Uitspraak CvB 3 april 2013
Uitspraak van 3 april 2013
Uitspraak van het College van Beroep SRA op de klacht van klaagster tegen de registerarbeidsdeskundige, verder te noemen "beklaagde".
1. Procesverloop
1.1 Bij brief van 2 januari 2013 heeft klaagster tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van Toezicht, hierna te noemen "de Raad", van 30 november 2012, gegeven tussen klaagster en beklaagde. Voor het procesverloop bij de Raad verwijst het College naar hetgeen in die uitspraak is vermeld en naar de daarin genoemde stukken onder ‘Procesverloop’.
1.2 Aan beklaagde is een termijn gegeven om een verweerschrift in te dienen. Beklaagde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 9 januari 2013.
1.3 De mondelinge behandeling van het College vond plaats op 19 maart 2013 te Arnhem. Daarbij is beklaagde verschenen; klaagster heeft op 17 maart 2013 medegedeeld ziek te zijn. De voorzitter heeft bepaald, dat de behandeling niet zou worden aangehouden.
2. De feiten
2.1 Voor de door de Raad vastgestelde feiten verwijst het College naar hetgeen daaromtrent is vermeld in de bestreden uitspraak, luidend als volgt:
“Klaagster is op voorstel van haar raadsman, Mr. Van Engelen, in contact gekomen met bureau X voor de begeleiding van haar re-integratie. Op 3 oktober 2011 werd zij door bureau X gebeld, waarbij de afspraak voor een intakegesprek met beklaagde werd gemaakt op 6 oktober 2011. Bij dat gesprek waren naast klaagster en beklaagde aanwezig de echtgenoot van klaagster, mevrouw Y, als stagiaire werkzaam bij bureau X, en de raadsman van klaagster, Mr. van Engelen voornoemd.
Na het gesprek spraken partijen met elkaar af dat klaagster haar Curriculum vitae aan beklaagde zou toezenden. Dat heeft zij gedaan op 10 oktober 2011. Voorts spraken partijen af dat beklaagde een conceptrapport zou opstellen en aan klaagster zou toezenden.
Op 10 oktober 2011 meldde beklaagde zich arbeidsongeschikt bij bureau X, omdat zij wegens persoonlijke omstandigheden niet in staat was om haar werkzaamheden te kunnen verrichten. Op 24 oktober 2011 heeft beklaagde klaagster telefonisch laten weten dat zij nog niet in staat was geweest om het concept af te ronden en aan klaagster toe te zenden, dit vanwege haar uitval. Zij liet klaagster daarbij weten dat het concept spoedig zou volgen. Gedurende de periode nadien heeft beklaagde, die fulltime werkte, haar werkzaamheden vanwege de arbeidsongeschiktheid slechts in beperkte mate kunnen uitvoeren. Op 14 november 2011 informeerde Mr. Engelen bij beklaagde naar de stand van zaken, naar aanleiding waarvan zij hem op 17 november 2011 per mail liet weten:
“allereerst mijn excuses voor de vertraging van de concept-rapportage met betrekking tot klaagster. Vanwege persoonlijke omstandigheden ben ik enkele weken uit de running geweest en heb ik vervolgens een rapportageachterstand opgelopen. Betrokkene ontvangt zo spoedig mogelijk zoals besproken het conceptrapport., Na goedkeuring zal deze vervolgens via de gebruikelijke weg worden verzonden. (…)”
Op 18 november 2011 heeft beklaagde zelf telefonisch (contact, CvB) opgenomen met klaagster waarin zij ook aan haar aangaf het concept spoedig te zullen opstellen. Aansluitend heeft beklaagde op 23 november 2011 aan bureau X laten weten dat zij niet in staat was om het conceptrapport op korte termijn op te stellen. Met bureau X maakte zij de afspraak dat een en ander intern zou worden overgedragen en opgepakt. Op 5 december 2011 heeft Mr. Van Engelen beklaagde een mail verzonden, waarin hij aangeeft geen vertrouwen meer te hebben in de begeleiding door beklaagde en bureau X. De mail sluit af met de mededeling dat hij “contact zou opnemen met de opdrachtgever Z en dat kenbaar zou maken”. Bureau X heeft bij monde van haar directeur per mail zijn excuses voor de gang van zaken aangeboden en aangegeven dat mevrouw Y de verdere werkzaamheden op zich had genomen. Tevens liet hij weten dat mevrouw Y de conceptrapportage al vrijwel gereed had en deze de dag daarna op 6 december 2011 aan klaagster zou kunnen doen toekomen. De directeur besluit de mail met de vraag of bureau X alsnog de zaak mag oppakken. Bericht bleef uit. Wel zond bureau X het concept op 7 december 2011 aan Mr Engelen toe. De daarbij begeleidende brief luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Ons rapport inzake uw cliënte is gereed. Wij hebben de inhoud van de berichtenwisselingen die er de laatste week waren tussen u en ons kantoor goed begrepen. Toch sturen wij u, ter voorlegging aan uw cliënte het rapport, te beschouwen als een concept. U vindt het rapport in de bijlage. De rapportage heeft wellicht nog enige waarde, een visie op de situatie voor u en de verzekeringsmaatschappij. Een korte uitleg over de gang van zaken, het uitblijven van de rapportage etc. is in de rapportage opgenomen. Vanzelfsprekend nemen wij de zaak alsnog graag verder in behandeling. (…)”
