Uitspraak CvB 29 maart 2013

Uitspraak CvB 29 maart 2013

Uitspraak van 29 maart 2013 geanonimiseerd

Uitspraak van het College van Beroep SRA op de klacht van

klager tegen de registerarbeidsdeskundige, bijgestaan door mr. M.J. de Ridder, advocaat te Utrecht, verder te noemen beklaagde.

1. Procesverloop

1.1 Bij brief van 6 november 2012 heeft klager tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van Toezicht, hierna te noemen "de Raad", van 24 september 2012, gegeven tussen klager en beklaagde. Voor het procesverloop bij de Raad verwijst het College van Beroep, hierna te noemen "het College" naar hetgeen in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop’. Bovendien slaat het College tevens acht op de brief van 20 juni 2012 van beklaagde en op de brief van 10 juli 2012, die namens klager aan de Raad zijn gezonden.

1.2 Aan beklaagde is een termijn gegeven om een verweerschrift in te dienen. Beklaagde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt om per e-mail en vervolgens bij brief van 2 januari 2013 bezwaar te maken tegen de ontvankelijkheid van het beroep.

1.3 Bij brief van 18 januari 2013 heeft mr. M.J. de Ridder, advocaat te Utrecht, namens beklaagde een verweerschrift ingediend.

1.4 Bij brief van 7 februari 2013 heeft klager nog een schriftelijke toelichting (met bijlagen) verstrekt. De mondelinge behandeling van het College vond plaats op 27 februari 2013 te Zwolle. Daarbij zijn verschenen klager, vergezeld van de heer J. en beklaagde, bijgestaan door zijn advocaat.

2. Ontvankelijkheid

Nu de klacht gericht is tegen het afgewezen onderdeel van de door de Raad als mogelijk klachtwaardig te duiden gedragingen van beklaagde is klager ontvankelijk in zijn beroep. Daaraan doet niet af, dat beklaagde op basis van artikel 16 van het Tuchtreglement SRA geen mogelijkheid heeft in beroep te komen en evenmin dat, voor zover de klacht gegrond is beoordeeld, reeds een maatregel door de Raad is opgelegd.

3. Feiten

3.1 Voor de door de Raad vastgestelde feiten verwijst het College naar hetgeen daaromtrent is vermeld in de bestreden uitspraak, luidend als volgt:

"(3.1a) Tussen partijen staat vast dat beklaagde in opdracht van de school, op 29 september 2010 een werkplekonderzoek heeft uitgevoerd. Daarbij is beklaagde tevens op verzoek van de school in gesprek gegaan met klager om verzuim te voorkomen.

De werkplek van klager betreft een kabinet voor natuur- en scheikunde. Klager werkt in de functie van technisch onderwijsassistent (TOA). Klager was van oordeel dat deze werkplek ten onrechte werd gebruikt als doorloopruimte, wat bij klager leidde tot ongemak en irritaties.

(3.1b) Beklaagde heeft in verband met de opdracht op 12 oktober 2010 een gesprek gehad met klager. Aansluitend heeft een gesprek plaatsgehad waarbij aanwezig waren de arbo- en verzuimcoördinator, klager, beklaagde en de leidinggevende. Tijdens die gezamenlijke bespreking is besloten om een psychodiagnostisch onderzoek te laten plaatsvinden, waartoe enkele vragen zijn geformuleerd. Beklaagde heeft vervolgens het psychodiagnostisch onderzoek aangevraagd door middel van een daartoe strekkend aanvraagformulier. Daarop staat als “aanvragende organisatie” bureau X vermeld. Tevens blijkt daaruit dat de offerte en de factuur dienden te worden verzonden aan de school.

(3.1c) Na afronding van het psychodiagnostisch onderzoek heeft beklaagde het rapport van de onderzoeker van 13 december 2010 ontvangen. Dit heeft beklaagde verspreid onder de personen die aanwezig waren tijdens het gesprek dat aan het voornemen tot het onderzoek ten grondslag lag.

(3.1d) Tevens heeft beklaagde het psychodiagnostisch onderzoek opgenomen in het digitale verzuimprogramma van bureau X. Daardoor kwam het beschikbaar voor alle personen die beschikten over een identificatiecode.

(3.1e) Op 13 januari 2011 zijn de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek op de school besproken in het bijzijn van de aanwezigen die ook bij het eerste gesprek aanwezig waren. Tevens was bij dat gesprek de onderzoeker aanwezig, zoals ook was afgesproken. Bij aanvang van het gesprek bleek dat alle aanwezigen beschikten over een kopie van het rapport. Naar bleek had klager daartegen ernstig bezwaar, waarop een chaotische bijeenkomst volgde.

