Uitspraak RvT 14 februari 2013

Uitspraak RvT 14 februari 2013

Uitspraak

Uitspraak van de Raad van Toezicht SRA op de klacht van “klager”, tegen register-arbeidsdeskundige, verder te noemen “beklaagde”.

Procesverloop

Bij brief van 29 augustus 2012 heeft klager zich tot de SRA gewend met een aantal klachten over het optreden van beklaagde als register-arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft daarop bij brief van 2 oktober 2012 schriftelijk verweer gevoerd. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 december 2012. Partijen waren aanwezig, klager vergezeld van zijn echtgenote. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunt toegelicht en vragen van de Raad beantwoord.

Feiten

Klager was in dienst van werkgever, aanvankelijk in de functie van ploegleider, nadien als Manager Logistiek. Op 1 april 2009 deed zich een incident voor, naar aanleiding waarvan klager zich bij werkgever arbeidsongeschikt heeft gemeld. Werkgever heeft zich bij zijn re-integratie laten begeleiden door bureau X, die op haar beurt beklaagde opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een arbeidsdeskundig onderzoek. Meer specifiek werd beklaagde in dat verband een drietal vragen gesteld, te weten (i) wat de re-integratiemogelijkheden van klager waren bij de eigen werkgever en, indien die er niet waren, (ii) welke mogelijkheden er voor klager elders op de arbeidsmarkt waren en (iii) wat de beste re-integratieroute was.

Ten tijde van het onderzoek dat plaatsvond op 28 januari 2011 beschikte beklaagde niet over een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Deze is door de bedrijfsarts pas later opgesteld, te weten op 15 februari 2011. Beklaagde heeft de FML niet met klager doorgenomen. Beklaagde heeft van zijn bevindingen verslag gedaan bij rapport van 20 februari 2011. Hij zond het rapport per mail toe aan bureau X die zorgdroeg voor verzending naar klager en werkgever. In dit rapport is omtrent de “beperkingen en klachtenbeleving” van klager, voor zover relevant, als volgt:

“Er zijn door de bedrijfsarts nog geen beperkingen vastgesteld in een FML. Uit de rapportage van het verzuimconsult van 6 januari 2011 blijkt er sprake te zijn van beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Afgesproken wordt dat betrokkene opgeroepen wordt bij de bedrijfsarts voor het vastleggen van de beperkingen (…).

Betrokkene geeft aan dat in zijn optiek de oorzaak van de uitval is gelegen in een moment waarin hij werd geacht naar een leverancier, gemaakte strategische keuzes te communiceren en waarna dit is geëscaleerd. In april 2009 zijn er naar betrokkene toe persoonlijke bedreigingen geuit. Dit had betrekking op het bedrijf en strategische keuzes die waren gemaakt. Betrokkene geeft aan het gebeuren te hebben gemeld bij de toenmalige leidinggevende. In zijn beleving is er onvoldoende actie ondernomen door de werkgever. Er ontstond in de weken na de bedreiging angst om te gaan werken. Betrokkene voelde zich niet gehoord en voelde zich niet in staat om te gaan werken en heeft zich derhalve ziek gemeld. Er is naar aanleiding van de verzuimmelding overleg geweest met de vakbond en zijn advocaat omdat betrokkene vragen had over een aantal zaken. Daarnaast ook omdat werkgever naar de mening van betrokkene de arbeidsovereenkomst zou willen beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. Er was sprake van ernstige klachten waarvoor de behandelaars opname noodzakelijk vonden. Op het onderzoeksmoment is er nog steeds sprake van intensieve behandeling. Wel geeft betrokkene aan dat de resultaten bevredigend zijn  en dat de verwachting is dat de behandelingsintensiteit kan afnemen vanaf eind januari 2011”.

“Betrokkene geeft aan altijd met veel plezier te hebben gewerkt. Hij werd aangenomen als ploegleider maar trok voldoende werkzaamheden naar zich toe om daarmee een functie vergelijkbaar met de logistiek manager in te vullen. In een periode van reorganisatie in 2008 werd zelfs van betrokkene verwacht dat hij beslissingen nam en deze ten uitvoer moest brengen welke niet als de meest prettige werden ervaren zo geeft hij aan. Betrokkene geeft aan zijn verantwoordelijkheden nimmer uit de weg te zijn gegaan. Hij heeft als leidinggevende in de logistiek de palletadministratie gereorganiseerd en automatisering op de werkvloer geïmplementeerd. Desgevraagd geeft betrokkene aan zeer geregeld meer uren per week te hebben gewerkt dan feitelijk de arbeidsovereenkomst inhield, hij werkte 45 tot 48 uur in de week. Waarbij ook geregeld de zaterdagmorgen ingevuld werd”.