2.2 De Raad heeft de klacht voor zover deze is gericht tegen beklaagde ongegrond verklaard.
3. De klacht
3.1 Hetgeen klaagster in het begin van haar beroepschrift vermeldt met betrekking tot de termijn waarop de Raad de klacht op een zitting heeft behandeld en vervolgens uitspraak heeft gedaan alsmede haar teleurstelling over de wijze van de behandeling bij de Raad en over de in haar visie afhankelijke en partijdige bemiddeling neemt het College voor kennisgeving aan. Het staat het College niet vrij zich daarover een oordeel te vormen en te geven. Het beroep is erop gericht de klacht opnieuw te beoordelen en niet de Raad of de door de Raad gevolgde procedure te toetsen.
3.2 In het beroepschrift herhaalt klaagster hetgeen zij bij de Raad heeft aangevoerd, te weten, dat ieder initiatief tot contact uitging van klaagster dan wel van haar advocaat en ten onrechte niet van beklaagde. Beklaagde was ermee bekend, dat haast was geboden en klaagster heeft de opdracht niet binnen bekwame tijd en naar behoren voltooid. Beklaagde heeft aldus onbehoorlijk en onzorgvuldig gehandeld en gebrekkig gecommuniceerd.
3.3 Het is aan beklaagde te wijten dat klaagster veel ergernis en stress heeft gehad, door haar toedoen de re-integratie vier maanden vertraging heeft opgelopen en door haar toedoen is mislukt, aldus klaagster.
3.4 Het College stelt vast dat de klacht betrekking heeft op de periode 6 oktober 2011 – het eerste gesprek vond op die dag plaats – tot 23 november 2011 – het moment, dat beklaagde zich niet langer met het dossier heeft bemoeid.
4. Nadere vaststelling van de feiten
4.1 Het College heeft bij de behandeling beklaagde met name een toelichting laten geven over haar contacten met klaagster en het verloop van haar arbeidsongeschiktheid in de hiervoor onder 3.4 genoemde periode.
4.2 In afwijking van en in aanvulling op hetgeen de Raad heeft vastgesteld en is vermeld onder 2. De feiten, is bij de mondelinge behandeling van de klacht het volgende gebleken.
4.3 Beklaagde heeft aangevoerd, dat zij in de week voorafgaand aan de week van 6 oktober 2011 een korte vakantie had genoten. Bij terugkeer trof zij de gebruikelijk hoeveelheid werk aan, zoals dat meestal is na vakantie. Zij verklaarde, dat zij vanaf 10 oktober 2011 door persoonlijke omstandigheden/ziekte niet in staat was haar werkzaamheden voort te zetten. Zij heeft ter zitting aangegeven wisselend te hebben gewerkt; een aantal weken in het geheel niet, dan weer een dag of iets langer weer wel. Over de aard van die persoonlijke omstandigheden/ziekte heeft zij medegedeeld, dat het niet ging om lichamelijke beperkingen, maar om psychische beperkingen als gevolg van ingrijpende privéomstandigheden. In verband daarmee heeft zij van 10 oktober 2011 tot 24 oktober 2011 vrijwel dagelijks – het College begrijpt: telefonisch – contact gehad met haar werkgever over onder meer de voortgang van haar werkzaamheden. Haar werkzaamheden voert zij in de regel niet op kantoor uit, maar van huis uit en op locatie. Vanaf 24 oktober 2011 is beklaagde wel begonnen aan het rapport, maar zij wist dat zij dit nog niet kon afronden omdat er nog informatie moest worden opgevraagd, onder andere bij de bedrijfsarts.
4.4 Beklaagde heeft het College medegedeeld, dat bij het eerste gesprek geen termijn genoemd is waarop de rapportage zou worden uitgebracht, noch dat het zou gaan om een spoedzaak. Voor beklaagde was het wel duidelijk dat het ging om een ‘gevoelig’ dossier. Rapportages als deze rondt zij in de regel in één week af. Het eerste contact over de voortgang van de rapportage met klaagster vond plaats op 24 oktober 2011. Beklaagde was voornemens om klaagster te bellen en zij trof op dat moment een telefoonnotitie aan, dat klaagster had gebeld met het verzoek om terug te bellen. Bij die gelegenheid heeft zij klaagster medegedeeld, dat zij de rapportage ‘spoedig’ zou aanleveren.
4.5 De persoonlijke omstandigheden waren volgens beklaagde evenwel zo ingrijpend, dat zij zich niet realiseerde, dat zij de gedane toezegging niet kon waarmaken. Zij heeft in die periode nog wel enige andere werkzaamheden gedaan, zoals bijvoorbeeld voortgangrapportages, maar zij had niet de concentratie die nodig was voor het opstellen van een rapport in een zaak als deze. De in het slot van 4.4 gedane toezegging kwam voort uit een overschatting van haar mogelijkheden van dat moment en werd ingegeven door de vaste wil om de rapportage zelf af te maken. Beklaagde geeft aan dat ook de ‘gevoeligheid’ van het dossier meespeelde in de afweging om het dossier niet over te dragen. Dit zou ook in de communicatie met de werkgever van beklaagde zo zijn afgewogen. Zij heeft in die periode met haar werkgever overlegd of zij de werkzaamheden zelf zou verrichten of niet.
