Uitspraak AT 5 oktober 2015
Zie ook de annotatie bij deze uitspraak.
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege SRA, hierna te noemen: "het Tuchtcollege", op de klacht van klager, tegen de register-arbeidsdeskundige, hierna te noemen: beklaagde.
Procesverloop
Op 19 februari 2015 is door klager een klacht over de handelwijze van beklaagde ingediend bij het secretariaat SRA.
Bij brief van 17 maart 2015 heeft beklaagde op deze klacht gereageerd.
Met de brief van 11 juni 2015 heeft de Arbeidsdeskundig Ombudsman SRA aan het secretariaat SRA kenbaar gemaakt, dat behandeling van de klacht niet vruchtbaar is gebleken en aan klager is meegedeeld, dat hij de gelegenheid heeft zijn klacht bij het Tuchtcollege in te dienen.
Bij brief van 26 juni 2015 heeft klager -zoals dit door klager al per e-mail van 11 juni 2015 aan beklaagde was aangekondigd- de klacht aan het Tuchtcollege voorgelegd.
Op 15 juli 2015 heeft beklaagde een verweerschrift met 7 bijlagen ingediend.
Bij brief met 4 aanvullende bijlagen van 2 september 2015 (door het secretariaat SRA ontvangen op 6 september 2015) heeft klager zijn klacht nader toegelicht.
Met de brief van 2 september 2015 heeft beklaagde nog 5 aanvullende bijlagen (bijlage 8 tot en met 12) ingediend.
De mondelinge behandeling van de klacht door het Tuchtcollege vond plaats op 17 september 2015. Klager is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door een gemachtigde, die een pleitnota met een aanvullende bijlage (bijlage 13) aan het Tuchtcollege heeft overhandigd. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, op elkaars standpunten gereageerd en zijn vragen van het Tuchtcollege door partijen beantwoord.
Feiten
Het Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.
In opdracht van de werkgever van klager heeft beklaagde tweemaal een arbeidsdeskundig onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden van klager verricht.
Het eerste arbeidsdeskundig onderzoek vond plaats in 2012. In het kader van dat onderzoek had beklaagde een gesprek met klager op 20 juni 2012. De "Arbeidsdeskundige rapportage" van beklaagde dateert van 2 juli 2012 en is in tweevoud aan de werkgever van klager toegezonden.
Het tweede onderzoek was in 2014. Het gesprek in het kader van dat onderzoek vond plaats op 4 december 2014. De arbeidsdeskundige rapportage is op 19 december 2014 door beklaagde in concept aan beklaagde toegezonden. Per e-mail van 13 januari 2015 is door klager op dit concept gereageerd. De definitieve "Rapportage arbeidsdeskundig onderzoek en advies" van beklaagde dateert van 15 januari 2015 en is door beklaagde op 16 januari 2015 aan de werkgever van klager en aan klager toegezonden.
De klachten
Blijkens de brieven van 19 februari 2015, 12 juni 2015 en 2 september 2015 verwijt klager beklaagde -kort gezegd- dat beklaagde zich niet aan de artikelen 1, 2, 3 en 7 van de Regels van de gedragscode SRA, hierna: "de gedragscode", heeft gehouden .
Klager is van mening dat beklaagde de gesprekken op 20 juni 2012 en 4 december 2014 niet op een zorgvuldige manier heeft gevoerd (te weinig tijd, geen ruimte voor inbreng klager, monoloog beklaagde, afzonderlijke gesprekken met werkgever en werknemer, geen driegesprek) en beklaagde hem in 2012 en 2014 niet op een zorgvuldige wijze heeft geïnformeerd over zijn opdracht en het onderzoek. Klager verwijt beklaagde dat hij zijn rapportage van 2 juli 2012 niet eerst in concept aan klager heeft voorgelegd en alleen aan de werkgever heeft verzonden. Verder verwijt klager beklaagde dat hij bij zijn onderzoeken gebruik heeft gemaakt van verouderde fml’s van 2007 en 2012 en niet de juiste gegevens over zijn functie heeft gebruikt (geen gebruik gemaakt van de rolprofielen die de werkgever hanteert). Omdat beklaagde door de werkgever is uitgekozen en betaald, is klager van mening dat beklaagde niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig was. Aan beklaagde wordt door klager voorts verweten dat hij de vertrouwelijke mail van klager van 13 januari 2015 met de werkgever van klager heeft gedeeld. Ten slotte is klager van mening dat de rapportages van beklaagde niet aan de eisen voldoen die in artikel 3 gedragscode worden gesteld en hij door beklaagde in strijd met artikel 7 gedragscode niet respectvol is behandeld.