Om te vervolgen:

“Na de uitval in mei 2009 geeft betrokkene aan door een diep dal te zijn gegaan waarbij hij de steun van werkgever met name in het begin met node heeft gemist.  Nadat de oude werkgever  werd overgenomen door de huidige werkgever bemerkt betrokkene dat de zorg omtrent zijn verzuim werd opgepakt. Er is een gesprek geweest met de directie en betrokkene kreeg de hoop dat de re-integratie adequaat zou worden opgepakt. Betrokkene werd in eerste instantie een aantal uren in de productie geplaatst, waar hij met het uitpakken  van kaas niet gelukkig werd zo geeft hij aan. Inmiddels zijn er nieuwe afspraken gemaakt en zijn er beter passende werkzaamheden aangeboden. Betrokkene gaat administratieve controles uitvoeren van chauffeursgegevens. Betrokkene werk nu 2 x 2 uur per week. Er is nog steeds sprake van intensieve behandeling maar hij geeft aan voor 16 uur per week beschikbaar te kunnen zijn voor vervangende werkzaamheden. Uitbreiding van de werkzaamheden kan alleen wanneer de dagbehandeling die hij nu nog ondergaat wordt afgebouwd. Betrokkene geeft aan dat doelstelling is het re-integreren in zijn eigen werk of op een functie van vergelijkbaar niveau. Desgevraagd geeft betrokkene aan dat hij van mening is dat deze doelstelling haalbaar is en verwacht voor 80 tot 90% van zijn oude niveau te kunnen halen.  Op verzoek van ondergetekende zal betrokkene een hervattingsschema opstellen en deze bij de re-integratiegesprekken inbrengen. De ambitie is weer te kunnen gaan presteren samen met andere mensen. Desgevraagd geeft betrokkene aan open te staan voor scholing en ontwikkeling op meerdere competentievlakken.”

Beklaagde heeft aansluitend de arbeidsmogelijkheden van klager beoordeeld in zijn rapport als volgt:

“Beoordeling geschiktheid eigen werk

Verzekerde is niet geschikt te achten voor het eigen werk.

Functiebeschrijving en functiebelasting vóór uitval

Huidige functie: manager Logistiek

De arbeidsovereenkomst vermeld 36 uur per week.

Betrokkene geeft op het onderzoeksmoment de volgende werkverdeling aan

Maandag tot en met vrijdag van 8.00 tot 17.00

Geregeld zaterdag van 8.00 tot 11.30 uur.

Arbeidskundige oordeelsvorming

Op basis van de geformuleerde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en vanwege de beperkte beschikbaarheid kan gesteld worden dat verzekerde op het onderzoeksmoment niet in staat wordt geacht de functie van logistiek manager in de volle omvang 36 uur per week uit te voeren. Het optimaal laten functioneren van  een logistiek afdeling met 30 man personeel is complex en kent vele verschillende factoren van zowel informatievoorziening als het feitelijk leidinggeven en verantwoordelijkheden dragen. In managende functies wordt een appèl  gedaan op de leidinggevende en coördinerende kwaliteiten van betrokkene. Hiervoor zijn aspecten als aandacht verdelen en concentratie van belang. Hierin is betrokkene volgens de opgaven in FML, beperkt. Er is nog geen medische eindsituatie echter lijkt volledige re-integratie in de eigen functie binnen 2 jaar niet haalbaar gelet op de door de arts gestelde prognose waarin hij aangeeft geen grote toename van re-integratiemogelijkheden voor het einde van het 2e ziektejaar te verwachten. Afgaande op de mij bekende gegevens ben ik van mening dat er naar alle waarschijnlijkheid een langere periode van overbelasting, werkdruk en stress heeft bestaan. Het lijkt erop dat hetgeen betrokkene begin april 2009 is overkomen, het luxerend moment voor de verzuimproblematiek zou kunnen zijn geweest. Voor de uitval was er onder andere al sprake van vele uren werken per week en signalen van onvoldoende functioneren hetgeen ook eerder met betrokkene was besproken. Afgaande op de indrukken uit het gesprek kan betrokkene naar mijn mening getypeerd worden als een hard werkende en loyale medewerker, met een perfectionistische inslag. Betrokkene leek niet in staat om uitsluitend te managen maar sprong naar zijn eigen inzicht geregeld even bij om processen niet te laten frustreren. Het leveren van rapportages ten behoeve van het management liep geregeld vertraging op. Betrokkene leek dit te compenseren met langere werkdagen. Zoals ik het nu kan inschatten is de uitvoer van het werk op de laatste momenten meer op ad hoc basis geweest. De scheiding tussen managen en meewerken lijkt op een gegeven moment te zijn vervaagd. Om toch te kunnen presteren zijn werkzaamheden naar huis en de zaterdag verplaatst,  waardoor ik van mening ben dat mede hierdoor een basis voor overbelasting in het werk lijkt te zijn ontstaan. Op basis van de gegevens uit het arbeidsverleden van betrokkene is een groei te bemerken in meewerkend leidinggevende taken en functies. De functie van Logistiek manager is in mijn optiek van een ander niveau. In alle redelijkheid vraag ik me af of betrokkene niet een langere tijd op de maximale toppen van kunnen heeft willen presteren en onvoldoende aan vraag heeft kunnen voldoen. Terugkeer in het eigen werk is niet mogelijk omdat de functie door de werkgever is opgevuld. In hoeverre betrokkene ook na terugkeer nog in staat is om de werkzaamheden in de eigen functie uit te voeren is niet geheel duidelijk. Betrokkene geeft zelf aan niet te verwachten de volledige 100% van zijn capaciteit te behalen op korte termijn.

