Regel 1 Algemene toetsnorm en integriteit
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/?y=2002
Uitspraak 27 mei 2002
De gedragsregels schrijven voor dat de arbeidsdeskundige zich onthoudt van methoden van onderzoek en/of begeleiding welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. De arbeidsdeskundige betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid. De Raad is van oordeel dat beklaagde deze gedragsregel in ernstige mate heeft overtreden. Beklaagde heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling en is zowel ten opzichte van klaagster als zijn oorspronkelijke opdrachtgever Y in gebreke gebleven met het geven van volledige en juiste informatie over de diverse rollen die hij gaandeweg op zich is gaan nemen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-maart-2004/
Uitspraak 22 maart 2004
De klacht behelst voornamelijk de wijze van bejegening door de arbeidsdeskundige van een aan zijn oordeel toevertrouwde cliënt. Noch uit de stukken die aan de Raad ter kennis zijn gebracht, noch uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is het de Raad gebleken, dat beklaagde zou zijn tekortgeschoten in de wijze, waarop hij klager heeft voorgelicht omtrent het doel van het door hem te verrichten onderzoek en de daarbij te hanteren methodes en instrumenten. Evenmin is gebleken dat beklaagde zich onheus, onfatsoenlijk en/of onzorgvuldig (lees agressief, beledigend, discriminerend, manipulerend, intimiderend, bevooroordeeld en ongeïnteresseerd) ten opzichte van klager zou hebben uitgelaten en/of gedragen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-1-december-2004/
Uitspraak 12, 1 december 2004
Bij de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden onderzoekt de arbeidsdeskundige de beperkingen van de bedongen arbeid in relatie tot de medische beperkingen van de werknemer, welke mogelijkheden voor aangepaste arbeid voorhanden zijn, welke andere externe arbeid mogelijk is. Pas dan is een oordeel mogelijk over de vraag of geschikte re-integratie-inspanningen zijn verricht. Tenslotte komt de vraag aan de orde of die inspanningen voldoende zijn geweest.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-29-juli-2005/
Uitspraak 29 juli 2005
Van een registerarbeidsdeskundige mag worden verwacht dat deze zich bij een claimbeoordeling een compleet beeld vormt van de klant, zijn opleiding, arbeidsverleden en arbeidsmogelijkheden. Hoewel de Gedragsregels SRA niet verplicht voorschrijven dat de registerarbeidsdeskundige de klant vóór of tijdens zijn onderzoek persoonlijk spreekt, neemt deze – zoals telkens opnieuw blijkt – een groot risico door dat na te laten.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-11-oktober-2005/
Uitspraak 11 oktober 2005
Het is de taak van een registerarbeidsdeskundige om onafhankelijk en zo objectief mogelijk vast te stellen welke arbeid de betrokkene, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen kan verrichten. In het kader van een re-integratieonderzoek betekent dat 8 – mede gezien in het licht van de wet Poortwachter – dat allereerst wordt onderzocht of de betrokkene zijn eigen arbeid – eventueel met aanpassingen – kan verrichten en (zo nee) welke andere passende arbeid bij de werkgever mogelijk is. Daartoe is onderzoek naar die andere passende functies nodig, en is het voorts gewenst de mutaties in die functies in het verleden en de te verwachten veranderingen in de toekomst in kaart te brengen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-11-maart-2008/
Uitspraak 11 maart 2008
De belangen, zowel van werkgevers als van werknemers, waarmee een arbeidsdeskundige beroepshalve wordt geconfronteerd, zijn groot. Zij vormen veelvuldig aanleiding tot ernstige geschillen in en buiten rechte. Een vakbekwaam uitgevoerd arbeidsdeskundig onderzoek kan dat op zich niet voorkomen. Wel mag verwacht worden dat de rapportage en het optreden van een arbeidsdeskundige zodanig zal zijn dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat de rapportage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen of doordat er geen duidelijkheid bestaat over de rol van de arbeidsdeskundige ten opzichte van de onderzochte. Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang dat een arbeidsdeskundige volstrekt helder in zijn rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen op een in de rapportage beschreven wijze en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse hij per onderdeel tot welke conclusies komt. Het is voorts van het allergrootste belang, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan de accepteren. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Deze breed gedragen normen liggen ten grondslag aan de Gedragsregels SRA en zijn eveneens vastgelegd in het Professioneel Statuut (artikel 2). De (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn werkgever of opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben en hoeft daarop ook op zich geen invloed te hebben. De Gedragsregels schrijven in art 2.2 voor hoe de arbeidsdeskundige in een dergelijke situatie heeft te handelen. In het voetspoor daarvan zal de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid dienen te vermijden. Doet hij dat wél, dan zal zijn handelen eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels. In het licht van de door de Raad eerder geconstateerde schendingen van deze voor de beoefening van het beroep van arbeidsdeskundige zo belangrijke normen, zal de Raad overtredingen ter zake met een zware sanctie treffen.
(Uitspraak ontbreekt op de website)
Uitspraak 2 oktober 2008
De klacht dat beklaagde pas na 14 maanden arbeidsongeschiktheid zich voor het eerst met klaagster heeft bezig gehouden, acht de Raad ongegrond. Er is geen gedragsregel die beklaagde verplicht zich uit eigen beweging vroegtijdig met de re-integratie bezig te houden van de arbeidsongeschikte werknemer. Als beklaagde daartoe geen opdracht heeft gehad, ligt de verantwoordelijkheid voor een eventuele te late inschakeling van een arbeidsdeskundige geheel bij de opdrachtgever.”
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-januari-2010/
Uitspraak 22 januari 2010
Door de ontwikkeling op het gebied van sociale zekerheid, waarbij aan werkgevers een grote rol is toebedeeld bij het voorkomen en beperken van arbeidsongeschiktheid van werknemers is ook de rol en de positie van de arbeidsdeskundige veranderd. Mede in het licht van die ontwikkeling heeft de Raad in eerdere uitspraken overwogen dat het van het allergrootste belang is dat de arbeidsdeskundige zijn opdracht en onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een voor het welslagen van de opdracht noodzakelijke vertrouwensrelatie met de werknemer niet mogelijk. Alsdan vervalt de bereidheid om mee te werken aan een onderzoek resp. re-integratietraject en zal het onderzoek resp. de opdracht niet succesvol kunnen worden uitgevoerd. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Deze breed gedragen normen liggen ten grondslag aan de Gedragsregels SRA en zijn eveneens vastgelegd in het Professioneel Statuut (artikel 2). De (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben en hoeft daarop ook op zich geen invloed te hebben. De Gedragsregels schrijven in 2.2 voor hoe de arbeidsdeskundige in een dergelijke situatie heeft te handelen. In het voetspoor daarvan zal de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid dienen te vermijden. Doet hij dat niet, dan zal zijn handelen eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-5-maart-2010/
Uitspraak 5 maart 2010
