordeel geeft. 

 

3.2.2 De klachtenonderdelen b., c. en e. gegrond zijnde heeft het AT op voet van artikel 22 lid 1 aanhef en onder b. van het Tuchtreglement SRA (oud) aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd.

 

3.3.1 In zaak 2020-21 heeft klager 3 grieven voorgedragen tegen de beslissing van het AT. 

Klager voert aan dat hij voor de zitting (in eerste aanleg, zo begrijp het college) twee zaken had aangegeven. Voorkomen moet worden dat in de toekomst medewerkers die zich in een benarde positie bevinden hun verhaal en suggesties niet vermeld zien in de rapportage en er gedegen onderzoek wordt gedaan. Het verzoek vooral kwalitatief in gesprek te gaan op de inhoud. Aan beide zaken is naar het oordeel van klager niet voldaan.

 

3.3.2 In zaak 2020-22 heeft verweerster 4 grieven opgevoerd tegen de beslissing van het AT.

Verweerster concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van het AT en klager niet ontvankelijk te verklaren, althans niet-ontvankelijk te verklaren op de klacht onderdelen a., b., d. en f., subsidiair – voor zover klager wordt ontvangen – tot ongegrondverklaring van de klacht en meer subsidiair – voor zover de klacht gegrond wordt verklaard, geen maatregel op te leggen.  

 

3.3.3 Partijen concluderen in beide zaken over en weer tot verwerping van het beroep van de wederpartij.

 

In zaak 2020-21

3.4 De grieven van klager keren zich tegen de overwegingen van het AT met betrekking tot de klachtonderdelen a. (7.2 en 7.3), b. (7.4 t/m 7.8) en f. (7.12 en 7.13). Het college leest in het doorlopende betoog van klager de volgende grieven, die het college voor de leesbaarheid zelf heeft genummerd.

 

3.4.1 Grief 1 klaagt erover – zo begrijpt het college – dat het AT verweerster nader had kunnen bevragen. Als het CAT dat alsnog doet, kan er meer duidelijk worden: wat is er wel gezegd? Hoe is er onderzoek gedaan naar vervangend werk?

 

3.4.2 Met grief 2 voert klager aan dat de opmerking van het AT dat klager zich bepaald niet welwillend heeft opgesteld steekt. Duidelijk is dat het voor “deze werknemer” (klager) zeer belangrijk is dat informatie correct vermeld en verwerkt wordt. Verweerster heeft twee keer er bewust voor gekozen niet op uitnodigingen voor een gesprek in te gaan en zij doet alsof klager dat niet wil. Voordien moest echter duidelijk zijn dat verweerster wel bereid zou zijn om beschikbare informatie mee te nemen in het hoofdstuk “gesprek met de medewerker.”

 

3.4.3 Volgens grief 3 is klachtonderdeel f. enkel “digitaal behandeld”. Is de privacy geschonden? Nee, maar dat was ook het punt niet. Het punt van klager was niet dat de privacy is geschonden, maar door deze klacht te bespreken met vele UWV medewerkers die ook nog eens in notulen breed verspreid wordt is er een risico genomen met klagers privacy. 

 

Ook al zijn de arbeidsdeskundigen nu werkzaam bij het werkbedrijf van het UWV, zij kunnen natuurlijk ook plots intern overgeplaatst worden. Verweerster wist dat klager in een WIA-aanvraagprocedure zat, dan is het in die periode niet wijs deze casus, te bespreken met UWV medewerkers. Het tweede gedeelte van dit klachtonderdeel hierover ging over de wijze van bespreken in deze OTG. Was er sprake van het bespreken van een dilemma of werd enkel een negatief frame gedeeld? Verweerster komt weg met de opmerking “ik heb deze notulen niet gemaakt”. Volgens klager getuigt de bespreking en tekst niet van een kwalitatieve en professionele afweging van het AT. 

 

In zaak 2020-22

3.4 Verweerster draagt de volgende gronden van beroep voor.

3.4.1 Grief 1. Onder verwijzing naar de tweede volzin van artikel 3.4 van het Tuchtreglement SRA (oud) voert verweerster aan dat klager de interne klachtenprocedure van de organisatie waarbij verweerster werkzaam is niet heeft benut. Klager kan derhalve niet in de klacht worden ontvangen, aldus verweerster.