Ook mede daarom lijkt volledige terugkeer in de eigen functie, binnen de 2 jaar van het verzuim, in alle redelijkheid niet haalbaar. Het is daarnaast van belang dat betrokkene ook beschermd wordt in de risico´s van overbelasting die de functie van de logistiek manager met zich meebrengt.”

Ter beoordeling van de geschiktheid van klager voor passend werk binnen het bedrijf stelt beklaagde in het rapport het volgende:

“Er is voor verzekerde wel passend werk binnen het eigen bedrijf.

Het bedrijf is gevestigd in Z.

Het betreft een warehouse van 17.000 m² met verschillende temperatuurzones.

Het bedrijf houdt zich bezig met opslag en distributie van Fresh Food.

Binnen het bedrijf zijn ongeveer 210 fte werkzaam in 2 divisies, Logistiek en Packing.

Er is 1 operationeel directeur.

Vooralsnog zijn er binnen de divisie logistiek, tijdelijke werkzaamheden gecreëerd welke betrokkene gaat uitvoeren. Dit is voor de periode van ongeveer 6 maanden. Daarnaast zijn er binnen de organisatie functies te duiden die op basis van opleiding en ervaring als passend zijn te beschouwen maar wel een functieniveau lager liggen. Binnen Packing kan gedacht worden aan bijvoorbeeld productieleider, ploegchef, KAM manager of medewerker Kwaliteit. Binnen Logistiek kan gedacht worden aan de functie van coördinator logistiek of ploegleider logistiek. Wanneer de behandeling goed verloopt en de intensiteit terugneemt is het voorstel een derde dag te implementeren. Het advies is om de werkdagen op maandag, woensdag en vrijdag in te stellen zodat er voldoende recuperatie ontstaat.

Vooralsnog lijken alle genoemde en passende functies opgevuld. De werkgever dient te onderzoeken of plaatsingsmogelijkheden bestaan of op termijn gaan ontstaan. Het is raadzaam om betrokkene bij re-integratie binnen de eigen onderneming, individuele jobcoaching aan te bieden gericht op werk.

De overweging wordt meegegeven om een twee sporen beleid op te zetten waarbij naast interne re-integratie, een loopbaanscan wordt uitgevoerd, gericht op het onderzoeken van passende functies (zowel fysiek als mentaal), bepalen of omscholing haalbaar is en eventueel een plan van aanpak opstellen.”

