Uitspraak AT 6 mei 2015
(zie ook de annotatie bij deze uitspraak)
Uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege, hierna te noemen: "het Tuchtcollege", op de klacht van klager tegen de register-arbeidsdeskundige, verder te noemen: beklaagde.
Procesverloop
Bij brief van 28 april 2014 heeft klager zich tot de SRA gewend met een aantal klachten over beklaagde als register-arbeidsdeskundige. Beklaagde heeft daarop bij brief van 30 juni 2014 schriftelijk verweer gevoerd. Op 4 augustus 2014 hebben klager en beklaagde een gesprek gehad met de Arbeidsdeskundig Ombudsman. De Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft een tweede gesprek gevoerd op 10 september 2014 met partijen, waarin zij afspraken hebben gemaakt over de intrekking van de arbeidsdeskundige rapportages van beklaagde. Uit die afspraken is een tweetal brieven voortgevloeid van de werkgever van beklaagde aan klager en aan de werkgever van klager. Door die brieven zijn de arbeidsdeskundige rapportages van 18 maart 2014 en 9 mei 2014 ingetrokken.
Partijen hebben nadien met de Arbeidsdeskundig Ombudsman gecorrespondeerd over de invulling van de gemaakte afspraken. Een en ander heeft erin geresulteerd dat de Arbeidsdeskundig Ombudsman aan de SRA bij brief van 28 november 2014 heeft bericht dat de behandeling van de klacht bij hem als niet vruchtbaar moet worden beschouwd.
Bij brief van 8 januari 2015 heeft klager het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege laten weten dat hij de klacht wilde doorzetten. Klager heeft zijn klaagschrift nader schriftelijk toegelicht bij brief van 9 februari 2015, waarop beklaagde op 9 maart 2015 een verweerschrift heeft ingediend. Aansluitend heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de klacht ter zitting van 23 april 2015 behandeld. Klager was ter zitting aanwezig. Beklaagde was eveneens ter zitting aanwezig, vergezeld van de heer X., register-arbeidsdeskundige. Klager was van diens aanwezigheid op de hoogte en maakte daar geen bezwaar tegen.
Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht en vragen van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege beantwoord.
Feiten
Klager was werkzaam bij een B.V. sinds 1 januari 2009. Vanaf 1 januari 2010 tot 31 mei 2011 heeft hij gefunctioneerd in de functie van Proces Manager. Die functie is komen te vervallen. Vanuit de daaropvolgende functie van Change Manager is klager uitgevallen op 13 augustus 2011. Bij de beoordeling van het re-integratieverslag werd vanwege onvoldoende re-integratie inspanningen aan de B.V. op 27 juni 2013 een loonsanctie opgelegd.
De B.V. heeft de werkgever van beklaagde verzocht een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten met als doel te adviseren over de re-integratiemogelijkheden bij de eigen werkgever.
Beklaagde heeft ter uitvoering van zijn onderzoek op 10 juli 2013, 18 november 2013 en 3 februari 2014 gesprekken gevoerd met klager. Tijdens die laatste twee gesprekken waren ook de bedrijfsarts en de loopbaanadviseur van klager aanwezig. Beklaagde heeft ter uitvoering van zijn onderzoek voorts inzicht gekregen in de functionele mogelijkhedenlijst van 20 januari 2014. Op 17 maart 2014 heeft beklaagde overleg gehad met de werkgever. Aansluitend heeft beklaagde zijn concept arbeidsdeskundig rapport per mail verzonden aan klager. Klager heeft beklaagde gevraagd om in gesprek te geraken. Beklaagde heeft dat afgewezen. Aansluitend heeft beklaagde het definitieve arbeidsdeskundige rapport opgesteld en verzonden.