 

3.4.2 Grief 2 betoogt – subsidiair – dat de klacht op grond van artikel 3.2 van het Tuchtreglement SRA slechts ontvankelijk is voor zover de klager de klacht heeft voorgelegd aan de Arbeidsdeskundig Ombudsman. Klager heeft geklaagd over de onderdelen c. en e.; klager heeft de onderdelen a., b., d. en f. niet aan de orde gesteld bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman.

 

3.4.3 Grief 3 houdt in dat de arbeidsdeskundige het rapport zorgvuldig heeft onderbouwd.

 

3.4.4 Volgens grief 4 is de arbeidsdeskundige op redelijke wijze in gesprek gebleven met klager.

 

 

3.5 Het college ziet ter voorkoming van misverstand aan de zijde van klager aanleiding eerst een algemene opmerking te maken. 

 

Zoals door het college eerder opgemerkt is het doel van het tuchtrecht zoals geregeld in het Tuchtreglement SRA, kort gezegd, handhaving van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door in het Register ingeschreven arbeidsdeskundigen. Het Tuchtreglement SRA geeft, als rechtstreeks belanghebbende bij de handhaving van die kwaliteit, aan cliënten en opdrachtgevers in de zin van het Tuchtreglement SRA de mogelijkheid om klachten daarover aan de tuchtrechter voor te leggen, alsmede een beroepsmogelijkheid voor zover die klachten zijn afgewezen. Oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel beoogt niet (zozeer) om aan de klager wiens klacht gegrond wordt verklaard genoegdoening te verschaffen, als wel om – in het belang van een behoorlijke beroepsuitoefening – de betrokken beroepsbeoefenaar in te scherpen dat hij professioneel beneden de maat is gebleven.

Voor zover klager in zijn beroepschrift die strekking en grenzen van het tuchtrecht uit het oog verliest gaat het college daaraan voorbij.

 

3.6 Het college behandelt eerst de grieven in zaak 2020-22 nu die mede zien op de ontvankelijkheid van klager. Zou grief 1 of grief 2 van verweerster doel treffen dan komt het college aan een inhoudelijke behandeling van de klacht niet toe. Wat in deze grieven is gesteld, is door verweerster in zaak 2020-21 ook ten verwere aangevoerd. 

 

3.6.1 Grief 1. Verweerster verwijst in (de bijlage bij) haar verweerschrift naar artikel 3.4 van per 1 augustus 2020 gewijzigde Tuchtreglement SRA. Het college wijst erop dat ingevolge artikel 22 lid 2 tweede volzin “(h)et gewijzigde reglement van toepassing (is) op alle klachten die vanaf die laatste datum zijn ingediend bij het secretariaat.” Het college gaat dus uit van het “oude” Tuchtreglement SRA, waarvan artikel 3.4 luidt:

“Het bepaalde in de vorige leden en in artikel 2 is van overeenkomstige toepassing op de klagende R.Ad. die een klacht indient tegen een andere arbeidsdeskundige. De klagende R.Ad. kan voorts pas in die klacht worden ontvangen, indien hij de interne klachtenprocedure van de organisatie waar die arbeidsdeskundige werkzaam is ten tijde van het indienen van de klacht bij SRA volledig heeft benut.” 

Waar blijkens artikel 1 Begripsomschrijvingen van het Tuchtreglement SRA (oud) onder “Klagende R.Ad” wordt verstaan de “arbeidsdeskundige die een klacht indient tegen een (andere) arbeidsdeskundige” moge duidelijk zijn dat verweerster zich ten aanzien van klager ten onrechte beroept op het niet-doorlopen hebben van de interne klachtenprocedure van de organisatie waarbij verweerster werkzaam is. Klager immers is geen arbeidsdeskundige (die een klacht indient tegen een andere arbeidsdeskundige). Voor cliënten gelijk klager geldt die voorwaarde niet, vgl. artikel 3.1 en 3.2 van het Tuchtreglement SRA (oud). Tussen partijen is niet in geschil dat klager bij zijn e-mail van 2 oktober 2019 verweerster in kennis heeft gesteld van zijn voornemen een klacht in te dienen bij de SRA. Aan artikel 3.1 is dus voldaan. Grief 1 faalt.