Ter beoordeling van de mogelijkheden van klager buiten het eigen bedrijf op de arbeidsmarkt valt in het rapport van beklaagde te lezen als volgt:

“Gelet op de geformuleerde beperkingen, de interesses van verzekerde en de ervaringen in het verleden acht ik functies bijvoorbeeld als magazijnchef, KAM coördinator, kwaliteitscontroleur, passend. N.B. genoemde functies zijn slechts voorbeelden van mogelijk passende beroepen. Aan deze opsomming kunnen geen rechten ontleend worden. Tenslotte concludeert en adviseert beklaagde op pagina 13 van zijn rapport als volgt:

“Conclusie en advies

Op basis van de geformuleerde beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren en beschikbaarheid is betrokkene op het onderzoeksmoment ongeschikt te achten voor de functie van Logistiek manager in de volle omvang, 36 uur per week. De administratieve taken die in het kader van re-integratie worden uitgevoerd kunnen als passend beschouwd worden. Er zijn mogelijk andere passende functies bij de eigen werkgever te duiden. Het advies aan de werkgever is om aan te geven of op basis van vacatureruimte er mogelijkheden kunnen ontstaan om tot passende re-integratie te komen. Daarnaast is betrokkene tevens geschikt te achten voor andere passende werkzaamheden bij een andere werkgever. Gelet op de geformuleerde beperkingen in combinatie met leeftijd, opleiding en ervaring is cliënt geschikt te achten voor functies bijvoorbeeld als magazijnchef, KAM coördinator, kwaliteitscontroleur. (N.B. genoemde functies zijn slechts voorbeelden van mogelijk passende beroepen. Aan deze opsomming kunnen geen rechten ontleend worden.) Geadviseerd wordt om naast de huidige re-integratie activiteiten een loopbaantraject met eventueel vervolgtraject in de vorm van bemiddeling op te zetten. Het is mogelijk dat er op basis van loonderving een WGA recht kan ontstaan. Het is derhalve aan te bevelen de WIA aan te vragen.” Klager liet bij brief van 15 maart 2011 weten dat hij zich niet kon vinden in de bevindingen van beklaagde. Beklaagde was door persoonlijke omstandigheden pas in de gelegenheid hierop te reageren op 28 mei 2011. Klager is in juni 2011 door werkgever ontslagen. De klachten Klager verwijt beklaagde (i) dat hij ondeskundig heeft gehandeld door onjuiste en irrelevante informatie op te nemen in het rapport waarmee hij werkgever gefaciliteerd heeft. Het rapport heeft naar de overtuiging van klager zijn ontslag mede tot gevolg gehad.Daarnaast verwijt klager beklaagde (ii) dat hij zonder toestemming het arbeidsdeskundig rapport aan werkgever heeft toegezonden, waardoor hij zijn geheimhoudingsplicht jegens hem heeft geschonden. Het verweer Beklaagde voert verweer dat in het hierna volgende zal worden besproken.

De werkwijze van de Raad Artikel 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen over de werkwijze van de Raad. Op grond daarvan toetst de Raad de klacht aan de Statuten, Reglementen en de Gedragsregels SRA. De overwegingen van de Raad Bij de beoordeling staat voorop dat het niet gaat om wat, achteraf gezien, allemaal meer of anders had gekund of gemoeten, maar om het geven van een antwoord op de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met zijn handelen is gebleven binnen datgene wat ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard. De Raad ziet, gelet op de onderlinge samenhang en verwevenheid, aanleiding om de klachtonderdelen gelijktijdig te behandelen. De Raad overweegt als volgt. Uit artikel 1 Gedragscode SRA blijkt dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed – oftewel een redelijk handelend – arbeidsdeskundige in acht neemt, waarbij hij in overeenstemming handelt met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de op dat moment voor arbeidsdeskundigen geldende professionele standaard. Het is in dit verband de taak van een arbeidsdeskundige om onafhankelijk en zo objectief mogelijk vast te stellen welke arbeid de betrokkene, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen nog kan verrichten (Vgl. RvT SRA 11 oktober 2005). De arbeidsdeskundige dient zich onpartijdig op te stellen en de (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn werk- of opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben. Daarom wordt geacht dat de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid vermijdt. Wordt deze schijn wél gewekt, dan zal het handelen van de arbeidsdeskundige eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels (Vgl. RvT SRA  11 maart 2008).

Ter beoordeling van de klacht is voorts van belang artikel 3 Gedragscode SRA, waarin is neergelegd aan welke vijf vereisten een arbeidsdeskundig rapport dient te voldoen, te weten (i) op inzichtelijke en consistente wijze dient uiteengezet te worden op welke gronden de conclusie van het rapport steunt; (ii) de genoemde gronden moeten voldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen die in het rapport zijn gemeld, (iii) de bedoelde gronden dienen de daaruit getrokken conclusies te rechtvaardigen, (iv) de rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur en (v) de methode van het onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen kan tot het beoogde doel leiden, waarbij de rapporteur de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet overschrijdt. Gelet op deze uitgangspunten is de Raad van oordeel dat het handelen van klager de toets der kritiek, om meerdere redenen, niet kan doorstaan. In hierna volgende zal de Raad hierop nader ingaan in het licht van de klacht.