(3.1f) Klager heeft naar aanleiding van deze gang van zaken een klacht ingediend tegen de onderzoeker. Het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) heeft de onderzoeker ter zake de maatregel van waarschuwing opgelegd bij beslissing van 2 november 2011.".

3.2 De Raad heeft vastgesteld dat klager een drietal klachten heeft ingediend, waarvan de door de Raad van Toezicht als klachtonderdelen 1 en 2 geduid gegrond zijn geoordeeld, waarvoor aan beklaagde de maatregel van berisping is opgelegd. Daarbij is klachtonderdeel 3 ongegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel 3 is door de Raad aldus samengevat, dat beklaagde onwaarheden in zijn verslag heeft vermeld en correcties en aanvullingen die klager heeft aangevoerd nauwelijks heeft uitgevoerd.

De Raad heeft haar beslissing aldus gemotiveerd:

" De Raad oordeelt als volgt. Klager heeft in het klaagschrift enige bezwaren geuit tegen het verslag dat beklaagde op 3 november 2010 heeft opgesteld. De Raad kan echter uit de overgelegde stukken, noch uit het verhandelde ter zitting, opmaken welke correcties en aanvullingen klager in het verslag nu precies verwerkt wilde zien.

De Raad kan dan ook niet beoordelen of deze wel of niet zijn doorgevoerd. Evenmin is de Raad duidelijk geworden op welke onwaarheden klager doelt, mede ook gelet op het daartegen door beklaagde gevoerde verweer. Wat klager beklaagde in dit verband nu precies verwijt is, ondanks herhaald vragen van de Raad aan de gemachtigde van klager ter zitting, niet duidelijk geworden, zodat dit klachtonderdeel, mede ook gelet op het verweer, wordt verworpen.".

3.4 Ter zitting heeft het College aan de orde gesteld de gang van zaken rond de aanvaarding van de opdracht en de uitvoering daarvan door beklaagde, zoals hiervoor onder 3.1b geduid.

Beklaagde heeft, zakelijk weergegeven en samengevat, verklaard, dat hij opdracht heeft gekregen om een werkplekonderzoek te verrichten. In het kader daarvan heeft hij de werkplek bezocht en gesproken met klager. Tijdens het onderzoek is hem gebleken, dat reeds eerder, ca. een halfjaar voordien, een dergelijk onderzoek door een collega van hem was uitgevoerd. Zijn voorlopige bevindingen waren, dat zich inmiddels geen veranderingen op de werkplek hadden voorgedaan. Aangezien beklaagde het tot zijn taak rekent, dat hij in voorkomend geval proactief moet optreden om uitval te voorkomen en hij bij klager spanningen ervoer, heeft hij contact opgenomen met zijn opdrachtgever, daarover gesproken en in overleg met opdrachtgever zijn onderzoek gewijzigd, hetgeen geleid heeft tot zijn rapport van 18 oktober 2010. Ter zitting daarop aangesproken heeft beklaagde voorts verklaard, dat het inderdaad op zijn weg had gelegen om over de wijziging van de opdracht met klager te communiceren en vervolgens een gesprek daarover te voeren. Beklaagde erkent in deze opzichten te kort te zijn geschoten.

3.5 Ter zitting heeft het College voorts aan de orde gesteld de vraag of beklaagde en zo ja, wanneer, aan klager een conceptrapport dan wel een kopie heeft gezonden van zijn rapport van 18 oktober 2010. Beklaagde heeft gesteld, dat hij geen conceptrapport heeft opgesteld en wel het rapport aan klager heeft gezonden, maar hij heeft niet kunnen duiden wanneer dat zou zijn geschied. Beklaagde geeft hierbij nog aan dat terugkoppeling via het arbeidskundig dossier gebruikelijk is binnen bureau X.

Daartegenover staat de lezing van klager, zoals vermeld onderaan de eerste pagina van zijn brief van 18 december 2011, waarin hij stelt en waarbij hij ter zitting heeft volhard:

“B. Dit verslag zag ik voor het eerst, toen het me is toegestuurd door de interne arbeidskundige van de school om 10:38 (*6), terwijl een bespreking was gepland om 11.00 en ik hiervoor 10 minuten moest reizen.