 

3.6.2 Grief 2. Ook deze grief moet falen. Volgens artikel 11 lid 3 van het Tuchtreglement SRA dat geldt vanaf 1 augustus 2020 beoordeelt “(h)et AT de klacht aan de hand van het door de Arbeidsdeskundig Ombudsman doorgezonden klachtdossier, dat bestaat uit de ingediende klacht, het verweer daarop en eventueel de repliek en dupliek.” Die bepaling impliceert dat de tuchtrechter (het AT) oordeelt over de klacht zoals die reeds bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman is ingediend. Het oude Tuchtreglement SRA kende die bepaling niet. Ten aanzien van klachten waarop het oude Tuchtreglement SRA nog van toepassing is, zoals in onderhavig geval, geldt slechts dat de AO heeft medegedeeld dat (verdere) bemiddeling vruchteloos is. Dat nu heeft het AT, in appel onbetwist, vastgesteld.

 

3.6.3 Grief 3. Onder verwijzing naar de gang van zaken met betrekking tot de uitvoering van de opdracht, waaronder de gesprekken met klager en met klager en zijn werkgever op 2 september 2019, alsmede naar verschillende passages in en bijlagen bij het door haar uitgebrachte (concept-) arbeidsdeskundige rapport van 7 september 2019, voert verweerster aan dat zij het rapport zorgvuldig heeft onderbouwd: 

– de functionele mogelijkhedenlijst (FML), is integraal opgenomen in het concept-rapport. Essentieel is dat klager is aangewezen op werk zonder leidinggevende aspecten;

– verweerster heeft de FML met klager besproken. Klager gaf aan het eens te zijn met de FML;

– klager heeft bij de Ombudsman noch het AT zich beklaagd over de FML;

– was klager het oneens geweest met de in de FML gestelde beperkingen, dan zou verweerster klager hebben teruggestuurd naar de bedrijfsarts en na het tweede bezoek aan de bedrijfsarts zou klager een second opinion dan wel een deskundigenoordeel van het UWV hebben kunnen aanvragen;

– verweerster heeft de mogelijkheden bij de werkgever op het eigen niveau van de klager, een functieniveau daarboven en daaronder bekeken;

– de functies bij de voormalige werkgever zijn verdeeld in zorg-gerelateerde functies en ondersteunende functies. Klager was werkzaam in een ondersteunende functie. Verweerster heeft uitgelegd dat de zorg-gerelateerde functies als niet-passend moeten worden beschouwd in verband met het ontbreken van de vereiste opleiding. De klager was het daarmee eens;

– alle in aanmerking komende functies zijn met klager doorgenomen. Aan alle functies waren leidinggevende aspecten verbonden en daarmee zijn deze functies als niet passend te beschouwen.

Verweerster wijst erop dat het door klager als re-integratiewerkzaamheden verrichte werk tijdelijke werkzaamheden waren, zoals verweerster klager heeft proberen uit te leggen tijdens het gesprek op 2 september 2019. Dit type werkzaamheden is uitermate geschikt om in het kader van de re-integratie de belastbaarheid van een werknemer te vergroten zodat de mogelijkheden voor succesvolle re-integratie toenemen. Dit type werkzaamheden wordt daarom doorgaans door re-integratiekandidaten uitgevoerd. De werkzaamheden zijn niet structureel, niet duurzaam en door een werknemer niet af te dwingen. Dit is met klager besproken en in het overleg met de werkgever en de klager besproken.

De destijds beschikbare ondersteunende functie van teammanager beschouwden alle partijen als niet-passend in verband met de medische beperkingen van de klager. Dit is met klager besproken en het is opgenomen in het concept-arbeidsdeskundig rapport, aldus nog steeds verweerster.