De conclusie dat klager niet geschikt is voor de eigen functie onderschrijft de Raad niet voor wat betreft de omvang van het aantal uren dat klager werkzaamheden ten behoeve van werkgever verrichtte voor de arbeidsongeschiktheid. Uit het rapport blijkt immers niet dat beklaagde in ogenschouw heeft genomen dat klager bij werkgever in dienst was voor 36 uur, maar (naar uit het rapport wel blijkt) gemiddeld bijna 50 uur per week werkte. Naar de overtuiging van de Raad mag, gegeven die feiten en omstandigheden, van een redelijk handelend arbeidsdeskundige worden verwacht dat hij in de beoordeling de vraag betrekt of klager in staat te achten is om de werkzaamheden die verbonden zijn aan de eigen functie binnen de overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per week te verrichten. Door dat na te laten, heeft beklaagde zijn oordeel omtrent de (on)geschiktheid voor het eigen werk naar het oordeel van de Raad onvoldoende gemotiveerd.

Beklaagde heeft voorts een opsomming gegeven van enkele andere functies binnen het eigen bedrijf die hij passend acht. Beklaagde noemt in dat verband – onder meer – de functies van productieleider, ploegchef, KAM manager, medewerker Kwaliteit. Niet blijkt dat hij onderzoek heeft verricht naar de belastbaarheid van die functies. Wat die functies inhouden, laat staan welke deeltaken binnen die functies worden verricht, blijkt niet.

Evenmin heeft beklaagde getoetst of de belastbaarheid van klager de belastbaarheid van de als passend geduide functies overschrijdt. Beklaagde heeft aldus volstaan met een opsomming van enkele niet nader onderbouwde functies die hij als passend beschouwt.

Ten aanzien van de functies van magazijnchef, KAM coördinator en kwaliteitscontroleur die beklaagde passend acht voor beklaagde buiten het eigen bedrijf, geldt hetzelfde als voor de als passend geduide functies in het eigen bedrijf. Door dit alles na te laten, is beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten (Vgl. RvT SRA 24 november 2003).

Illustratief in dit verband is de verhandeling ter zitting waar de Raad beklaagde confronteerde met het feit dat de werkgever naar aanleiding van diens rapport heeft aangegeven dat de werkzaamheden die beklaagde passend achtte niet in Z., maar in H. moesten worden uitgevoerd. Beklaagde erkende dat over het hoofd te hebben gezien en was steeds uitgegaan van Z. als standplaats van de werkzaamheden. Deze wijziging kan van belang zijn. De FML kent immers een beperking toe van maximaal een halfuur voor zichzelf verplaatsen met auto of fiets in druk stadsverkeer. Vanuit A., waar klager woonachtig is, het dus de vraag in hoeverre H. haalbaar is binnen de vastgestelde beperkingen. Naar de overtuiging had van een redelijk handelend arbeidsdeskundige mogen worden verwacht dat hij daaraan aandacht besteed had, nu dat essentieel is ter beantwoording van de vragen die aan hem zijn gesteld.

Klager verwijt beklaagde voorts dat hij onduidelijke taal gebruikt die vraagtekens oproept. Beklaagde heeft ten verwere aangevoerd dat het gaat om een momentopname waardoor hij het niet gerechtvaardigd acht om in al te stellige bewoordingen te rapporteren. De Raad kan op zichzelf onderschrijven dat de arbeidsdeskundige beoordeling een momentopname is. Dat neemt echter niet weg dat een arbeidsdeskundige moet voorkomen dat zijn rapport en het optreden zodanig zijn dat deze op zich een bron van conflicten wordt, doordat de rapportgage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen (Vgl. RvT SRA 11 maart 2008). In dit verband acht de Raad het ongelukkig dat beklaagde in zijn rapport (op zichzelf geheel terecht) de FML heeft overgenomen, maar met daarbij specifiek de kanttekening dat hij daarmee “de belangrijkste relevante beperkingen” heeft weergegeven.