De Raad oordeelt de klacht omtrent partijdigheid als ongegrond. Het is de Raad gebleken dat klaagster diverse malen is uitgenodigd om mee te werken aan het arbeidskundig onderzoek. Klaagster heeft aangegeven om persoonlijke redenen aan een dergelijk onderzoek niet mee te willen respectievelijk te kunnen meewerken. De Raad stelt vast dat er geen objectieve (medische) gegevens voorhanden zijn waaruit onomstotelijk blijkt dat klaagster op goede gronden niet mee heeft willen respectievelijk kunnen werken aan het arbeidskundig onderzoek. Klaagster heeft het door de bedrijfsarts en haar behandelend psycholoog gegeven advies om wél mee te werken aan het door beklaagde ingestelde arbeidskundige onderzoek genegeerd. Ondanks voornoemd advies wilde klaagster geen gesprek met beklaagde, waardoor beklaagde de rapportage heeft voltooid zonder uit eigen mond van klaagster haar visie op de re-integratie te vernemen. De opmerking van beklaagde in haar rapportage dat de houding van klaagster in het kader van haar re-integratie zorgelijk is en de voortgang daarbij belemmert, getuigt, gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van de Raad niet van partijdigheid.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-17-maart-2010/
Uitspraak 17 maart 2010
Klager stelt beklaagde bij brief d.d. 16 december 2006 naar zijn zeggen aansprakelijk. Beklaagde reageert in ieder geval bij brief d.d. 18 december 2006. Hij vangt zijn brief aan met een op internet gevonden bericht over klager onder het vetgedrukte kopje: “Taxibedrijf zeikt in Y”, en neemt de inhoud daarvan als citaat over. Volgens beklaagde bedoelde hij op deze wijze aan te geven hoe hij aan het telefoonnummer van klager gekomen was. Dat verweer is niet ter zake. Klagers telefoonnummer komt in het bericht niet voor. Het bericht gaat er integendeel over dat klager telefonisch niet bereikbaar is. Het citaat voegt ook niets toe aan de inhoud van de brief van beklaagde en is daarom overbodig. De Raad is van oordeel dat beklaagde niet anders bedoeld heeft, dan de kop van het citaat suggereert, namelijk dat klager niet moet “zeiken”. De Raad acht het opnemen van dit citaat in strijd met de normen van fatsoen en professionaliteit, en vindt de klacht daarom gegrond zonder daaraan overigens een sanctie aan te verbinden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-25-maart-2010/
Uitspraak 25 maart 2010
Beklaagde had wat goed te maken en heeft daarover met klager een zeer concrete afspraak gemaakt, c.q. toezeggingen gedaan. Het is alleen daarom al onaanvaardbaar, dat beklaagde na ontvangst van de reactie van klager d.d. 19 november 2008 zonder enig overleg, ja zelfs zonder enige mededeling of motivering, zijn werkzaamheden heeft gestaakt. De Raad acht deze handelswijze in strijd met de in de Gedragsregels SRA opgenomen fatsoensnorm, maar ook weinig professioneel. De brief van klager d.d. 19 november 2008 rechtvaardigde een dergelijke houding allerminst. De brief is weliswaar robuust van toon, maar zakelijk en ter zake. Er komt naar het oordeel van de Raad geen onvertogen woord in voor ten aanzien van het functioneren van beklaagde. Beklaagde had met deze reactie van klager munitie genoeg om zijn rapport snel af te ronden en in overleg te treden met de werkgever van klager, zoals hij had toegezegd, over zijn aangepaste rapportage. Beklaagde had zich jegens klager niet gebonden al diens gezichtspunten tot de zijne te maken. De Raad weegt mee dat beklaagde goed op de hoogte was van de precaire arbeidsrechtelijke verhouding, waarin klager – mede door toedoen van beklaagde – verkeerde, en het belang van klager bij een verbeterde rapportage, zoals in september 2008 tussen hen was afgesproken. Beklaagde is door niets meer van zich te laten horen hoogst onzorgvuldig omgegaan met het belang van klager en het doel van de hele exercitie, namelijk beperking van klagers schade, ontstaan door eerder gemaakte fouten van beklaagde. De omstandigheid dat beklaagde onder druk van de SRA zijn conceptrapportage in mei 2009 (dus circa een halfjaar later als afgesproken) op enkele punten heeft aangepast, mediation heeft voorgesteld en zijn excuses aan klager heeft aangeboden, acht de Raad van geen belang. De verstoorde verhouding tussen partijen, waarop beklaagde zich in zijn verweer beroept, is niet de oorzaak van het feit dat hij zijn rapportage niet heeft afgerond, maar het gevolg daarvan.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-27-januari-2011/
Uitspraak 27 januari 2011
Het is niet ongebruikelijk om kort het standpunt van de cliënt te vermelden t.a.v. zijn re-integratie een rapportage dat over die re-integratiemogelijkheden gaat. De weigering om de grief van klager in zijn rapport op te nemen was daarom niet nodig geweest. Beklaagde heeft voor die weigering als argument aangevoerd dat “een arbeidsdeskundige die dit wel doet de objectiviteit van het onderzoek schaadt en niet meer door een opdrachtgever zal worden ingeschakeld.” Daarmee heeft beklaagde de schijn van partijdigheid op zich geladen met als logisch gevolg dat klager geen vertrouwen meer had in de objectiviteit van beklaagde.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-28-februari-2011/
Uitspraak 28 februari 2011
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft in het verleden bij herhaling kenbaar gemaakt, dat een arbeidsdeskundige, die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden van een werknemer bij de eigen werkgever, extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Dat kleurt hun relaas, zeker als er ook nog sprake is van een (sluimerend) arbeidsconflict. Beklaagde is daaraan geheel voorbij gegaan. Hij heeft het “arbeidsconflict” juist als uitgangspunt voor zijn oordeel gekozen. Het Tuchtcollege moet daarom vaststellen, dat beklaagde een volstrekt partijdig onderzoek heeft verricht en daarmee de Gedragsregel ten aanzien van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid ernstig heeft geschonden. Zoals het Tuchtcollege in het verleden meerdere malen heeft overwogen is het voor het functioneren van de arbeidsdeskundige beroepsgroep onontbeerlijk, dat degene, die een arbeidsdeskundig onderzoek moet ondergaan, kan vertrouwen op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de arbeidsdeskundige in kwestie.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-05-rvt-8-oktober-2012/
Uitspraak 8 oktober 2012
Tegen deze achtergrond is het Tuchtcollege van oordeel dat van beklaagde – ter inventarisatie van de belasting van de functie – had mogen worden verwacht dat hij een bezoek bracht aan de beoogde werkplek. Daaraan doet naar het oordeel van het Tuchtcollege niet af dat beklaagde het bedrijf van werkgever naar eigen zeggen “goed kende”. Uit de e-mail van werkgever van 14 juli 2011, waarin de opdracht lag besloten, blijkt immers dat het om een “nieuwe” (tijdelijke) functie ging die speciaal zou worden ingericht met het oog op de re-integratie van klaagster. Door een dergelijk bezoek in de gegeven feiten en achtergronden achterwege te laten en uitsluitend uit te gaan van een schriftelijke opsomming van de werkzaamheden door werkgever, heeft beklaagde zich naar het oordeel van het Tuchtcollege in onvoldoende mate zelfstandig een oordeel gevormd over de aard en omvang van de werkzaamheden die aan de functie zouden zijn verbonden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-rvt-14-februari-2013/
Uitspraak 14 februari 2013