Aansluitend heeft klager aan beklaagde voorgesteld dat hij als passende arbeid binnen het eigen bedrijf de functie van Solution Manager zou kunnen uitoefenen. Naar aanleiding van dat voorstel heeft beklaagde op 9 mei 2014 een tweede arbeidsdeskundig rapport toegezonden aan klager. Klager heeft beklaagde naar aanleiding daarvan laten weten dat hij een gesprek met beklaagde wilde. Beklaagde liet weten dat hij dat gesprek, net zoals naar aanleiding van het eerste arbeidsdeskundig rapport uitsluitend met de werkgever erbij wilde voeren. Daar is het uiteindelijk niet van gekomen. Beklaagde heeft zijn definitieve arbeidsdeskundig rapport toegezonden op 9 mei 2014 aan de werkgever van klager.
De klacht
Klager verwijt beklaagde dat hij (i) geen hoor en wederhoor heeft toegepast door hem tijdens zijn onderzoek nimmer te horen. Daarnaast (ii) voldoet de rapportage niet aan de eisen van de gedragscode SRA. Beklaagde (iii) verheldert de rapportage voorts niet en ziet (iv) evenmin toe op de betrouwbaarheid, actualiteit en verifieerbaarheid van de aan zijn rapporten ten grondslag liggende gegevens. Daarnaast heeft (v) beklaagde gehandeld in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid. Tenslotte verwijt klager beklaagde dat hij zich (vi) niet houdt aan de mondeling overeengekomen afspraken met de bedrijfsarts, de loopbaanadviseur en klager.
Het verweer
Beklaagde voert zowel ten aanzien van de ontvankelijkheid als inhoudelijk verweer.
De werkwijze van het Tuchtcollege
Art. 11 van het Tuchtreglement SRA bevat bepalingen over de werkwijze van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Op grond daarvan toetst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege de klacht aan de Statuten, Reglementen en de gedragsregels van de SRA en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie.
De overwegingen van het Tuchtcollege
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt voorop dat de vraag aan de orde is of klager ontvankelijk is in zijn klacht.
Dienaangaande is van belang artikel 3.2 van het Tuchtreglement dat bepaalt dat klager het recht heeft om een klacht in te dienen bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege. Alvorens hij bij het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege ontvankelijk is, zo vervolgt artikel 3.2 "dient de arbeidsdeskundige dan evenwel te hebben vastgesteld dat (verdere) bemiddeling vruchteloos is".
De Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft partijen en SRA bij brief van 28 november 2014 bericht dat de behandeling van de klacht bij hem als niet vruchtbaar moet worden beschouwd. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege maakt daaruit op dat de Arbeidsdeskundig Ombudsman heeft bedoeld dat verdere bemiddeling door hem vruchteloos is. Daarbij neemt het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in ogenschouw dat partijen twee besprekingen hebben gehad bij de Arbeidsdeskundig Ombudsman. Naar aanleiding daarvan hebben zij met elkaar afspraken gemaakt. Daaraan is uitvoering gegeven, zij het dat de uitvoering heeft geleid tot een dispuut tussen partijen. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft partijen ter zitting nog in de gelegenheid gesteld om met elkaar in gesprek te komen, hetgeen niet tot een vergelijk heeft geleid.
Nu klager kan worden ontvangen in zijn klacht rijst vervolgens de vraag of en zo ja in hoeverre de klachtonderdelen gegrond zijn. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt voorop dat het er bij de beoordeling van het handelen niet om gaat wat er achteraf gezien allemaal meer of anders had gekund of gemoeten. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege beantwoordt uitsluitend de vraag of gezegd kan worden dat beklaagde met het gedrag waarover wordt geklaagd is gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van de arbeidsdeskundige ter zake als norm was aanvaard.