Beklaagde doet daarmee voorkomen alsof hij onderscheid heeft gemaakt tussen beperkingen die hij wel en beperkingen die hij niet relevant vindt. De arbeidsdeskundige mag in zijn advisering evenwel niet op de stoel van de bedrijfsarts gaan zitten (Vgl. RvT SRA 13 december 2004). Voorts dient een arbeidsdeskundige zich te onthouden van een onderzoek waarvoor hij specifieke deskundigheid mist, en mag hij zijn arbeidsdeskundig oordeel niet baseren op eigen medische, psychologische of juridische argumentatie (Vgl. RvT SRA 28 februari 2011). Van een redelijk handelend arbeidsdeskundige mag naar het oordeel van de Raad verwacht worden dat hij een deugdelijke uiteenzetting geeft van de (deeltaken die behoren bij de) functies die hij als passend duidt, en deze afweegt tegen de belastbaarheid van de betrokkene en dat hij die afweging zorgvuldig neerlegt in zijn rapport. Dit alles heeft beklaagde nagelaten. Uit het rapport van beklaagde blijkt niet, laat staan gemotiveerd, op welke gronden zijn conclusies dat de arbeid passend is, rusten. Beklaagde heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij van oordeel is dat het al dan niet geschikt zijn voor een functie geen onderdeel is van de arbeidsdeskundige beoordeling. Dat getuige naar het oordeel van de Raad van een te smalle opvatting van zijn beroep. Beklaagde verliest immers uit het oog dat het juist aan hem als arbeidsdeskundige is om de weging te maken tussen de belasting van de functies versus de belastbaarheid van klager. Dat heeft hij aldus niet gedaan. Dat kan beklaagde ook niet, omdat uit het rapport evenmin blijkt welke eisen aan de geduide functies worden gesteld. De Raad acht dit alles tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarbij tekent de Raad aan dat beklaagde ten onrechte in zijn rapport op pagina 13 als “conclusie en advies” stelt dat er “mogelijk” andere passende functies bij de eigen werkgever te duiden zijn. Beklaagde geeft de werkgever het advies om “aan te geven of op basis van vacatureruimte er mogelijkheden kunnen ontstaan om tot passende re-integratie te komen”. Beklaagde wijst er voorts nog expliciet op dat genoemde functies “slechts voorbeelden zijn van mogelijk passende beroepen” en dat “aan deze opsomming van functies geen rechten kunnen worden ontleend”. Daarmee miskent beklaagde naar de overtuiging van de Raad zijn taak als arbeidsdeskundige. Zulks klemt temeer ook, daar de vraagstelling mede was gericht op het verkrijgen van een antwoord op die vraag. Dat het daarbij gaat om een momentopname, doet aan het voorgaande in het geheel niet af.