Uit artikel 1 Gedragscode SRA blijkt dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed – oftewel een redelijk handelend – arbeidsdeskundige in acht 12 neemt, waarbij hij in overeenstemming handelt met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de op dat moment voor arbeidsdeskundigen geldende professionele standaard. Het is in dit verband de taak van een arbeidsdeskundige om onafhankelijk en zo objectief mogelijk vast te stellen welke arbeid de betrokkene, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen nog kan verrichten (Vgl. RvT SRA 11 oktober 2005). De arbeidsdeskundige dient zich onpartijdig op te stellen en de (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn werk- of opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben. Daarom wordt geacht dat de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid vermijdt. Wordt deze schijn wél gewekt, dan zal het handelen van de arbeidsdeskundige eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels (Vgl. RvT SRA 11 maart 2008) De conclusie dat klager niet geschikt is voor de eigen functie onderschrijft het Tuchtcollege niet voor wat betreft de omvang van het aantal uren dat klager werkzaamheden ten behoeve van werkgever verrichtte voor de arbeidsongeschiktheid. Uit het rapport blijkt immers niet dat beklaagde in ogenschouw heeft genomen dat klager bij werkgever in dienst was voor 36 uur, maar (naar uit het rapport wel blijkt) gemiddeld bijna 50 uur per week werkte. Naar de overtuiging van het Tuchtcollege mag, gegeven die feiten en omstandigheden, van een redelijk handelend arbeidsdeskundige worden verwacht dat hij in de beoordeling de vraag betrekt of klager in staat te achten is om de werkzaamheden die verbonden zijn aan de eigen functie binnen de overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per week te verrichten. Door dat na te laten, heeft beklaagde zijn oordeel omtrent de (on)geschiktheid voor het eigen werk naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende gemotiveerd. Beklaagde heeft voorts een opsomming gegeven van enkele andere functies binnen het eigen bedrijf die hij passend acht. Beklaagde noemt in dat verband – onder meer – de functies van productieleider, ploegchef, KAM manager, medewerker Kwaliteit. Niet blijkt dat hij onderzoek heeft verricht naar de belastbaarheid van die functies. Wat die functies inhouden, laat staan welke deeltaken binnen die functies worden verricht, blijkt niet. Evenmin heeft beklaagde getoetst of de belastbaarheid van klager de belastbaarheid van de als passend geduide functies overschrijdt. Beklaagde heeft aldus volstaan met een opsomming van enkele niet nader onderbouwde functies die hij als passend beschouwt. Ten aanzien van de functies van magazijnchef, KAM coördinator en kwaliteitscontroleur die beklaagde passend acht voor beklaagde buiten het eigen bedrijf, geldt hetzelfde als voor de als passend geduide functies in het eigen bedrijf. Door dit alles na te laten, is beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten (Vgl. RvT SRA 24 november 2003)
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cvb-29-maart-2013/
Uitspraak CAT 29 maart 2013
Bij tuchtzaken gaat het – ook hier – om de vraag of beklaagde met zijn handelen is 12 Deel II Regels van de gedragscode 13 gebleven binnen hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen binnen de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen als norm werd aanvaard.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cvb-3-april-2013/
Uitspraak CAT 3 april 2013
Klaagster verwijt beklaagde onbehoorlijk en onzorgvuldig handelen. Onder onbehoorlijk kan worden verstaan: ‘ongepast, incorrect, onbetamelijk’. Hiervan is geen sprake geweest. Onder onzorgvuldig kan worden verstaan: onnauwkeurig, onordelijk, nalatig. Omdat beklaagde op geen enkel moment uit eigener beweging en tijdig klaagster op de hoogte heeft gesteld van de niet optimale voortgang, is het College van oordeel, dat dit onzorgvuldig is geweest. Niet is gesteld of gebleken dat haar beperkingen ten aanzien van haar persoonlijk functioneren daaraan in de weg stonden. Onder communicatie kan worden verstaan: het uitwisselen van informatie. Beklaagde heeft wel degelijk met klaagster gecommuniceerd. Van beklaagde had echter verwacht mogen worden dat zij concreter was geweest in haar toezeggingen, dan wel eerder en uit eigen beweging klaagster tijdig op de hoogte had gesteld van de niet optimale voortgang.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-13-augustus-2013/
Uitspraak CAT 13 augustus 2013
Het behoort tot zijn taak als arbeidsdeskundige acht te slaan op stukken die hem door beide partijen worden gezonden. Het innemen van een ander standpunt zou juist op partijdigheid kunnen duiden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-augustus-2013/
Uitspraak 19 augustus 2013
Het Tuchtcollege acht het in het licht van Artikel 1 Gedragscode van groot belang dat de registerarbeidsdeskundig onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt. Het is naar het oordeel van het Tuchtcollege laakbaar dat beklaagde jegens klager binnen een periode van enkele maanden en zonder enige communicatie met klager daarover verschillende posities jegens klager heeft ingenomen. Het Tuchtcollege stelt vast dat beklaagde niet heeft geverifieerd of de verschillende rollen bij klager duidelijk waren en of daar al dan niet bezwaar tegen bestond . Dat is naar het oordeel van het Tuchtcollege mede van belang omdat voorkomen moet worden dat informatie die aan een arbeidsdeskundige in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige wordt verstrekt, door de arbeidsdeskundige later in een andere hoedanigheid tegen de verstrekker van de informatie wordt gebruikt. Dat is strijdig met Artikel 6 Gedragscode (geheimhouding). Alleen al de schijn dat daarmee in strijd wordt gehandeld moet naar het oordeel van het Tuchtcollege worden vermeden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-2-december-2013/
Uitspraak 2 december 2013
Zoals het Tuchtcollege eerder heeft uitgesproken, acht het Tuchtcollege het in het licht van Artikel 1 van de Gedragscode van groot belang dat de register-arbeidsdeskundige onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt. Verwezen wordt naar de uitspraken van het Tuchtcollege (voorheen Raad van Toezicht) van 11 maart 2008 en 19 augustus 2013. Onbetwist is dat de directeur van de werkgever van klager, tevens opdrachtgever van beklaagde, 50% aandeelhouder is van de onderneming van beklaagde en de werkgever en de onderneming van beklaagde op hetzelfde adres zijn gevestigd. Daarmee staat vast dat er tussen de werkgever en beklaagde nog een andere (zakelijke) relatie bestaat dan alleen de relatie van opdrachtgever en register-arbeidsdeskundige.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-van-26-maart-2014/
Uitspraak 26 maart 2014
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege oordeelt als volgt. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt voorop dat de Gedragsregels SRA weliswaar niet expliciet voorschrijven dat de arbeidsdeskundige de cliënt persoonlijk spreekt, maar dat hij een groot risico neemt door dat niet te doen (Vgl. AT SRA 8 oktober 2012; AT SRA 29 juli 2005). Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege onderschrijft dan ook het standpunt van beklaagde dat er, kort gezegd, op neer komt, dat hij zonder een gesprek met klager niet in staat is om zijn werkzaamheden als arbeidsdeskundige naar behoren te kunnen uitvoeren. Zulks geldt temeer, daar is gesteld, noch gebleken dat klager daartoe op medische gronden niet in staat is (Vgl. AT 5 maart 2010). Het enkele feit dat beklaagde niet is ingegaan op de wens van klager tot het vervaardigen van een gespreksverslag acht het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in het licht van het voorgaande niet verwijtbaar. Mede ook nu beklaagde, door klager onbestreden, heeft aangevoerd dat klager wenste dat de gehele procedure van het deskundigenoordeel schriftelijk zou worden gevoerd. Dat wil zeggen zonder een gesprek met hem. Daarbij wijst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege er nog op, dat klager de gelijkluidende stellingname van “X” daaromtrent genoegzaam bekend was, gelet op de brieven van “X” van 6 februari 2012 en 14 maart 2012. Zelfs als juist is, zoals klager betoogt, dat andere medewerkers binnen “X” een dergelijk verslag wel opstellen, dan nog kan naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet gezegd worden dat beklaagde tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt door dat niet te doen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-25-april-2014/
Uitspraak 25 april 2014
Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege (voorheen: Raad van Toezicht, RvT) dient een arbeidsdeskundige er op bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn (zie o.a.: RvT 22 oktober 1997, 19 november 2007 en 28 november 2008). Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De registerarbeidsdeskundige dient op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten, te rapporteren (zie o.a.: RvT 24 november 2003). Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet (zie o.a.: RvT 26 oktober 2009).