4.6 Nadat mr. Van Engelen met beklaagde op 14 november 2011 contact had opgenomen over het uitblijven van het rapport heeft beklaagde op 17 november 2011 een excuusmail gestuurd naar mr. van Engelen en in contact met klaagster op 18 november 2011 toegezegd, dat de rapportage binnen één week zou worden aangeleverd. Deze termijn heeft beklaagde niet gehaald wegens de hiervoor in 4.5 genoemde overschatting. Op 23 november 2011 heeft zij de opdracht aan haar werkgever teruggegeven.
5. De beoordeling
5.1 Klaagster verwijt beklaagde onbehoorlijk en onzorgvuldig handelen. Onder onbehoorlijk kan worden verstaan: ‘ongepast, incorrect, onbetamelijk’. Hiervan is geen sprake geweest. Onder onzorgvuldig kan worden verstaan: onnauwkeurig, onordelijk, nalatig. Omdat beklaagde op geen enkel moment uit eigener beweging en tijdig klaagster op de hoogte heeft gesteld van de niet optimale voortgang, is het College van oordeel, dat dit onzorgvuldig is geweest. Niet is gesteld of gebleken dat haar beperkingen ten aanzien van haar persoonlijk functioneren daaraan in de weg stonden. Onder communicatie kan worden verstaan: het uitwisselen van informatie. Beklaagde heeft wel degelijk met klaagster gecommuniceerd. Van beklaagde had echter verwacht mogen worden dat zij concreter was geweest in haar toezeggingen, dan wel eerder en uit eigen beweging klaagster tijdig op de hoogte had gesteld van de niet optimale voortgang.
5.2 Voor wat betreft de voortgang van de rapportage volgt eveneens uit hetgeen hiervoor onder 4 is vastgesteld, dat deze bepaald te wensen heeft overgelaten. Niet alleen vanuit de eigen visie van beklaagde, die immers gewend was rapportages als deze binnen een week af te ronden, maar ook vanuit het perspectief van de klaagster, die voortvarendheid in de rapportage mag verwachten. Deze voortvarendheid heeft hoe dan ook ontbroken. Hierbij merkt het College op dat beklaagde, gezien de ‘gevoeligheid’ van het dossier ook langer dan mogelijk gebruikelijk het dossier niet heeft willen/kunnen overdragen.
5.3 Of het handelen van beklaagde heeft geleid tot de door klaagster onder 3.3 genoemde gevolgen is door klaagster niet onderbouwd, derhalve niet vast te stellen en voor beoordeling van de klacht zelf overigens niet relevant.
6. Conclusie
6.1 De arbeidsdeskundige heeft de plicht om de cliënt, derhalve klaagster, alle relevante informatie te verschaffen die deze nodig heeft om zijn eigen belangen verantwoord te kunnen behartigen. Beklaagde wist dat klaagster in afwachting was van het rapport, dat klaagster vertrouwen stelde in beklaagde en dat de visie van beklaagde op de re-integratie van klaagster belangrijk was voor het vervolg van de re-integratie. Beklaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen vanwege haar privéomstandigheden haar in de weg stonden om klaagster tijdig en zelf te informeren. Beklaagde heeft wel aannemelijk gemaakt dat zij heeft getracht een zorgvuldige afweging te maken bij haar beslissing om het dossier (nog) niet over te dragen. De ‘gevoeligheid’ van het dossier en het vertrouwen dat klaagster in haar stelde wogen zwaar voor haar, maar dat beklaagde uiteindelijk de juiste afweging heeft gemaakt is niet gebleken. .
6.2 Uit het bovenstaande volgt, dat de klacht gegrond is uitsluitend voor zover het betreft het onzorgvuldig handelen.
6.3 Voor wat betreft een op te leggen maatregel overweegt het College, dat het College in de hiervoor genoemde omstandigheden van dit geval geen aanleiding ziet om een maatregel op te leggen. Daarbij neemt het College in aanmerking, dat beklaagde door privéomstandigheden/ziekte niet meer adequaat haar werk kon uitoefenen en zij heeft overschat, dat zij deze opdracht – waarbij ze terecht de gevoeligheid van het dossier heeft laten meewegen – nog wel zou kunnen afmaken. In zoverre en om die reden is geen sprake van een zodanige verwijtbaarheid, die het opleggen van een maatregel rechtvaardigt.
De beslissing:
Verklaart de klacht gegrond voor zover het het onzorgvuldig handelen van beklaagde betreft en legt daarvoor geen maatregel op.
Deze uitspraak is gegeven op 3 april 2013 door mr. L.F.A. Husson, voorzitter en mevrouw A. de Jonge-Seepma en de heer P. van Kesteren, leden.
Voor dezen:
mr. L.F.A. Husson