C. Dit verslag is gemaakt en verspreid zonder wederhoor op wat is geschreven uit een gesprek later met mw. M.

D. De bespreking op 03-11-2010 was georganiseerd om mijn toestemming te krijgen voor de vragen aan de onderzoeker. Ik weigerde te komen indien ik niet vooraf de voorgestelde vragen te lezen kreeg. Ik ontving het niet van beklaagde (zie 4B)"

Ter zitting heeft klager aangeboden een kopie te zenden van genoemde e-mail van 10.38 uur, zoals hiervoor genoemd en heeft beklaagde aangegeven niet uit te sluiten dat door hem geen kopie van dat rapport aan klager is verzonden.

3.6 Het College stelt vast, dat gezien deze gang van zaken de feiten zich anders hebben voorgedaan dan door de Raad in de uitspraak is vastgesteld en voor wat betreft hetgeen onder 3.5 is vermeld, gaat het College ervan uit, dat vaststaat, dat beklaagde geen conceptrapport aan klager heeft verzonden voor commentaar en aan hem niet een kopie van het rapport heeft gezonden en wel aan anderen.

4. Bezwaren tegen de procesgang bij de Raad van Toezicht

4.1 In het beroepschrift maakt klager allereerst bezwaar tegen de procesbehandeling door de Raad. Hij wijst erop, dat van het dossier deel uitmaken een vijftal, door klager specifiek genoemde, e-mails, het aanvraagformulier en een offerte. Voorts leest klager pas in de beslissing van de Raad, dat het dossier méér documenten bevat, waarvan zijn gemachtigde niet in kennis is gesteld en waarvan geen kopie is ontvangen, zoals de beslissing van het ’tuchtproces’. Tenslotte mocht zijn gemachtigde ter zitting geen toelichting geven en geen bewijsstukken ter inzage geven. Mede op grond daarvan tekent klager beroep aan tegen deze ongeoorloofde ongelijke behandeling in het vooronderzoek en het tuchtproces bij de Raad.

4.2 Het College is van oordeel, dat het niet treedt in de wijze van behandeling door de Raad, te meer niet nu het College uitsluitend bevoegd is te oordelen over het ingestelde beroep en klager door het instellen van het beroep in de gelegenheid is om gepretendeerde tekortkomingen in de behandeling door de Raad te herstellen door onder meer en desgewenst stukken over te leggen en zijn standpunt naar believen aan te vullen.

5. De klacht

5.1 Nu uit het bovenstaande (3.6) volgt, dat de feiten door de Raad onvolledig zijn vastgesteld is het College van oordeel dat dientengevolge de Raad de klacht door de samenvatting in drie onderdelen onvolledig heeft weergegeven. Het College merkt daarbij op, dat hetgeen ter zitting is gebleken en zoals onder 3.4 en 3.5 vermeld derhalve niet door de Raad aan de orde is gesteld, dus niet inhoudelijk is behandeld en daarover de Raad geen oordeel heeft gegeven en de opgelegde maatregel niet op dát handelen ziet.

5.2 Het College is van oordeel, dat het het College niet alleen vrij staat maar het College zelfs gehouden is deze niet door de Raad behandelde klacht te beoordelen. Niet alleen bij de Raad, zoals hiervoor onder 3.5 geciteerd, maar ook in het beroepschrift heeft klager immers met name onder 6c. expliciet en duidelijk geklaagd over de wijze van totstandkoming van het rapport.

5.3 De overige door klager in beroep aangevoerde gronden worden door het College aldus samengevat en begrepen.

A. In zijn beroepschrift onder 6 (a tot en met 6c) betoogt klager dat ten onrechte aan hem bewijslast is opgedragen op het onderdeel dat beklaagde onwaarheden heeft gedebiteerd. Hij stelt dat hij daardoor teveel afhankelijk is van de medewerking van beklaagde nu hij zijn stellingen slechts kan aantonen door middel van een deugdelijk gespreksverslag, terwijl er geen verslag is. Klager stelt vervolgens dat er ten onrechte geen gespreksverslag is en beklaagde voor een deugdelijk gespreksverslag had moeten zorg dragen.

Hij stelt dat de gegevens t.b.v. het arbeidskundig rapport niet zijn geverifieerd met hem. De rapportage is eerst besproken nadat het besluit voor een psychodiagnostisch onderzoek was genomen. De stelling dat klager bij een gesprek aanwezig moest zijn betekent niet dat klager dan dus akkoord was met dit besluit.