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-van-18-juli-2014/
Uitspraak 18 juli 2014
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege is voorts van oordeel dat het achterwege laten van een werkplekonderzoek in deze situatie onzorgvuldig is. Op de werkzaamheden die klaagster verrichtte voor de uitval waren twee functiebeschrijvingen van toepassing, te weten de medewerker telefonisch consult en de functiebeschrijving secretaresse senior. Op de door klaagster overgelegde urenregistraties is de functie omschreven als: “secr. Senior-med telefonisch consult”. Beklaagde heeft in zijn rapport de functie van klaagster ook als één geheel opgenomen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-20-augustus-2014/
Uitspraak CAT 20 augustus 2014
Het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege stelt vast, dat kennelijk sprake is geweest van een communicatiestoornis, niet alleen tussen de leidinggevende en beklaagde, voorafgaand aan het gesprek maar ook vervolgens tussen alle aanwezigen bij het gesprek. Het aan de orde stellen van de vermeende omvang van de arbeidsproductiviteit in een driegesprek kan beklaagde niet worden verweten en evenmin het daarbij, gelet op het vorenstaande, gerezen misverstand. Dit brengt mee, dat ook dit klachtonderdeel faalt. 9. Tenslotte verwijt klager aan beklaagde, dat zij klager niet meer heeft benaderd voor een vervolggesprek. Beklaagde heeft aangegeven dat dat in haar voornemen lag, maar op het bedrijf sprake was van een hectische periode en het er niet van is gekomen. Beklaagde heeft al eerder aangegeven dat zij betreurt, dat zij dat niet heeft opgepakt en het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege is van oordeel dat dit nalaten van beklaagde niet zodanig is dat sprake is van klachtwaardig handelen. Daarmee faalt ook het derde en laatste klachtonderdeel.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-22-oktober-2014/
Uitspraak 22 oktober 2014
Het Tuchtcollege is van oordeel dat beklaagde met de hiervoor beschreven herhaalde slordige, onduidelijke en onzorgvuldige wijze van rapporteren in strijd heeft gehandeld met de algemene zorgplicht van artikel 1 van de Gedragscode. Van de register-arbeidsdeskundige wordt een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht. Met name laakbaar acht het Tuchtcollege dat beklaagde genoemde bijstellingen probleemanalyse als “bedrijfsarts” en in één geval met vermelding van een volstrekt onacceptabele datum heeft ondertekend. De Bijstelling probleemanalyse WIA betreft een voor het Poortwachter-dossier en het UWV belangrijk document, dat betrouwbaar en juist dient te zijn. Zeker ter zake van deze documenten wordt van een register-arbeidsdeskundige een hoge mate van nauwkeurigheid en oplettendheid verwacht.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-27-oktober-2014/
Uitspraak 27 oktober 2014
Het Tuchtcollege is van oordeel dat het enkele feit dat beklaagde tot driemaal toe een arbeidsdeskundig oordeel uitbrengt over het handelen van klaagster als werkgever met betrekking tot dezelfde werknemer en in dienst is van het UWV niet met zich meebrengt, dat wordt gehandeld in strijd met de eisen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid die op grond van artikel 1 Gedragscode aan het handelen van de arbeidsdeskundige worden gesteld.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-6-mei-2015/
Uitspraak 6 mei 2015
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege betrekt in zijn oordeel dat aan de Gedragscode SRA ten grondslag ligt dat de arbeidsdeskundige een toenaderingsverantwoordelijkheid heeft in de zin van een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven. Gelet op al het voorgaande heeft beklaagde onvoldoende uitvoering gegeven aan deze verantwoordelijkheid, te meer ook daar hij zelf ook ter zitting heeft erkend dat hij zonder een gesprek met klager en beklaagde niet in staat was om zijn werkzaamheden als arbeidsdeskundige naar behoren te kunnen uitvoeren. Voor een deugdelijke uiteenzetting van de functies had beklaagde immers – naar eigen zeggen – de werkgever nodig. Door onder die omstandigheden niettemin zijn arbeidsdeskundige rapporten definitief te maken en te verzenden is beklaagde naar de overtuiging van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten. De klachtonderdelen 1 en 5 zijn mitsdien gegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-5-oktober-2015/
Uitspraak 5 oktober 2015
Bovendien is het Tuchtcollege van mening dat de arbeidsdeskundige niet in strijd handelt met de gedragscode door in het kader van zijn onderzoek afzonderlijke gesprekken te voeren met een werkgever en werknemer. In ieder geval verplicht de gedragscode de arbeidsdeskundige niet tot het voeren van een gesprek waarbij zowel werkgever als werknemer aanwezig zijn. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde daar in dit geval in redelijkheid ook geen aanleiding voor hoeven zien. Het Tuchtcollege constateert in dat verband ook dat zowel in de rapportage van 2 juli 2012 als 15 januari 2015 op zorgvuldige wijze verslag wordt gedaan van de gesprekken met de werkgever en beklaagde.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-2-mei-2016/
Uitspraak 2 mei 2016
Het Tuchtcollege weegt daarbij mee dat beklaagde in beide rapporten is uitgegaan van diverse aannames die hij bij klager niet heeft geverifieerd. Desgevraagd heeft beklaagde dat ter zitting van het Tuchtcollege beaamd. Aldus heeft het kunnen geschieden dat een beoordeling heeft plaatsgevonden die niet is gebaseerd op feiten, maar op aannames. Het Tuchtcollege maakt tegen die werkwijze ernstig bezwaar in de situatie van een arbeidsongeschiktheidsverzekering die dekking biedt tegen uitval in de (eigen) werkzaamheden. Van de arbeidsdeskundige mag bij een dergelijk onderzoek worden verwacht dat hij precies nagaat welke deeltaken aan het verzekerde beroep zijn verbonden en hoe groot de tijdsbesteding en arbeidsbelasting is die met de uitvoering van de diverse deeltaken is gemoeid. De rapporten die beklaagde in dit verband heeft vervaardigd bieden daarover onvoldoende uitsluitsel. Daarbij komt nog dat beklaagde na afronding van de primaire werkzaamheden naar aanleiding van het bezwaar dat klager heeft aangetekend bij de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar in maart 2015 een uitvoerig (nieuw) arbeidsdeskundig onderzoek heeft verricht. Daarbij heeft hij de database ter zake van autoglasherstel van zijn eigen kantoor geraadpleegd en diverse contacten gehad met lokale reparatiebedrijven. Daarmee heeft beklaagde in feite een geheel nieuw onderzoek naar het verzekerd beroep en de daaraan verbonden deeltaken uitgevoerd zonder daarover met klager van gedachten te wisselen. Dat gaat naar de stellige overtuiging van het Tuchtcollege niet aan. Beklaagde had immers aldus reeds ofwel in het primaire onderzoek aldus te werk dienen te gaan, danwel naar aanleiding van zijn bevindingen in maart 2015, zoals gezegd, opnieuw in contact moeten treden met klager naar aanleiding van zijn nieuwe bevindingen. Aan de totstandkoming van het rapport van 14 november 2014 kleven dezelfde gebreken, waarbij het Tuchtcollege nog aantekent dat beklaagde ook daar ten onrechte is uitgegaan van aannames, zonder deze bij klager te verifiëren. Aldus heeft het immers, zoals klager terecht betoogt, kunnen gebeuren dat de diverse rapporten gebaseerd zijn op onjuistheden, aannames, innerlijk tegenstrijdig zijn en daardoor niet met elkaar zijn te verenigen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-22-december-2016/
Uitspraak 22 december 2016
Beklaagde heeft met zijn grensoverschrijdende gedrag naar het oordeel van het Tuchtcollege ernstig in strijd gehandeld met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode. Te meer daar beklaagde op de hoogte was van de kwetsbaarheid van klaagster bij het aangeven en bewaken van grenzen. Beklaagde heeft niet kunnen aantonen dat hij, zeker gezien zijn bekendheid daarmee, de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht bij de begeleiding van klaagster.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-26-mei-2017/
Uitspraak CAT 26 mei 2017
Naar het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege in aanmerking neemt kent de beroepsgroep van arbeidsdeskundigen op dit moment geen algemene verplichting om een rapport eerst in concept of definitieve vorm aan een betrokkene te zenden; in zoverre mist het betoog van beklaagde feitelijke grondslag. Het college deelt evenwel het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat in de door hem in aanmerking genomen omstandigheden van dit geval – die beklaagde niet heeft betwist – beklaagde niet kon volstaan met enkel de vraag aan klaagster of zij het eens is met de voorgenomen rapportage. Beklaagde had als goed arbeidsdeskundige zich ervan dienen te vergewissen dat het klaagster duidelijk was wat de rapporten van 10 oktober 2014 en 12 november 2014 inhielden en waartoe die zouden leiden, met name door aan haar in aansluiting op de bezoeken concept-rapporten te doen toekomen en haar (eventuele) reactie daarop te verwerken in de definitieve rapportage. Dat nagalaten zijnde heeft beklaagde, naar het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege terecht heeft overwogen, gehandeld in strijd met (de algemene toetsnorm van) artikel 1 van de Gedragscode, alsmede met artikel 2 lid 1 daarvan.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-27-oktober-2017/
Uitspraak CAT 27 oktober 2017
Beklaagde heeft, als overwogen in 4.4, als arbeidsdeskundige in de uitoefening van zijn reguliere werkzaamheden in contact gekomen met klaagster, misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en haar ernstig seksueel misbruikt. Het misbruik heeft plaatsgevonden bij klaagster thuis – haar privédomein, waar klaagster zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen – en op kantoor – de plaats waar een uitkeringsgerechtigde in het kader van zijn aanspraken soms geacht wordt te verschijnen. Daarmee heeft beklaagde het vertrouwen dat in een register-arbeidsdeskundige mag worden gesteld in ernstige mate beschadigd. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-20-december-2017/
Uitspraak 20 december 2017
Het tuchtcollege volgt klaagster niet in haar stellingen. Beklaagde heeft aan haar zorgplicht als arbeidsdeskundige voldaan door een concept van haar rapportage ter correctie aan klaagster voor te leggen alvorens haar rapport definitief te maken. De zorgplicht van beklaagde gaat op grond van artikel 1 Gedragscode SRA naar het oordeel van het tuchtcollege niet zo ver dat een arbeidsdeskundige verplicht is om een rapport nogmaals na verwerking van commentaar op het concept ter goedkeuring aan de cliënt voor te leggen (Vgl. AT SRA 1 juni 2017).