In deze klacht staat tussen partijen vast dat de beide arbeidsdeskundige rapportages die beklaagde heeft uitgebracht inmiddels zijn ingetrokken. De klachtonderdelen 2, 3 en 4 die op die rapportages betrekking hebben behoeven dan ook geen behandeling meer. Meer specifiek resteren aldus slechts de klachtonderdelen 1 ter zake van hoor en wederhoor, 5 ter zake van de in acht te nemen zorgvuldigheid en 6 ter zake van het niet nakomen van mondelinge afspraken.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege ziet aanleiding om de klachtonderdelen 1 en 5 gezamenlijk te behandelen.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt vast dat tussen partijen drie gesprekken hebben plaatsgehad, voordat beklaagde zijn eerste concept arbeidsdeskundig rapport aan klager heeft toegezonden. Klager heeft gesteld dat deze gesprekken procedureel van aard waren en geen betrekking hadden op het antwoord op de vraag of en zo ja in hoeverre klager in staat was tot het verrichten van passende arbeid binnen het eigen bedrijf. Beklaagde heeft die stelling niet gemotiveerd weersproken. Het standpunt van klager sluit ook aan bij de inhoud van het arbeidsdeskundig rapport. Daaruit blijkt dat met klager, zijn loopbaancoach en de bedrijfsarts is gesproken over de rol en de taak die ieder heeft binnen het kader van Wet Verbetering Poortwachter. Verder blijkt dat ook is gesproken over de rol van het UWV en de werkgever gerelateerd aan het onderzoeken van mogelijke passende werkzaamheden bij de eigen werkgever.
Beklaagde heeft geweigerd om alleen met klager in gesprek te gaan over het concept. Als verweer heeft beklaagde aangevoerd dat hij geen apart gesprek met klager wilde, omdat hij niet als belangenbehartiger van werknemer op kon treden in die situatie. Zijn gevoel was dat hij daardoor in een positie zou komen te verkeren waardoor hij niet meer vanuit objectiviteit zou handelen, althans dat het vermoeden zou kunnen ontstaan dat er geen sprake was van objectief optreden. Van hem wordt een objectieve houding verwacht waarbij hij rekening wil houden met de diverse belangen, waaronder die van werkgever en werknemer, aldus beklaagde. Daarom heeft beklaagde ook voorgesteld om een gesprek te houden met de werkgever erbij, waarbij klager in de gelegenheid zou zijn om aanvullende informatie te verstrekken, vragen te stellen en op al datgene wat verder van invloed zou kunnen zijn op de uitkomst van het onderzoek. Daarnaast heeft beklaagde aangegeven dat het gesprek met de werkgever zou moeten plaatsvinden, omdat de werkgever de daarmee gepaard gaande kosten zou moeten dragen. Bovendien gaat het om een spoor 1-onderzoek bij de eigen werkgever, aldus nog steeds beklaagde, die betoogde dat het dus van belang is dat de werkgever op de hoogte is en meedenkt met werknemer over de mogelijkheden die er voor hem zijn.
Ter zitting heeft beklaagde desgevraagd aan het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege aangegeven dat hij onvoldoende kennis had van de mogelijkheden van passende arbeid bij de eigen werkgever. Beklaagde achtte het ook daarom noodzakelijk dat de werkgever aanwezig was bij het gesprek met klager over de passendheid van de functies bij de eigen werkgever. Tussen partijen staat ten aanzien van de totstandkoming van het tweede arbeidsdeskundig rapport vast dat beklaagde klager daarover inhoudelijk niet heeft gesproken.
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege oordeelt als volgt. Beklaagde heeft naar de overtuiging van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de drie gesprekken die zijn voorafgegaan aan het eerste arbeidsdeskundig rapport procedureel van aard zijn geweest en niet inhoudelijk. Nu beklaagde zelf ter zitting heeft aangevoerd dat hij onvoldoende kennis had van het bedrijf om de te beoordelen functies inhoudelijk te kunnen beoordelen als arbeidsdeskundige en daarbij de aanwezigheid van de werkgever noodzakelijk achtte om op vragen van klager over de functies te kunnen antwoorden, is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van oordeel dat het niet aangaat dat beklaagde zonder over zijn beoordeling een gesprek te hebben gevoerd met klager het arbeidsdeskundig rapport definitief heeft gemaakt. Beklaagde kan zijn werkwijze naar de overtuiging van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in ieder geval niet afdoen door te wijzen op de kosten, nu vaststaat dat hij klager inhoudelijk niet heeft gesproken. Bovendien staat tussen partijen vast dat hij klager naar aanleiding van het tweede onderzoek in het geheel niet heeft gehoord. Te dien aanzien wijst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op de vaste rechtspraak dat de gedragsregels SRA weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de arbeidsdeskundige de cliënt persoonlijk spreekt, maar dat hij een groot risico neemt door dat niet te doen (Vgl. AT SRA 26 maart 2014, AT SRA 8 oktober 2012).