 

3.6.3.1 Ten aanzien van deze grief stelt het college vast dat partijen (terecht) niet klagen over het uitgangpunt van het AT dat wordt getoetst aan het vereiste van artikel 3 aanhef en onder 1 en 3 Gedragscode SRA, waarin is vastgelegd dat de rapportage van een arbeidsdeskundige de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeldt waarop het berust en in de rapportage op inzichtelijke wijze uiteen wordt gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. 

Daaraan wordt toegevoegd dat het college de inhoud van een rapport slechts marginaal toetst, zo ook in deze. 

 

3.6.3.2 Klager heeft het hiervoor verkort weergegeven betoog van verweerster niet (gemotiveerd) weersproken. Hij heeft slechts gesteld dat verweerster niet tijdens het gesprek op 2 september 2019 met klager vervangende functies heeft verkend. 

 

Het college is evenwel van oordeel dat dat – anders dan klager kennelijk meent – niet zonder meer de taak van verweerster was: zij diende op basis van de FML de re-integratiemogelijkheden te onderzoeken. In dat kader kán het dienstig zijn met de betreffende werknemer vervangende functies te verkennen, maar dat is niet zonder meer noodzakelijk en klager heeft onvoldoende onderbouwd dat dat in dit geval wél zo was. Dat de door klager genoemde functies niet zijn opgenomen in het rapport is dus, bij gebreke van een nadere onderbouwing, i.c. niet in strijd met het bepaalde in de gedragscode. In dit verband is tevens van belang dat in de – uiteindelijk vier – verschillende versies van de arbeidsdeskundige rapportage telkens de “visie/beleving” van klager naar voren komt, zij het gaandeweg nadrukkelijker (waarover hierna nader ten aanzien van grief 4). Het gegeven dat werknemer (klager) het niet eens is met de conclusie van het onderzoek (geen passend werk beschikbaar bij eigen werkgever) wordt duidelijk weergegeven. Onweersproken heeft verweerster bovendien in het concept-rapport haar bevindingen ten aanzien van eventuele passende functies bij de werkgever weergegeven. Wat er zij van de stelling van klager dat verweerster ten onrechte heeft aangevoerd dat zowel werkgever als klager het eens waren met de conclusie dat er geen ander passend werk bij werkgever was – daarover verschillen partijen van mening – klager heeft niet aangevoerd welke functie(s) er dan wél passend zouden zijn (geweest). Dat klager erkent akkoord te zijn gegaan met het opstarten van een 2e spoor onderzoek past in dit beeld. Terecht heeft het AT eraan herinnerd dat klager belang had bij een gedegen onderzoek naar en afweging van de mogelijkheden voor ander passend werk bij de werkgever. Anders dan het AT ziet het college evenwel niet dat verweerster daarin tekortgeschoten zou zijn. Er staat in het licht van hetgeen is besproken op 2 september 2019 geen woord te veel in het (concept) rapport, maar daarmee is niet gezegd dat er geen voldoende onderzoek naar de voor ander passend werk bij de werkgever is gedaan en/of er geen voldoende kenbare afweging is gemaakt. De grief slaagt dus.

 

3.6.4 Grief 4 in zaak 2020-22 leent zich voor gezamenlijke behandeling met grief 2 in zaak 2020-21. Zie hierna, nr. 3.6.6.

 

In zaak 2020-21

3.6.5 Met zijn eerste grief beoogt klager kennelijk dat de volgens hem door verweerster herhaaldelijk gemaakte opmerking: “Als de werkgever stelt dat er geen passend werk is, dat er dan ook geen mogelijkheden zijn. Aan het eind komen dan de advocaten en dan stopt het. Dat kun je maar het beste gewoon aanvaarden.” – waarvan het AT in 7.3 heeft geoordeeld dat de aannemelijkheid niet kan worden vastgesteld – opnieuw aan de orde te stellen. 

Evenwel vergeefs, de schriftelijke stukken in hoger beroep noch de mondelinge behandeling hebben ter zake de door klager gewenste duidelijkheid gebracht. De grief faalt op de door het AT genoemde grond. 