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-20-februari-2018/
Uitspraak 20 februari 2018
Beklaagde was ten tijde van de beoordeling van de WIA-aanvraag immers bekend met de uitvoerige klacht van klaagster van 17 februari 2017 over de wijze van totstandkoming en inhoud van zijn deskundigenoordeel en het verzoek om daar bij de beoordeling van de WIA-aanvraag rekening mee te houden. Gezien het gebrek aan vertrouwen dat uit de klacht van 17 februari 2017 sprak, had dat voor beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege evident aanleiding moeten zijn, al was het maar om ieder schijn van vooringenomenheid en partijdigheid te vermijden, om zich van verdere bemoeienissen met het dossier te onthouden. In plaats daarvan is er door gedaagde blijkbaar voor gekozen om zonder enige reactie op de klacht van klaagster en -zoals ter zitting door beklaagde toegelicht- op grond van interne bedrijfseconomische redenen (het ging om een complex en lijvig dossier waar beklaagde al mee bekend was en waar men een collega niet mee wilde belasten) ook de beoordeling in het kader van de WIA-aanvraag te doen. Daarmee heeft beklaagde in dit geval volgens het Tuchtcollege gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, die voorschrijft dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een redelijk handelend en bekwaam arbeidsdeskundige in acht neemt.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-maart-2018-2/
Uitspraak 19 maart 2018 (klacht 17-38/AT)
Het Tuchtcollege deelt het standpunt van beklaagde. Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft beklaagde zeer zorgvuldig gehandeld door klager een ruime gelegenheid te bieden om op concepten van het rapport te reageren alvorens dit rapport definitief werd gemaakt. Dat het telefoontje van beklaagde op 5 juni 2014 een intimiderend karakter zou hebben gehad en door beklaagde onzorgvuldig grote druk op klager zou zijn uitgeoefend, blijkt niet uit het dossier en wordt door klager naar het oordeel van het Tuchtcollege ook niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is ook het Tuchtcollege van oordeel dat er voor beklaagde, gezien de feiten en omstandigheden in dit dossier, geen enkele aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid en consistentie van het akkoord van klager per mail van 9 juni 2014. Beklaagde kon en mocht volgens het Tuchtcollege wel degelijk uitgaan van een akkoord van klager op 9 juni 2014. Er zijn naar de mening van het Tuchtcollege geen gronden aan te voeren waarom klager daar thans op terug zou kunnen en mogen komen. Het verwijt van klager dat hem onvoldoende mogelijkheden voor controle en correctie zijn geboden en niet uit kan worden gegaan van zijn akkoord op 9 juni 2014, mist naar het oordeel van het Tuchtcollege deugdelijke grond. Dat geldt naar de mening van het Tuchtcollege ook voor het verwijt dat klager maakt ter zake van het aantal keren contact met de werkgever en met klager. Er is verklaarbaar en functioneel een aantal keren contact geweest met de werkgever, terwijl door beklaagde zowel door een gesprek als contact per e-mail en telefoon ruimschoots en zorgvuldig contact is onderhouden met klager. Volgens het Tuchtcollege is geen sprake van een scheve verhouding in het aantal contactmomenten noch van enige schijn van partijdigheid aan de kant van beklaagde.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-maart-2018/
Uitspraak 19 maart 2018 (klacht 17-40/AT)
Door de manier waarop zij klager heeft benaderd, met name ook met haar brief van 13 januari 2016, is zij teveel op de stoel van de werkgever gaan zitten en heeft zij onvoldoende de voor een register-arbeidsdeskundige noodzakelijke distantie betracht. Door klager direct en op een -naar het gevoelen van het Tuchtcollege tamelijk sommerende manier- aan te spreken op de re-integratieplichten, te waarschuwen voor weigering en zelfs maatregelen in de sfeer van stopzetting van loondoorbetaling aan te zeggen, heeft beklaagde zich onvoldoende objectief en onpartijdig opgesteld en werd zij zelf een bron van conflicten. Beklaagde had naar het oordeel van het Tuchtcollege, uit hoofde van de op haar rustende zorgplicht, meer tijd moeten nemen om zich in de situatie en het waarom van het handelen van klager te verdiepen, zich moeten beperken tot een adviserende rol en het uit hoofde van haar onafhankelijkheid als arbeidsdeskundige aan de werkgever moeten overlaten om zo nodig actie richting klager te ondernemen en maatregelen te treffen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-20-april-2018/
Uitspraak CAT 20 april 2018
Het verwijt dat geen, althans onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast is ongegrond. Er heeft, naar tussen partijen vaststaat (zie 2.4), een gesprek tussen beklaagde en klager (met zijn echtgenote) plaatsgevonden en vervolgens met klager en [werkgever] en waarin klager – getuige de daarvan door klager gemaakte opname – uitvoerig in de gelegenheid is geweest zijn gedachten naar voren te brengen. Het college deelt het oordeel van het AT daarover. Het vervolgens door beklaagde opgemaakte rapport is aan klager gestuurd en zijn raadsman heeft daarop (vgl. 2.5 t/m 2.9) kunnen reageren. Dat beklaagde (de raadsman van) klager niet gevolgd heeft in diens kritiek maakt niet dat er geen voldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden of dat de rapportage ondeugdelijk is.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-7-mei-2018/
Uitspraak 7 mei 2018
Daar doet volgens het Tuchtcollege niet aan af, dat eerdere rapporten ook niet door beklaagde aan klager zijn gestuurd, dat klager er op zou zijn gewezen dat de rapportages bij de verzekeringsmaatschappij opgevraagd kunnen worden, dat de gemachtigde van klager dat eerder ook gedaan zou hebben en dat daarover afspraken met de verzekeringsmaatschappij zijn gemaakt. Het Tuchtcollege wijst er op dat beklaagde toenaderings-verantwoordelijkheid heeft en klager zelf in kennis had moeten stellen van de in het geding zijnde rapportages van 11 mei 2015, 1 juli 2015 en 28 januari 2016. Door dit na te laten heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege niet alleen in strijd met artikel 2 lid 1, maar ook in strijd met de zorgplicht van artikel 1 Gedragscode SRA gehandeld.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-26-oktober-2018/
Uitspraak 26 oktober 2018
Het Tuchtcollege stelt op grond van de hiervoor aangegeven feiten vast, dat beklaagde klager niet (vooraf) in kennis heeft gesteld van het onderzoek dat door hem als arbeidsdeskundige in het kader van het arbeidsgeneeskundig onderzoek diende te worden uitgevoerd. Klager nam van het onderzoek van beklaagde pas achteraf kennis op het moment dat de concept-Medische rapportage, waarvan het onderzoek van beklaagde deel uitmaakte, aan hem werd toegestuurd. Verder stelt het Tuchtcollege vast dat door beklaagde alleen de visie van de werkgever is uitgevraagd en vastgelegd. Naar de visie van de klager als werknemer is door hem geen onderzoek gedaan. Klager is door beklaagde in ieder geval niet gehoord in het kader van zijn onderzoek. Dit is een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid van beklaagde als register-arbeidsdeskundige die beklaagde niet aan anderen kon en mocht overlaten, ook niet in het kader van het overkoepelende arbeidsgeneeskundig onderzoek. Bovendien is met het latere commentaar van klager op de rapportage van klager als onderdeel van de concept-Medische rapportage inhoudelijk ook niets gedaan. Ten slotte heeft beklaagde, zo moet het Tuchtcollege vaststellen, niet bij genoemde heer Y. van werkgever geverifieerd of hetgeen door beklaagde als visie van de werkgever is vastgelegd ook een juiste weergave van deze visie is. Het is het Tuchtcollege aan de hand van een door klager in het geding gebracht schriftelijke verklaring van de heer Y. gebleken dat de juistheid van de verslaglegging door de heer Y. later is bestreden. Juist om verwarring te voorkomen dient een register-arbeidsdeskundige zich er bij de totstandkoming van zijn rapportage van te vergewissen dat de door hem in zijn rapportage vastgelegde gegevens juist zijn en later geen bron van discussie gaan vormen tussen betrokkenen, in dit geval klager en zijn werkgever.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-7-maart-2019-klacht-18-48-at/