Het verweer
Beklaagde voert verweer. Daar wordt in het hiernavolgende op ingegaan.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Op grond van artikel 11.2 van het Tuchtreglement SRA toetst het Tuchtcollege de klacht aan de Statuten, Reglementen en/of de gedragscode van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
Daarbij is het volgende van belang. Het Tuchtcollege oordeelt uitsluitend over het gedrag van een arbeidsdeskundige. Voorts gaat het er bij de beoordeling van het handelen niet om wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Door het Tuchtcollege wordt uitsluitend de vraag beantwoord of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd, is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geacht handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen ter zake als norm was aanvaard.
Bij de beoordeling van onderhavige klacht zijn met name de artikelen 1, 2, 3 en 7 van de gedragscode van belang.
In artikel 1 gedragscode is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed arbeidsdeskundige in acht neemt. Artikel 2 bepaalt, dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht en zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van de aard en het doel daarvan. Verder is in artikel 2 vastgelegd dat de arbeidsdeskundige er op toe dient te zien dat hij bij zijn onderzoek naar de belastbaarheid de beschikking heeft over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens. Artikel 3 vermeldt aan welke eisen de rapportage van de arbeidsdeskundige dient te voldoen. In artikel 7 is vastgelegd dat de arbeidsdeskundige streeft naar een verhouding met andere arbeidsdeskundigen, opdrachtgever(s) en cliënten die berust op respect.
De beslissing van het Tuchtcollege over toelating van te laat ontvangen stukken
Ter zitting is er door beklaagde op gewezen dat de brief met bijlagen van klager van 2 september 2015 niet tijdig van klager is ontvangen en daarop door het Tuchtcollege naar de mening van beklaagde om die reden geen acht kan en mag worden geslagen.
Naar aanleiding daarvan is er door klager op gewezen dat met de pleitnota van de gemachtigde van beklaagde ook nog een stuk (bijlage 13) in het geding is gebracht. Dit stuk is volgens klager ook te laat ingediend. Daarom zou op dit stuk dan ook geen acht mogen worden geslagen.
Partijen hebben ter zitting bezwaar gemaakt tegen toelating van de betreffende stukken. Naar aanleiding daarvan is de zitting geschorst en heeft het Tuchtcollege zich op het bezwaar van partijen tegen toelating van de stukken beraden.
Na schorsing van de zitting heeft het Tuchtcollege aan klager en beklaagde meegedeeld dat het Tuchtcollege heeft besloten zowel de brief met bijlagen van klager van 2 september 2015 als het stuk dat door beklaagde met de pleitnota van zijn gemachtigde in het geding wordt gebracht (bijlage 13) bij de behandeling van de zaak te betrekken.
De ter zitting aan klager en beklaagde meegedeelde motivering van deze beslissing is de volgende.
Op grond van artikel 14.2 Tuchtreglement SRA kunnen nadere stukken door partijen 14 dagen voor de zitting bij het secretariaat worden ingediend. Partijen dienen daarbij zorg te dragen voor gelijktijdige toezending aan de andere partij. In artikel 14.3 Tuchtreglement SRA is vastgelegd dat op stukken die na afloop van deze termijn zijn ingediend door het Tuchtcollege geen acht wordt geslagen, tenzij anders wordt beslist.
De brief met bijlagen van klager van 2 september en het nadere stuk van beklaagde (bijlage 13) zijn weliswaar te laat ontvangen, maar kunnen naar het oordeel van het Tuchtcollege toch bij de procedure worden betrokken omdat ze inhoudelijk geen nieuwe informatie bevatten en niet zodanig laat zijn ingediend dan wel zodanig ingewikkeld zijn dat partijen daar niet op een zorgvuldige wijze kennis van hebben kunnen nemen en op hebben kunnen reageren. Door toelating van de stukken worden partijen naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook niet in hun mogelijkheden van verweer geschaad. Bovendien zouden partijen er -als door het Tuchtcollege zou worden besloten geen acht op de betreffende stukken te slaan- voor kunnen kiezen om de betreffende stukken bij wijze van pleitnota integraal voor te lezen op de zitting. Dat zou volgens het Tuchtcollege een goede en efficiënte behandeling van de zaak in de weg staan.