 

In zaak 2020-21 en 2020-22

3.6.6 Klager stelt met grief 2 en verweerster met grief 4 de toenaderingsverantwoordelijkheid van verweerster (opnieuw) aan de orde. De chronologische gang van zaken als in 2.3 e.v. vermeld strekt het college hierbij tot uitgangspunt. Daarbij acht het college twee zaken in het bijzonder van belang:

i. verweerster heeft in hoger beroep aangevoerd dat klager tijdens de bespreking op 2 september 2019 noch op een ander moment (bijv. in zijn e-mail aan verweerster van 3 september 2019, CAT) aan haar heeft gemeld dat hij na 9 september 2019 op vakantie zou zijn en (dus) niet in de gelegenheid zou zijn te reageren op het concept rapport van verweerster. Klager heeft zulks onvoldoende gemotiveerd weersproken, mede in het licht van de stelling van verweerster dat zij het concept rapport zowel aan het privé e-mailadres van klager als zijn zakelijk e-mailadres heeft verstuurd en zij (ook) geen out of office-replay heeft ontvangen. Het college gaat aldus uit van de feitelijke juistheid van dit verweer van verweerster;

ii. nadat klager, teruggekeerd van vakantie, alsnog reageerde op het (concept) rapport (2.7) heeft hij geweigerd in gesprek te gaan met verweerster, althans daaraan een voorwaarde gesteld

 

3.6.6.1 De grief van klager keert zich kennelijk tegen 7.4 van de uitspraak van het AT waarin het AT verweerster toegeeft dat zij, na oplevering van de definitieve rapportage op 17 september 2019, verschillende pogingen heeft gedaan om met klager in gesprek te gaan over het rapport en aanpassing daarvan en dat klager zich ter zake daarvan bepaald niet welwillend heeft opgesteld. Dit oordeel “steekt”, aldus klager. Evenwel ten onrechte. Klager heeft, handelend als weergegeven in 2.9 t/m 2.12, naar het oordeel van het college zó onwelwillend gereageerd op de uitnodigingen van verweerster in gesprek te gaan, dat de toenaderingsverantwoordelijkheid van verweerster ernstig op de proef werd gesteld. In aanmerking genomen voorts dat klager eiste dat éérst het, conform afspraak definitief gemaakte rapport – immers, de reactietermijn had klager laten verlopen – zou worden aangepast alvorens bereid te zijn met verweerster te spreken, waren de grenzen van de toenaderingsverantwoordelijkheid van verweerster wel bereikt. Wat er na de verlangde aanpassing van het rapport nog te bespreken zou zijn is onduidelijk gebleven. 

Terecht neemt klager tot uitgangspunt en betwist verweerster niet dat in de arbeidsdeskundige rapportage de visie van de werknemer/cliënt naar voren hoort te komen. Daarbij behoort het rapport een voor zover relevant in het kader van het te verrichten onderzoek adequate verslaglegging in te houden. Partijen behoren zich (dus) te kunnen herkennen in wat er gerapporteerd wordt, maar zij bepalen niet de inhoud van de arbeidsdeskundige rapportage. De werknemer/cliënt niet en ook werkgever niet. Dat betekent niet, zoals klager veronderstelt, dat hij niet serieus genomen wordt maar dat de arbeidsdeskundige zijn/haar eigen professionele afweging maakt. Die afweging is, mede gelet op de toenaderingsverantwoordelijkheid, niet onbespreekbaar, maar is uiteindelijk wel aan de arbeidsdeskundige. Dat, aldus klager, hij van de heer Holthuijsen – voorheen de Vraagbaak van SRA, toev. college – heeft vernomen dat een arbeidsdeskundige kan worden gesommeerd om deze belangrijke informatie op te nemen maakt het voorgaande niet anders. Daarbij merkt het college op dat voor zover die mededeling een escalerend effect heeft gehad het college dat betreurt.  

Anders dan klager stelt doet niet verweerster het voorkomen dat klager niet in gesprek wilde gaan: klager stelde een (thans iets minder stellig geformuleerde) voorwaarde: eerst moest duidelijk zijn dat verweerster bereid zou zijn om de “informatie die zij heeft gehoord en gekregen van klager” mee te nemen in het hoofdstuk “gesprek met de medewerker.” 