Uitspraak 7 maart 2019
Het verweer van beklaagde dat de Gedragscode SRA hem niet verplicht een concept aan de cliënt voor te leggen, kan naar het oordeel van Tuchtcollege hier beslist niet slagen. Beklaagde heeft (en daar viel in dit geval ook veel voor te zeggen!) de keuze gemaakt om wel een concept aan klager als cliënt voor te leggen en zal dan ook de zorgvuldigheid moeten betrachten die daarbij hoort. Het gaat naar de mening van het Tuchtcollege niet aan om je dan als register-arbeidsdeskundige, bij latere klachten over je handelwijze en de wijze van totstandkoming van je rapportages, op het standpunt te stellen, dat dit geen consequenties kan hebben omdat je niet verplicht bent eerst een concept aan de cliënt te sturen alvorens je je rapportage definitief maakt.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-14-maart-2019-klacht-18-47-at/
Uitspraak 14 maart 2019
In haar rapport heeft beklaagde haar conclusie grotendeels gebaseerd op het uitgangspunt dat de re-integratie niet tijdcontingent verlopen zou zijn. Het Tuchtcollege heeft niet de overtuiging gekregen dat op deze feitelijkheden door beklaagde is doorgevraagd. Beklaagde heeft in haar verweer aangegeven dat uit het gesprek met de werkgever was gebleken dat klager “boven de bezetting” werkzaam was. Het Tuchtcollege heeft in het verleden bij herhaling kenbaar gemaakt, dat een arbeidsdeskundige, die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden van een werknemer bij de eigen werkgever, extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Een zorgvuldig onderzoek impliceert een verificatieplicht. Dit klemt temeer omdat klager naar aanleiding van het arbeidsdeskundig rapport beklaagde heeft gewezen op een aantal volgens hem feitelijke onjuistheden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-9-mei-2019-klacht-19-49-at/
Uitspraak 9 mei 2019
De omstandigheid dat de werkgever kort voor het gesprek met klager de werkopdracht heeft gewijzigd is naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende om aan te nemen dat beklaagde partijdig is geweest en niet onafhankelijk. Beklaagde heeft klager bovendien geïnformeerd over het feit dat beklaagde in overleg met de opdrachtgever de opzet van de opdracht heeft aangepast. Voorts is niet gebleken dat het beklaagde was die heeft ingezet op een tweede spoortraject. Uit het dossier komt naar voren dat de bedrijfsarts heeft geadviseerd om een tweede spoortraject in te zetten. Beklaagde heeft gemotiveerd gesteld dat hij van mening was dat een tweede spoortraject op dat moment niet deugdelijk onderbouwd kon worden. Of sprake is geweest van een vooraf ingenomen standpunt al dan niet in samenspraak met de werkgever heeft het Tuchtcollege op grond van de feiten niet kunnen vaststellen. Dit onderdeel van de klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-van-24-mei-2019-klacht-19-50-at/
Uitspraak 24 mei 2019
Dat beklaagde bij uitvoering van zijn werkzaamheden niet-onafhankelijk, maar vooringenomen was, blijkt niet uit de aan het Tuchtcollege overgelegde stukken en is door klager naar het oordeel van het Tuchtcollege niet feitelijk onderbouwd. Ook op de zitting bij het Tuchtcollege heeft klager dit niet aan kunnen geven. Het enkele door klager gestelde feit dat beklaagde vaak opdrachten voor dezelfde opdrachtgever uitvoert, maakt naar de opvatting van het Tuchtcollege niet dat een register-arbeidsdeskundige meer onafhankelijk bij uitvoering van zijn werk vooringenomen is.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-20-juni-2019/
Uitspraak CAT 20 juni 2019
Met het AT volgt het college verweerder evenwel in zijn stelling dat voor (verdere) aanpassing van de uitkomsten van de GITHA geen voldoende aanleiding bestond. Klaagster heeft in het kader van het door de arbeidsdeskundige te verrichten onderzoek haar stellingen onvoldoende onderbouwd, in de (wat stellige) bewoordingen van beklaagde weergegeven in zijn eindrapport (2.6) “alleen als er voor mij objectieve feiten bekend zijn, kan en wil ik van deze ‘GITHA-data’ afwijken. Dat betrokkene aangeeft dat de verdeling anders lag en ligt, doet daar niets aan af. (…)” Beklaagde heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de arbeidsbelasting in de winkel en het daarin door klaagster, haar echtgenoot en haar dochter te maken aantal uren. Beklaagde heeft de woon- en gezinssituatie in zijn beoordeling betrokken. Dat tegen die concrete achtergrond en de door de GITHA berekende tijden beklaagde geen (verdere) aanpassing heeft gedaan en hij heeft gesteld “Als beoordelaar van een door mij niet te controleren situatie in het verleden en heden, kan ik niet anders dan gebruik maken van bestaande data en daarmee van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen echtelieden.” is niet in strijd met het bepaalde in artikel 1 en/of 3 van de Gedragscode SRA. Voor zover al in het beroepschrift op dit onderdeel een grief tegen een beslissing van het AT valt te lezen, faalt de klacht dat beklaagde de GITHA onjuist/onvolledig heeft toegepast. Op gelijke voet faalt de klacht dat klaagster niet voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren op het conceptrapport. De grief dat beklaagde in het geheel niet heeft gereageerd op de mededeling dat het huishouden volledig voor rekening van klaagster kwam mist, naar uit het voorgaande blijkt, feitelijke grondslag.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-20-september-2019/
Uitspraak 20 september 2019
Aan klager kan worden toegegeven dat het risico bestaat dat een zelfstandig arbeidsdeskundige die, naar tussen partijen vaststaat, met enige regelmaat in opdracht van een grote opdrachtgever werkzaamheden verricht als arbeidsdeskundige, de (schijn van) niet-onafhankelijkheid oproept. Maar beklaagde heeft juist zelf die relatie tegenover klager benoemd en, toen beklaagde bezwaar maakte tegen zijn concept-rapport, zijn opdracht teruggeven.
- Dat financiële motieven aan de zijde van beklaagde in deze enige rol hebben gespeeld is niet aannemelijk geworden, laat staan dat beklaagde “Wiens brood men eet diens woord men spreekt” daadwerkelijk inhoud heeft gegeven zoals door klager gesuggereerd. Van belangenverstrengeling is evenmin gebleken. Klager meent ten onrechte te kunnen volstaan met ongegronde verdachtmakingen.
- Beklaagde heeft klager thuis bezocht, klagers “privé-habitat.” Dat is voor een arbeidsdeskundige volstrekt gebruikelijk en gesteld noch gebleken is dat klager daartegen bij gelegenheid van het maken van de bezoekafspraak bezwaar heeft gemaakt.
- De stelling “(beklaagde) misbruikt de schijnzelfstandigheid om zaken geregeld te krijgen die anders niet mogelijk waren geweest” mist iedere onderbouwing.
- Als hiervoor in 3.6.3 reeds aan de orde gekomen, heeft beklaagde het conceptadvies op 8 oktober 2018 naar klager gestuurd om het hem mogelijk te maken dat conceptadvies tijdens het op 9 oktober 2018 geplande overleg van klager met de arbeidsdeskundige van het UWV te bespreken. Daarmee is weerlegd dat beklaagde het proces eenzijdig heeft afgestemd op de wensen van de werkgever van klager.
De grief faalt.
Uitspraak 7 januari 2020
6.23. Het Tuchtcollege houdt het ervoor dat beklaagde er geen misverstand over heeft laten bestaan dat er op grond van de door Bureau X gevolgde werkwijze geen conceptrapportage vooraf zou gaan.
6.24. Beklaagde heeft voorts aangevoerd dat zij op 18 april 2019 de oorspronkelijke rapportage in het systeem heeft geüpload. Deze rapportage is op 23 april 2019 automatisch beschikbaar gesteld aan de werkgever en aan klaagster. Klaagster heeft op deze rapportage gereageerd en op basis daarvan zijn beklaagde en klaagster op 7 mei 2019 met elkaar in gesprek gegaan. Na verder overleg heeft beklaagde op 21 mei 2019 de laatste versie van de rapportage geüpload.