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege betrekt in zijn oordeel dat aan de Gedragscode SRA ten grondslag ligt dat de arbeidsdeskundige een toenaderingsverantwoordelijkheid heeft in de zin van een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven. Gelet op al het voorgaande heeft beklaagde onvoldoende uitvoering gegeven aan deze verantwoordelijkheid, te meer ook daar hij zelf ook ter zitting heeft erkend dat hij zonder een gesprek met klager en beklaagde niet in staat was om zijn werkzaamheden als arbeidsdeskundige naar behoren te kunnen uitvoeren. Voor een deugdelijke uiteenzetting van de functies had beklaagde immers – naar eigen zeggen – de werkgever nodig. Door onder die omstandigheden niettemin zijn arbeidsdeskundige rapporten definitief te maken en te verzenden is beklaagde naar de overtuiging van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten. De klachtonderdelen 1 en 5 zijn mitsdien gegrond.
Als zesde klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat hij zich niet aan de afspraken heeft gehouden zoals mondeling overeengekomen tijdens het overleg met de bedrijfsarts, de loonbaancoach, beklaagde en klager. Klager verwijst in dat verband naar het plan van aanpak en een offerte.
Anders dan klager betoogt, heeft het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in deze documenten geen afspraken met beklaagde aangetroffen. Daarbij tekent het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege overigens ook aan dat het plan van aanpak een document is waaraan werkgever en werknemer uitvoering dienen te geven. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft ook overigens niet kunnen vaststellen dat met beklaagde afspraken zijn gemaakt en evenmin dat hij zich niet aan de door klager gememoreerde afspraken heeft gehouden, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is en als zodanig wordt afgewezen.
Nu sprake is van gegronde klachten over de handelwijze van beklaagde is de vraag aan de orde of een tuchtmaatregel aan beklaagde moet worden opgelegd en zo ja welke dit dient te zijn. Teneinde meer inzicht te bieden in de afwegingen die het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege bij de beantwoording van deze vraag maakt en daarin meer uniformiteit aan te brengen, overweegt het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege het volgende. Een waarschuwing zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 onder b. Tuchtreglement SRA is te omschrijven als een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Een berisping als bedoeld in artikel 22 lid 1 onder c. van het Tuchtreglement SRA heeft een duidelijk verwijtende en veroordelende strekking (Vgl. AT SRA 22 oktober 2014).
Naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kan in deze zaak niet met een waarschuwing worden volstaan. Beklaagde heeft naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege laakbaar gehandeld door zonder een inhoudelijk gesprek met klager te voeren arbeidsdeskundige rapporten op te stellen en te verzenden. Deze handelwijze is schadelijk voor het aanzien van de beroepsgroep van register-arbeidsdeskundigen. Bij het opleggen van de maatregel laat het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege meewegen dat beklaagde, zelfs na daarop ter zitting te zijn bevraagd, weinig tot geen besef toonde van de ernst van de nalatigheden in de door hem gevolgde handelwijze. Desgevraagd bleek beklaagde zelfs niet over het dossier te beschikken tijdens de zitting. Op grond van een en ander is het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van oordeel dat oplegging van een maatregel van berisping op zijn plaats is.
Beslissing
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege verklaart de klachtonderdelen 2, 3, 4 en 6 ongegrond. De klachtonderdelen 1 en 5 zijn gegrond voor zover dat hiervoor is aangegeven en legt beklaagde ter zake de maatregel van een berisping op.
Deze uitspraak is gegeven op 6 mei 2015 door E.J. Wervelman, voorzitter, F. Hoebink en C. Boulonois, leden.
Voor dezen:
E.J. Wervelman, voorzitter