 

Daarmee legde klager een blokkade voor een normale voortgang van de uitwisseling rond de totstandkoming en de eventuele aanpassing van een rapport. Dat voor “deze werknemer zeer belangrijk is dat informatie correct vermeld en verwerkt wordt” maakt dat i.c. niet anders, integendeel. Verweerster heeft vervolgens, onder druk van klager, haar rapport twee keer (op 27 september 2019 en 02 oktober 2019 aangepast) zonder normaal en gebruikelijk overleg met klager.

De conclusie van het voorgaande is dat grief 2 van klager faalt en grief 4 van verweerster slaagt.

 

3.6.7 Als toegelicht door klager ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep is klager van oordeel dat het AT met betrekking tot grief 3 een “digitale benadering” van zijn klacht heeft gekozen. 

 

3.6.7.1 Het college overweegt dat, wat er zij van de opvatting van klager dat het oordeel van het AT niet getuigt van een kwalitatieve en professionele afweging, in het handelen van verweerster als in het klachtonderdeel aan de orde geen tuchtrechtelijk verwijt besloten ligt. Klager erkent in zijn beroepschrift dat verweerster zijn privacy niet heeft geschonden. Professionele toetsing en feedback kunnen (juist) de kwaliteit van de beroepsuitoefening bevorderen en is in vele branches gebruikelijk en tot norm verheven, zo ook de Certificatieregeling voor het beroep van arbeidsdeskundige van de Nederlands Vereniging van Arbeidsdeskundigen, NVvA. Dat verweerster bij inbreng in de OTG (Onderlinge Toetsing Groep) de casus niet voldoende heeft geanonimiseerd of bij de bespreking de grenzen daarvan niet in acht heeft genomen is onvoldoende onderbouwd. Terecht heeft het AT geoordeeld dat van schending van de geheimhoudingsplicht niet is gebleken De klacht faalt. 

 

3.6.7.2 Ten slotte overweegt het college het volgende. Klager heeft bij zijn verweerschrift in zaak 2020-22 medegedeeld: “[k]lager verneemt van de tuchtcommissie graag of hij voor behandeling van deze nieuwe en ernstige klacht inzake privacy zijn beroepschrift nog moet aanvullen of dat deze brief gewoon meegenomen kan worden in de procedure. (…).” Deze passage volgt op de stelling van klager dat de arbeidsdeskundige informatie heeft ingewonnen en verkregen over beslissingen van het UWV die in 2020 zijn genomen. 

 

Zoals ter zitting reeds aan klager medegedeeld ontvangt het college klager – gelet op de goede procesorde – niet in deze nieuwe klacht nu deze te laat is ingediend. Klager heeft in zijn beroepschrift (in zaak 2020-21) zijn bezwaren tegen de uitspraak van het AT naar voren kunnen brengen. Daarna was het aan verweerster om daarop te reageren, waarmee het schriftelijk debat was voltooid. Mocht klager menen dat deze “nieuwe en ernstige klacht inzake privacy” door het tuchtcollege beoordeeld dient te worden dat staat het hem vrij een nieuwe tuchtklacht in te dienen overeenkomstig het Tuchtreglement SRA. 

 

3.7 De slotsom van het voorgaande is dat de grieven van klager in zaak 2020-21 falen en dat de grieven van verweerster in zaak 2020-22 gedeeltelijk gegrond zijn. De uitspraak van het AT behoort te worden vernietigd en de klacht(onderdelen) ongegrond te worden verklaard.

 

Beslissing

Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege:

 

in zaak 2020-21: 

– verklaart het beroep ongegrond;

 

in zaak 2020-22: 

– verklaart het beroep gegrond;

 

in beide zaken gezamenlijk:

  • vernietigt de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van 26 juni 2020 met zaaknummer 20/59 AT, gegeven tussen klager en verweerster en verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege bij vervroeging op 4 december 2020 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, en de heren J.J. Wieman en P. van Kesteren, leden. 

 

Mr. J.W. van Rijkom