6.25. Klaagster heeft dan ook naar het oordeel van het Tuchtcollege een redelijke tijd en gelegenheid gehad om het op de rapportage(s) van beklaagde te reageren en daarbij eventuele fouten aan te geven. Het beginsel van hoor en wederhoor is door beklaagde op een juiste wijze toegepast. Het Tuchtcollege wijst er daarbij op, dat beklaagde haar advies nimmer heeft afgerond, maar de opdracht na de indiening van de klacht door klaagster heeft beëindigd en vervolgens geen rapportage (meer) heeft uitgebracht.
Uitspraak 16 januari 2020
7.10. Deze onzorgvuldige handelwijze herhaalt beklaagde naar de mening van het Tuchtcollege door op 21 juli 2016 haar definitieve rapportage uit te brengen, terwijl eerder aan klager is meegedeeld dat het arbeidsdeskundig onderzoek door haar ‘on hold’ is gezet in afwachting van meer duidelijkheid over de (actuele) belastbaarheid van klager. Beklaagde had er op bedacht moeten zijn dat klager hier, zonder nader terugkoppeling en informatie richting klager, door zou worden overvallen. Van beklaagde had op dat punt meer zorg jegens klager mogen worden verwacht dan de enkele pogingen die door beklaagde zijn gedaan om op 21 juli 2016, vlak voor haar vakantie, telefonisch met klager in contact te komen. Van haar hadden naar het oordeel van het Tuchtcollege op dat punt meer inspanningen en meer zorg jegens klager mogen worden verwacht.
7.11. Te meer daar de definitieve rapportage van beklaagde van 21 juli 2016 zeer wezenlijk verschilde van het eerder concept-rapport. Het definitieve rapport bevat ten opzichte van het concept-rapport een recent FML van de bedrijfsarts van 14 juli 2016 die door beklaagde niet met klager is besproken, een groot aantal wijzigingen en een totaal andere opzet dan het concept en informatie die is weggelaten en in het concept wel was vermeld, onder andere het gesprek met klager, omdat daar zo motiveert beklaagde discussie over was.
Uitspraak 19 februari 2020 (zaaknummer: 19/57 AT)
6.2 Nu de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling is genomen, treft de klacht dat beklaagde in 2016 niet beschikte over de benodigde stukken en informatie bij de behandeling van het aangevraagde deskundigenoordeel (geen concrete functie- en taakbeschrijving van de formele functie van klager in 2013) en geen oordeel is gegeven over de re-integratie-inspanningen (rekening houdend met het werken in concernverband) geen doel. De aanvraag deskundigenoordeel is immers niet inhoudelijk door beklaagde behandeld, maar op formele gronden niet in behandeling genomen.
6.4 Het Tuchtcollege heeft ter zitting vastgesteld, dat tussen klager en beklaagde niet ter discussie staat dat klager beklaagde op 19 september 2016 in de middag heeft teruggebeld (volgens beklaagde nadat hij op 12 en 19 september al had geprobeerd om klager telefonisch te bereiken, maar geen gehoor kreeg) en beklaagde zijn beslissing om de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling te nemen aan klager heeft toegelicht.
6.5 Ook overigens is het Tuchtcollege niet gebleken dat beklaagde jegens klager in strijd met de Gedragscode SRA heeft gehandeld.
Uitspraak 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)
7.5. Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e van de Gedragscode dat voorschrijft dat de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel moet kunnen leiden, waarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet worden overgeschreden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn die grenzen door beklaagde overschreden en heeft zij niet inzichtelijk kunnen maken hoe, waarom, op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na volledig herstel van klager, kon worden voortgezet en of de gebruikte methode van onderzoek daarvoor nog wel geschikt was.
7.6. Daar komt naar het oordeel van het Tuchtcollege bij dat beklaagde klager, na de hersteld-melding van klager en wijziging van de opdracht, klager onvoldoende heeft meegenomen in het waarom van voortzetting van het onderzoek en het gebruik van de methode ‘Darius Works’. Beklaagde heeft klager op dat moment onvoldoende geïnformeerd en weinig ruimte geboden om een eigen afweging te maken ter zake van de vraag of al dan niet en met welk doel aan voortzetting van het onderzoek zou moeten worden meegewerkt. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over de (in dit geval gewijzigde) opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt dient te weten ten aanzien van het aard en het doel daarvan.
7.7. Verder heeft beklaagde jegens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Uitspraak 26 juni 2020 (zaaknummer: 20/59 AT)
7.5 Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het Tuchtcollege tegelijkertijd van oordeel dat beklaagde zich in de aanloop naar de totstandkoming van de definitieve rapportage van 17 september 2019 onvoldoende bewust is geweest van de zorgvuldigheid die van haar als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. Zoals uit de vaste rechtspraak van het Tuchtcollege blijkt, dient de arbeidsdeskundige er in een situatie als deze op bedacht te zijn, dat de belangen van zowel de werkgever als van de werknemer groot zijn, deze belangen veelvuldig aanleiding zijn tot zijn ernstige geschillen en de rapportage van de arbeidsdeskundige daarbij een belangrijke rol speelt. In dat verband is het van belang dat de arbeidsdeskundige het onderzoek zorgvuldig uitvoert en de rapportage van de arbeidsdeskundige niet een extra bron van conflicten vormt.
7.7 Uit hoofde van haar zorgplicht, haar onafhankelijkheid en de op haar rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat zij, voordat zij haar rapportage aan klager en de werkgever van klager verzond, de tijd en moeite had genomen om aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, naar aanleiding van zijn mail, uitleg te verschaffen over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige en zich daarbij zorgvuldig te vergewissen van de juistheid van de weergave van het gesprek met de werknemer. Zij had daarbij ook het belang voor klager van zijn opmerkingen moeten onderkennen, mede in relatie tot het verslag van het gesprek met de werkgever.
7.9 Kort en goed komen deze klachtonderdelen er op neer, dat beklaagde volgens klager niet op een zorgvuldige wijze heeft onderzocht of er geen andere passende functies bij de werkgever voor handen zijn waarin klager kan re-integreren. Verder klaagt klager er over dat beklaagde in haar rapport niet voldoende beargumenteerd heeft dat er geen andere passende functies bij de werkgever zijn en pas in de versie van de rapportage, na bemiddeling door de Ombudsman, op de door klager aangedragen feiten, suggesties en bevindingen met betrekking tot ander passend werk bij de werkgever is ingegaan.
7.10 Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn deze onderdelen van de klacht gegrond. Gezien het belang voor klager van een gedegen onderzoek naar en afweging van de mogelijkheden voor ander passend werk bij de werkgever en de signalen die klager daar aan beklaagde over gaf, had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht mogen worden dat zij hier zorgvuldig onderzoek naar zou doen en in haar rapportage op een voor klager kenbare wijze zou ingaan op de (mede door klager aangedragen) feiten.
Uitspraak 10 juli 2020 (zaaknummer: 20/18 CAT)
3.1 Volgens de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT), waarvan beroep, verwijt klager beklaagde – kort samengevat – dat zijn rapport (hierna: het deskundigenbericht) onzorgvuldig
3.2. Verder klaagt klager erover dat er op het kantoor van beklaagde geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en hij, ten tijde van verzending van het deskundigenbericht aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.
3.3 Het AT heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klachten ongegrond geoordeeld.
Uitspraak 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)
6.3 Het verweer van beklaagde dat er maar een relatief korte periode is gelegen tussen de Arbeidsdeskundige rapportage juli 2017 en die van november 2017, dat zij in het kader van de rapportage van juli 2017 reeds uitvoerig contact met klager had gehad, dat de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid hetzelfde was gebleven en er slechts sprake was van een aanvulling op de eerdere rapportage, kan en mag naar het oordeel van het Tuchtcollege op geen enkele wijze afdoen aan de verplichting van artikel 2 lid 1 Gedragscode. Van een register-arbeidsdeskundige wordt te allen tijde verlangd dat deze betrokkene vooraf informeert over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan. Dat heeft beklaagde bij het aanvullend onderzoek in november 2017 ten onrechte en naar het oordeel van het Tuchtcollege verwijtbaar nagelaten.
6.6 Door in het kader van het aanvullend onderzoek alleen overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en door klager en zijn zienswijze op geen enkele bij het aanvullend onderzoek te betrekken, schiet de methode van onderzoek waarvoor door beklaagde is gekozen te kort. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, dat, ook als het gaat om een aanvullend onderzoek en al de nodige informatie bekend is, een zodanig zorgvuldig en compleet onderzoek wordt gedaan dat dit onderzoek en de resultaten daarvan de conclusies kunnen dragen.