De overwegingen van het Tuchtcollege met betrekking tot de klachten
Ter zake van deze klachten overweegt het Tuchtcollege het volgende.
Klager verwijt beklaagde in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 gedragscode te hebben gehandeld doordat beklaagde de gesprekken met klager op 20 juni 2012 en 4 december 2014 niet op een zorgvuldige manier zou hebben gevoerd (te weinig tijd, geen ruimte voor inbreng klager, monoloog beklaagde, afzonderlijke gesprekken met werkgever en werknemer, geen driegesprek). Bovendien zou beklaagde niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig zijn doordat hij door de werkgever van klager is uitgekozen en betaald. Ten slotte zou beklaagde in strijd met de algemene toetsnorm hebben gehandeld door de vertrouwelijke mail van klager van 13 januari 2015 met de werkgever te delen.
Het Tuchtcollege is van mening dat het verwijt van klager dat de gesprekken in 2012 en 2014 niet op een zorgvuldige wijze zijn gevoerd en er geen tijd en ruimte was voor de inbreng van klager feitelijke onderbouwing mist. Noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, blijkt van de aannemelijkheid van de verwijten van klager. De door beklaagde opgestelde rapportages geven er juist blijk van dat de inbreng van klager is meegewogen.
Bovendien is het Tuchtcollege van mening dat de arbeidsdeskundige niet in strijd handelt met de gedragscode door in het kader van zijn onderzoek afzonderlijke gesprekken te voeren met een werkgever en werknemer. In ieder geval verplicht de gedragscode de arbeidsdeskundige niet tot het voeren van een gesprek waarbij zowel werkgever als werknemer aanwezig zijn. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde daar in dit geval in redelijkheid ook geen aanleiding voor hoeven zien. Het Tuchtcollege constateert in dat verband ook dat zowel in de rapportage van 2 juli 2012 als 15 januari 2015 op zorgvuldige wijze verslag wordt gedaan van de gesprekken met de werkgever en beklaagde.
Het enkele feit dat beklaagde door de werkgever van klager als arbeidsdeskundige is uitgekozen en door de werkgever voor zijn onderzoeken is betaald, maakt niet dat beklaagde niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig zou zijn dan wel sprake is van schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling. De door beklaagde uitgebrachte rapportages geven blijk van een objectief, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek. Van feiten of omstandigheden waaruit van enige partijdigheid of belangverstrengeling dan wel schijn daarvan blijkt, is het Tuchtcollege niet gebleken.
Ook het verwijt van klager dat beklaagde zijn vertrouwelijk mail van 13 januari 2015 met de werkgever heeft gedeeld, mist een feitelijke grond. Daarvan blijkt ook niet uit de mail van 16 januari 2015 van beklaagde aan klager waarop door klager ter onderbouwing van dit verwijt is gewezen.
Op grond van het vorenstaande is het Tuchtcollege van mening dat de klacht dat door beklaagde in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 gedragscode heeft gehandeld, ongegrond is.
Dat geldt naar het oordeel van het Tuchtcollege ook voor de klacht dat door beklaagde in strijd is gehandeld met artikel 2 gedragscode.
Klager is van mening dat beklaagde hem in 2012 en 2014 niet op een zorgvuldige wijze heeft geïnformeerd over zijn opdracht en het onderzoek. Klager verwijt beklaagde bovendien dat hij zijn rapportage van 2 juli 2012 niet eerst in concept aan hem heeft voorgelegd en alleen aan de werkgever heeft verzonden. Verder verwijt klager beklaagde dat hij bij zijn onderzoek in 2014 gebruik heeft gemaakt van verouderde fml’s van 2007 en 2012 en niet de juiste gegevens over zijn functie heeft gebruikt (geen gebruik gemaakt van de rolprofielen die de werkgever hanteert).
Ter zitting is duidelijk geworden dat beklaagde zowel in 2012 als 2014 is uitgenodigd door de werkgever voor het gesprek met beklaagde en daarbij is aangegeven dat het om een arbeidsdeskundig onderzoek ging. Ter zitting is door beklaagde bovendien onweersproken aangegeven dat hij in beide gesprekken aan klager heeft uitgelegd is wat zijn rol is, wat het doel is van het onderzoek en wat zijn werkwijze is. In het gesprek in 2012 heeft beklaagde klager er over geïnformeerd, dat hij zijn rapportage in tweevoud aan de werkgever stuurt. Klager wist dus waar hij aan toe was. Bij het arbeidsdeskundig onderzoek in 2014 heeft beklaagde een aangepaste werkwijze gevolgd door zijn rapportage eerst in concept aan klager voor te leggen alvorens deze definitief te maken en de definitieve rapportage zowel aan de werkgever als aan klager toe te sturen.
Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege zowel in 2012 als 2014 voldaan aan artikel 2 lid 1 gedragscode. Klager is een op een duidelijke wijze ingelicht over de opdracht van beklaagde. Dat de vaste werkwijze van beklaagde in 2012 -anders dan in 2014- nog niet was dat een rapportage eerst in concept aan betrokkene wordt voorgelegd voordat deze definitief wordt gemaakt en de definitieve rapportage zowel aan de opdrachtgever als betrokkene wordt toegezonden, maakt dat naar het oordeel van het Tuchtcollege niet anders. Het Tuchtcollege wijst er op dat deze handelwijze weliswaar aanbevelenswaardig is, maar volgens de gedragscode geen verplichting is. Het gaat er om dat de arbeidsdeskundige een betrokkene duidelijk informeert. Het Tuchtcollege is van mening dat beklaagde daaraan jegens klager zowel in 2012 als 2014 heeft voldaan.
Uit de stukken blijkt, en ter zitting is dat door klager ook niet meer weersproken, dat beklaagde tijdens het gesprek op 4 december 2014 is uitgegaan van de laatstelijk opgemaakte fml van 24 september 2014, welke door de bedrijfsarts op 14 januari 2015 is bevestigd. De klacht dat gebruik is gemaakt van oude fml’s van 2007 en 2012 is dan ook niet juist. De oude fml’s zijn door beklaagde in het gesprek wel genoemd, maar alleen om duidelijk te maken dat er -gezien het actuele fml van 24 september 2014- geen wijzigingen in de belastbaarheid van klager zijn opgetreden.
Zoals door beklaagde aan klager tijdens het gesprek op 4 december 2014 is uitgelegd en in artikel 2 lid 2 gedragscode ook is vermeld, zijn niet competenties leidend bij de beoordeling van re-integratiemogelijkheden, maar (medische) gegevens waaruit van de belastbaarheid blijkt, geplaatst tegenover de belasting in een bepaalde functie. In die zin heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht kunnen besluiten de door klager aangereikte en door de werkgever gebruikte rolprofielen buiten beschouwing te laten.
Daarmee is volgens het Tuchtcollege ook de klacht ongegrond dat door beklaagde is gehandeld in strijd met artikel 2 lid 1 en 2 gedragscode.
Op grond van het vorenstaande is het Tuchtcollege van mening dat de rapportages van beklaagde voldoen aan de vereisten van artikel 3 gedragscode. Voor het overige heeft beklaagde geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de rapportages van beklaagde niet voldoen aan de in dit artikel gestelde eisen.
Ten slotte klaagt klager er over dat hij door beklaagde in strijd met artikel 7 gedragscode niet met respect is behandeld.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege mist ook deze klacht een feitelijke onderbouwing. Het Tuchtcollege stelt vast dat de onderbouwing van deze klacht in hoge mate is gebaseerd op de beleving en gevoelens van klager en diens echtgenote. Zowel op grond van de gedingstukken als hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, kan naar de mening van het Tuchtcollege niet gezegd worden dat beklaagde geen respect jegens klager heeft getoond.
Door het Tuchtcollege is geconstateerd dat beklaagde daarentegen veel invoelingsvermogen richting klager toont, evenals een bereidheid tot zelfreflectie. Daarbij komt dat klager zich zowel tijdens het gesprek in 2012 als het gesprek in 2014 heeft laten bijstaan door deskundige begeleiders en bij het Tuchtcollege van hen geen enkele bevestiging van het door klager gestelde bekend is.
Ten slotte laat het Tuchtcollege ter zake van de klachten over de handelwijze van beklaagde in 2012 meewegen, dat door klager pas voor het eerst in februari 2015 is geklaagd over de handelwijze van beklaagde in 2012. Dit doet naar het oordeel van Tuchtcollege afbreuk aan de ernst en aannemelijkheid van hetgeen door klager over de handelwijze van beklaagde in 2012 wordt gesteld.
Slotsom
Gelet op het voorgaande komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat de klachten ongegrond zijn.
Beslissing
De Raad verklaart de klachten ongegrond.
Aldus gegeven op 5 oktober 2015 door:
M.C. van Meppelen Scheppink, voorzitter
B. Gerringa, lid
J. Wijnekus, lid