Klager heeft voorts geklaagd over schending van de geheimhoudingsverplichting. Tot uitgangspunt geldt in dat verband artikel 6 Gedragscode SRA, waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige geheimhouding betracht van de hem toevertrouwde gegevens. Blijkens de toelichting op dit artikel mag de arbeidsdeskundige alleen die gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn ter beoordeling van de aanspraak. De Gedragscode SRA volgt daarbij de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). In dat verband wijst de Raad op er dat beklaagde – kort gezegd – de volgende vragen werden gesteld: i) wat zijn de re-integratiemogelijkheden van klager bij de eigen werkgever, en indien dit niet mogelijk is; ii) welke mogelijkheden zijn er voor klager elders op de arbeidsmarkt; iii) wat is de beste re-integratieroute. Gelet op het voorgaande dient beklaagde, als redelijk handelend arbeidsdeskundige, de afweging te maken welke gegevens hij noodzakelijk acht om op te nemen in zijn rapport. Zoals ook blijkt uit de toelichting op art. 6 Gedragscode SRA, is voor het verwerken van (alleen) die gegevens de machtiging van klager niet nodig. Er bestond geen noodzaak om andere gegevens omtrent de belastbaarheid van klager op te nemen, dan de door de arts vastgestelde beperkingen (die beklaagde overigens ook in zijn rapport heeft opgenomen) (Vgl. RvT SRA 19 oktober 2012 en 6 april 2009). Beklaagde heeft meer en andere gegevens in zijn rapport opgenomen dan die welke nodig waren ter beantwoording van de gestelde vragen. Daarbij is het een misvatting dat het slechts zou gaan om verwerking van medische gegevens. Artikel 21 van de WBP verbiedt in dit verband immers elke verwerking van persoonsgegevens die het noodzakelijke te boven gaat. In het rapport dat aan de klacht ten grondslag ligt zijn passages te lezen dat klager naar zijn mening “getypeerd kan worden als een hard werkende, loyale medewerker met een perfectionistische inslag die niet in staat leek te zijn om uitsluitend te managen maar naar eigen inzicht geregeld even bijsprong om processen niet te laten frustreren” en “het leveren van rapportages ten behoeve van het management liep geregeld vertraging op” wat klager leek te compenseren met het maken van lange werkdagen” en “zoals ik het nu kan inschatten is de uitvoer van het werk op de laatste momenten meer op ad hoc basis geweest”. Al deze passages typeren naar het oordeel van de Raad dat beklaagde ten onrechte voorbij heeft gezien dat beklaagde ter beantwoording van de vragen slechts de weging moet maken tussen de belastbaarheid van de functie(s) tegenover de belastbaarheid van betrokkene. En niet meer dan dat. Daarbij komt nog, dat beklaagde desgevraagd ter zitting heeft beaamd dat een en ander niet heeft meegewogen in zijn arbeidsdeskundige beoordeling. Dat betekent dus dat de verwerking van de bedoelde gegevens (ook naar de eigen overtuiging van beklaagde) niet nodig is geweest. Daarmee staat aldus vast dat beklaagde zijn geheimhoudingsverplichting heeft geschonden. Ten slotte gaat de Raad in op de verspreiding van het rapport. Het rapport dat beklaagde heeft opgesteld is, naar inmiddels wel vast staat tussen partijen, naar klager en zijn werkgever gezonden. De stelling van beklaagde dat hij doorgaans verifieert of de werknemer is gewezen op het inzagerecht, ontgaat de Raad. Nog daargelaten, dat in het algemeen de vraag rijst of het inzagerecht wel van toepassing is op de werkzaamheden van arbeidsdeskundigen, mist het recht in dit geval toepassing. Het gaat immers om een onderzoek in verband met een lopende arbeidsverhouding. Bovendien is gesteld, noch gebleken dat beklaagde en klager met elkaar zijn overeengekomen dat beklaagde een conceptrapport zou opstellen en dat (als eerste) aan klager zou voorleggen. Dat strookt overigens ook niet met de door beklaagde ter zitting geschetste handelswijze. Naar beklaagde immers onbestreden heeft gesteld, laat hij de verzending van zijn rapporten over aan bureau X, en is gebleken dat bureau X diens rapporten direct aan werknemer en werkgever zendt. De Raad wijst er in dit verband overigens, ten overvloede, op dat de Gedragsregels SRA ook niet tot het vervaardigen van een conceptrapport verplichten. Dat het rapport aan werkgever en werknemer is verzonden, is dan ook op zichzelf tuchtrechtelijk niet aan beklaagde verwijtbaar.

Gelet op al het bovenstaande acht de Raad de klacht gegrond.

Slotsom

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de klacht gegrond is. De Raad is van oordeel dat gezien de aard van de schendingen een zware maatregel gerechtvaardigd is. Zulks geldt temeer ook nu beklaagde er noch in zijn schriftelijk verweer, noch mondeling ter zitting blijk van heeft gegeven dat hij bekend is met de wettelijke regeling en de inhoud van de Gedragscode SRA en de dienaangaande aldus op hem rustende verplichtingen. De Raad volstaat thans met een schorsing onder de hierna te formuleren voorwaarde, omdat beklaagde heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt en zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door het besef te tonen dat niet had mogen handelen, zoals hij heeft gedaan. Bovendien neemt de Raad in overweging dat het de eerste keer is dat het handelen van beklaagde tuchtrechtelijk ter beoordeling staat. Beslissing De Raad van Toezicht SRA verklaart de klacht gegrond en legt beklaagde ter zake de maatregel van schorsing uit het register van SRA op voor de duur van drie maanden, echter voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, in de zin beklaagde zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan een soortgelijke gedraging als waarvoor de maatregel plaatsvindt, noch aan een andere ernstige gedraging en onder bijzondere voorwaarde dat beklaagde binnen de gestelde proefperiode  een cursus volgt op het terrein van morele besluitvorming.

Aldus gegeven op 14 februari 2013:

E.J. Wervelman, voorzitter

C. Boulonois, lid register-arbeidsdeskundige

B. Gerringa, lid register-arbeidsdeskundige