B. Onder 7 (a tot en met 7c) geeft klager een verduidelijking op het onderdeel van de correcties en aanvullingen in het verslag (lees: rapportage) die hij precies verwerkt wilde zien. Hij verwijst daarbij nadrukkelijk naar eerdere stukken die door hem zijn ingediend bij de Raad van Toezicht met de stelling, dat beklaagde ten onrechte geen gespreksverslag heeft willen maken, waartoe hij immers op diverse gronden was gehouden (in verband met toepassing correctierecht, het hierop kunnen terugvallen en uit het oogpunt van fair trial). Hij noemt het opmaken van een deugdelijk gespreksverslag een ‘wettelijk vereiste’.

C. Onder 8 tot en met 11 geeft klager een specifieke invulling van een aantal door hem geconstateerde onwaarheden. Het gaat daarbij om de door beklaagde aan klager gegeven kwalificatie ‘hoog intelligent’ dan wel ‘hoogbegaafd’ (8), de zinsnede in het rapport ‘Er zijn regelmatig communicatieproblemen tussen (…), medewerker en collega leerkrachten’ (9), het volharden in het uitdragen van onwaarheden ná de rapportage van 18-10-2010 (10) en het volharden van beklaagde in een onjuiste stelling (11). Daarbij is van belang dat hij ook erover klaagt, dat beklaagde heeft vermeld, dat sprake was van communicatieproblemen tussen klager en collega docenten. Daarvan was volgens klager evenwel geen sprake, althans nog niets gebleken.  Klager geeft tevens aan onder 9a dat mede door het onderzoeksrapport van beklaagde een vervolgtraject is gestart. Klager ervaart hier veel last van.

 

6. Het verweer

Beklaagde voert verweer, dat in het hierna volgende waar nodig zal worden vermeld en zal worden beoordeeld.

7. De beoordeling

7.1 Het College is van oordeel, dat het achterwege laten van communicatie, zoals hiervoor onder 3.4 beschreven en door beklaagde erkend, een ernstige tekortkoming is, die enerzijds veel leed kan te weeg brengen en anderzijds bij wel behoorlijk communiceren veel leed kan besparen. Beklaagde heeft dit ter zitting ingezien.

7.2 Het College is voorts van oordeel, dat de wijze waarop beklaagde zijn onderzoek heeft ingericht onvoldoende is. Van hem had in dit geval mogen worden verwacht, dat hij, na zoals gebruikelijk met beide betrokken partijen te hebben gesproken, onderzoek zou hebben gedaan, van de gespreksverslagen een korte samenvatting zou hebben gemaakt en deze zou hebben kortgesloten met partijen. Zeker nu sprake was van een gewijzigde opdracht waarvan klager niet op de hoogte was en het gegeven dat het advies mogelijk verstrekkende gevolgen zou hebben voor klager had het in de rede gelegen dat beklaagde aan beide partijen een conceptrapport zou hebben toegezonden voor commentaar. Beklaagde heeft dit alles nagelaten noch ervan blijk gegeven dat hij dit heeft overwogen. Dit handelen is laakbaar.

7.3 Het College zal vervolgens de klacht behandelen, zoals hiervoor onder 5.3 vermeld. Ook bij die verdere beoordeling van de klacht neemt het College als uitgangspunt artikel 11 van het Tuchtreglement SRA. Op grond daarvan toetst het College de klacht aan de statuten, de reglementen en de Gedragscode SRA, zoals die sedert 1 oktober 2010 gelden. Deze regels gelden nu de klacht ná deze datum is ingediend.

7.4 Dit uitgangspunt brengt mee, dat het College zal beoordelen of en zo ja in hoeverre door beklaagde de Gedragscode SRA is geschonden. De klacht heeft immers geen betrekking op het overtreden van enige bepaling van de statuten of reglementen. Daarbij beperkt het College zich tot de aangevoerde feiten en wel voor zover deze nog niet door Raad zijn beoordeeld. Immers is het College slechts bevoegd daarover een oordeel te geven nu beroep tegen de gegrond bevonden oordelen en de daaraan ten grondslag liggende feiten niet openstaat.

7.5 Bij tuchtzaken gaat het – ook hier – om de vraag of beklaagde met zijn handelen is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen als norm werd aanvaard.

7.6 De door klager gegeven samenvatting van de klacht dat klager onwaarheden heeft gedebiteerd verwijst niet naar enige regel van de Gedragscode, waaraan beklaagde zich heeft te houden. Enig concretisering ontbreekt in zoverre. Het College zal dan ook bezien of beklaagde met zijn handelen is gebleven binnen de in de vorige alinea genoemde norm. Ter zitting heeft de voorzitter van het College aan partijen medegedeeld en toegelicht, dat het niet de bedoeling is van een klachtprocedure als de onderhavige, dat een uitgebreid onderzoek wordt gedaan naar de werkelijke toedracht van hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld.

Een algemene ervaringsregel is immers, dat wat ‘waarheid’ is in het maatschappelijk verkeer door verschillende personen op verschillende wijzen kan worden geduid/ervaren. Na een inleiding sub 1 tot 5 heeft klager de volgende onderdelen in zijn klacht onderscheiden.

7.7 Klachtonderdeel 6

Klager stelt weliswaar, dat hij door de Raad in een onmogelijke bewijspositie is geplaatst, maar hij miskent daarbij, dat hij een klacht heeft ingediend en het derhalve op zijn weg ligt de klacht te onderbouwen en aannemelijk te maken, dat hetgeen hij stelt juist is.

Voor wat betreft de rapportage stelt het College vast, dat zich in het dossier twee versies bevinden, waarvan de tweede versie anders luidt omdat deze is aangepast naar aanleiding van een gesprek, dat partijen met elkaar in de tussentijd hebben gehad. Het College oordeelt het tegen deze historische achtergrond niet juist, dat aan beklaagde ná de totstandkoming van die tweede versie nieuwe verwijten worden gemaakt, inhoudend, dat de uiteindelijke versie onjuistheden bevat. Het lag immers op de weg van klager om bij de bespreking van zijn bezwaren álle bezwaren naar voren te brengen. Daarbij kan in het midden blijven of en in hoeverre sprake was van een onjuiste dan wel onvolledig of deels ware weergave van de resultaten van het onderzoek in het rapport. Door niet alle bezwaren tijdig naar voren te brengen kan klager beklaagde derhalve niet verwijten, dat diens rapportage – na het doorvoeren van de gewenste correcties – niet juist of onvolledig zou zijn. Onvoldoende gesteld of gebleken is overigens, zeker na de door beklaagde gegeven toelichting, dat beklaagde verlangde correcties op het conceptrapport niet behoorlijk zou hebben verwerkt. Daarbij gaat het College voorbij aan de slordigheid, dat het woord ‘hoogbegaafd’ slechts eenmaal is aangepast.

7.8 Klachtonderdeel 7

Klager bouwt in dit klachtonderdeel voort op het voorgaande. Nu vaststaat dat het rapport niet in concept aan klager is gezonden behoeft dit onderdeel geen bespreking meer.

7.9 Klachtonderdelen 8 tot en met 11

Het College gaat ervan uit, dat beklaagde met de kwalificaties over de intelligentie van klager heeft willen aangeven, dat sprake is van een persoon met een bijzondere kwaliteit. Hoe dit in een rapport wordt geduid is arbitrair en de onderzoeker heeft een zekere mate van vrijheid in het kiezen van zijn bewoordingen. Dit brengt mee, dat geen sprake is van enige/zodanige onjuistheid, die aan beklaagde kan worden verweten.

Of sprake was van strubbelingen tussen klager en het overige personeel kan naar het oordeel van het College in het midden blijven. Ter zitting is in dat verband aan de orde geweest en door beklaagde erkend, dat de desbetreffende passage beter zodanig had kunnen worden geredigeerd, dat dit de ervaring was van de in de vorige alinea van het rapport genoemde persoon en niet een vaststelling van beklaagde.

Het gegeven dat mede door het onderzoeksrapport van beklaagde een vervolgtraject is gestart kan niet aan beklaagde worden verweten. Echter beklaagde heeft er ter zitting van het College geen blijk van gegeven dat hij een afweging heeft gemaakt van mogelijke gevolgen en belangen voor alle betrokkenen.

8. Conclusie en op te leggen maatregel

8.1 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat beklaagde door te handelen als hiervoor onder 7.1 en 7.2 genoemd diverse artikelen van de Gedragscode SRA met voeten heeft getreden, waarvoor een maatregel passend is.

Het College hecht eraan om hier specifiek te benoemen:

Art. 1: Algemene toetsnorm. Het ontbreken van een, in ieder geval voor zichzelf, grondige inventarisatie van de mogelijke gevolgen voor alle betrokkenen en expliciete afweging van de belangen.

Art. 2: Te verschaffen en vergaarde informatie. Het onvoldoende inlichten van de klager over aard en doel van de opdracht alsmede de wijziging daarvan in overleg met opdrachtgever.

Art. 3: Eisen aan rapportages. Hierbij refereert het College aan eerdere uitspraken van de Raad van Toezicht (22-10-1997 en 19-11-2007). Verwacht had mogen worden dat de rapportage zodanig was dat deze op zich geen bron van conflicten was geworden. De beklaagde had erop bedacht moeten zijn dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Een arbeidsdeskundige rapportage moet, ook voor (langdurig) extern gebruik, volledig, helder en duidelijk zijn omdat deze ingrijpende gevolgen kan hebben.

8.2 Het College stelt vast dat de Raad reeds een maatregel heeft opgelegd voor andere gedragingen en dat tegen het opleggen van die maatregel geen beroep mogelijk is, zodat de uitspraak van de Raad in zoverre in beginsel onaantastbaar is en het College daaraan niets kan veranderen.

8.3 Het College is van oordeel, dat gelet op de ernst van het overtreden van de Gedragscode SRA voor de gedragingen van beklaagde zeker in zijn totaliteit bezien een zwaardere maatregel dan een berisping op zijn plaats is. Gezien de samenloop van diverse verweten gedragingen zou een onvoorwaardelijke schorsing op zijn plaats zijn. In dit geval zijn de gedragingen voor het eerst in volle omvang in beroep aan de orde geweest en beoordeeld. Uitsluitend om die reden zal het College volstaan met een voorwaardelijke schorsing, maar dan wel met een lange termijn. Het College is van oordeel dat gezien de ernst van de overtredingen van de gedragsregels de gedragingen waarover de Raad heeft geoordeeld daarbij tevens moeten worden meegewogen, evenwel zonder dat beklaagde met betrekking tot die gedragingen wederom een maatregel opgelegd krijgt.

8.4 Op grond van artikel 22.2 van het Tuchtreglement zal het College een bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke schorsing verbinden. Het belang van een voorwaardelijke schorsing kan mede daarin gelegen zijn, dat een beklaagde door het volgen van scholing zijn houding en werkwijze kan verbeteren, hetgeen in dit geval naar het oordeel van het College noodzakelijk is. Gezien de omvang van de tekortkomingen kan beklaagde niet volstaan met een "eenvoudige" cursus en heeft het College uitgezien naar een intensieve training.

Het College is zich ervan bewust, dat daarmee hoge kosten zijn gemoeid, mede gezien de afstand tussen de woonplaats en cursusplaats, maar dat is in de gegeven situatie onvermijdelijk. Het College overweegt daarbij ten overvloede, dat het beklaagde niet vrij staat om ter zake van deze beslissing met het secretariaat of het bestuur (dat gelet op de privacy – nog – niet bekend is met de identiteit van beklaagde) in debat te gaan.

 

De beslissing:

verklaart de klacht gegrond;

legt aan beklaagde de maatregel op van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd indien beklaagde zich gedurende een periode van twee jaren niet schuldig maakt aan een soortgelijke gedraging als waarvoor hij door de Raad van Toezicht is berispt  of aan een soortgelijke gedraging als in deze beslissing aan hem door het College wordt verweten;

verbindt aan deze maatregel de bijzondere voorwaarde, dat beklaagde gehouden is de training ‘Goed waarnemen, juist interpreteren en effectief communiceren’ te volgen, zoals aangeboden door Schouten & Nelissen  (http://www.sn.nl/persoonlijke-ontwikkeling/training-opleiding/Goed-waarnemen-juist-interpreteren-en-effectief-communiceren.htm#content) en bepaalt, dat binnen drie maanden na heden deze cursus zal moeten zijn aangevangen en binnen acht maanden na heden moet zijn voltooid;

bepaalt, dat beklaagde met ingang van acht maanden na heden zal zijn geschorst voor de hiervoor genoemde periode indien hij in gebreke blijft met het voldoen aan deze voorwaarde en niet uiterlijk vóór dit tijdstip een bewijs aan het secretariaat zendt, waaruit blijkt, dat hij met succes aan deze training heeft deelgenomen.

Deze uitspraak is gegeven op 29 maart 2013 door mr. L.F.A. Husson, voorzitter en mevrouw A. de Jonge-Seepma en de heer L. Janssen, leden.

Voor dezen:

mr. L.F.A. Husson