6.7 Bovendien is beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege jegens klager tekort geschoten in de zorg die zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend jegens klager had moeten betrachten.
6.10 Door haar handelwijze heeft beklaagde zich naar de mening van het Tuchtcollege onbedoeld in een positie gebracht dat zij onderdeel werd van het conflict tussen klager en zijn werkgever. Bovendien heeft zij door bij haar onderzoek enkel overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en niet met klager onbedoeld de schijn van onvoldoende objectiviteit, onvoldoende onafhankelijkheid en partijdigheid gewekt. Van een register-arbeidsdeskundige wordt juist een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht om dat te voorkomen.
Uitspraak 30 juli 2020 (zaaknummer: 19/58 AT)
6.3 De kern van de klacht is dat beklaagde voorafgaand aan het opstellen van haar rapportages geen contact heeft opgenomen met klager en hem dus ook niet over de kwestie heeft gesproken.
6.13 Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De register-arbeidsdeskundige dient op een heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bepalingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten te rapporteren. Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet.
6.18 Nu klager een diametraal ander standpunt heeft ingenomen dan blijkt uit in elk geval de rapportage van arbeidsdeskundige [Y], lag het eens te meer op de weg van beklaagde om de verkregen informatie voor wederhoor aan klager voor te leggen. Daarbij laat het Tuchtcollege de omstandigheid dat de bevindingen van beklaagde een bepalende rol kunnen spelen in een procedure op tegenspraak zwaar meewegen.
6.22 Nu beklaagde ten onrechte achterwege heeft gelaten om in het kader van haar onderzoek contact op te nemen met klager acht het Tuchtcollege dit klachtonderdeel gegrond.
Uitspraak 30 juli 2020 (zaaknummer: 20/60 AT)
7.9 Het Tuchtcollege stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat beklaagde op de hoogte was van het tussen klaagster en haar werkgever lopende kort geding dat zou dienen op 31 oktober 2019. Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Tegen deze achtergrond en op grond van zijn wetenschap paste beklaagde uiterste terughoudendheid om op verzoek van de werkgever de arbeidsdeskundige conceptrapportage reeds op 29 oktober 2019 op te leveren, met het risico dat werkgever deze conceptrapportage kon gebruiken in de aanhangige gerechtelijke procedure.
7.10 Dit klemt temeer nu beklaagde deze conceptrapportage tegelijkertijd naar klaagster en haar werkgever heeft gestuurd, zodat klaagster niet in de gelegenheid is gesteld tijdig op mogelijk feitelijke onjuistheden in de conceptrapportage te reageren.
7.11 Door op die wijze te handelen heeft beklaagde zich onvoldoende rekenschap gegeven van het risico dat zijn conceptrapportage als bewijsstuk zou dienen in die gerechtelijke procedure. Hij heeft minst genomen daarmee de schijn gewekt dat zijn rapportage, waaraan door de rechter belang en mogelijk bewijskracht kan worden gehecht, als partij-instrument zou dienen in het lopende arbeidsgeschil terwijl partijen het over de inhoud van deze rapportage nog niet eens waren. Daarmee is beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige in zijn zorgplicht jegens klaagster tekortgeschoten.
7.41 Uit de rapportage blijkt dat beklaagde zich heeft gebaseerd op de beperkingen zoals door de bedrijfsarts opgenomen in diens FML d.d. 9 oktober 2019. Beklaagde heeft voorts meermaals contact gehad met de bedrijfsarts.
7.42 Het Tuchtcollege overweegt dat beklaagde aan de hand van deze contacten en de inlichtingen die klaagster hem heeft verstrekt in haar e-mail van 21 oktober 2019 over de achterliggende problematiek van ongewenste intimiteiten en een onveilig werkklimaat, blijk heeft gegeven onvoldoende oog te hebben voor deze problematiek. Beklaagde heeft deze problematiek ook niet zichtbaar betrokken in zijn onderzoek, althans daarvoor heeft het Tuchtcollege geen aanknopingspunten kunnen vinden in de rapportage.
7.46 Tegen deze achtergrond is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde zich bij de uitvoering van de opdracht onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de achterliggende problematiek. Beklaagde heeft daarentegen in zijn gerichtheid op de uitvoering van de opdracht geen veiligheid geboden aan klaagster, geen vertrouwen opgebouwd en haar geen of onvoldoende humanitaire aandacht gegeven. Het Tuchtcollege laat meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd.
Uitspraak 26 augustus 2020 (zaaknummer: 20/62 AT)
6.2 Het Tuchtcollege stelt vast, dat de taak en verantwoordelijkheid van beklaagde jegens klager beperkt was tot uitsluitend de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager. Daar heeft beklaagde klager, zowel bij de start als herhaalde malen gedurende de begeleiding, naar het oordeel van het Tuchtcollege duidelijk en zorgvuldig over geïnformeerd. Daarbij heeft beklaagde zich steeds (mogen) laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie tweede spoor (nog) aan de orde was. Dat klager de mening was toegedaan, dat re-integratie tweede spoor niet (meer) aan de orde was, maar hij gere-integreerd diende te worden in het eigen werk, doet daar niet aan af. Zoals beklaagde klager een en ander maal en naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht heeft uitgelegd, was zij in die discussie geen partij en diende zij, zo lang dit volgens de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige rapportages nog aan de orde was, uitvoering te geven aan haar taak om klager te begeleiden bij de re-integratie tweede spoor.
6.3 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft klager aan deze taak en verantwoordelijkheid, ondanks de spanningsvolle situatie waarin zij moest werken, op een jegens klager zeer zorgvuldige en respectvolle wijze uitvoering gegeven… Het verwijt van klager dat beklaagde zich niet heeft laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid en geen toenaderingsverantwoordelijkheid heeft getoond, acht het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
6.4 Ook het verwijt van klager dat beklaagde haar taak niet op een onafhankelijke en objectieve wijze heeft vervuld, acht het Tuchtcollege ongegrond.
6.7 Wel geeft het Tuchtcollege aan beklaagde in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit in de vorm van een overweging ten overvloede mee, dat wanneer zij de re-integratiebegeleiding verzorgt in een dossier waarin haar compagnon reeds arbeidsdeskundig werk verrichtte, zij zich zeer bewust dient te zijn van het belang om in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit aan betrokkenen aan te geven welke ten opzichte van haar compagnon andere taak en verantwoordelijkheid zij heeft.
Uitspraak 23 oktober 2020 (zaaknummer: 20/20 CAT)
4.2 Klager voert – samengevat – aan
- dat de stelling van verweerster dat zij van werkgever afkomstige informatie over klager en zijn gedrag niet met klager zou mogen delen maakt dat die informatie per definitie onbetrouwbaar is;
- dat moet worden aangenomen dat het om niet-actuele informatie ging;
- dat verweerster ook tijdens de tuchtprocedure in eerste aanleg heeft volgehouden dat zij de informatie niet zonder toestemming zou mogen prijsgeven.
Wat er zij van deze stellingen van klager, ook indien juist kunnen zij de conclusie dat verweerster zich in onderhavige zaak niet onafhankelijk heeft opgesteld niet dragen. Aan klager kan worden toegegeven dat bij niet-uitwisseling van de door partijen verstrekte informatie hoor en wederhoor in het geding kunnen zijn. Maar dat is niet zonder meer hetzelfde als niet-onafhankelijk. Ten aanzien van het onder c. genoemde element dient opgemerkt te worden dat het een verweerder in beginsel vrijstaat in de tuchtprocedure aan te voeren wat door hem dienstig wordt geoordeeld. Het AT heeft in 7.7 geoordeeld dat verweerster er onvoldoende op heeft toegezien “dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Het Tuchtcollege stelt vast dat noch de gebruikte normfunctie noch de in het rapport geschetste afstand tot het werk (tempo en kwaliteit, zelfstandigheid, coach etc.) bij klager geverifieerd zijn (…).” Daarmee heeft het AT ook hoor en wederhoor in zijn beoordeling betrokken. De conclusie is dat de grief niet slaagt.
Uitspraak 18 november 2020 (zaaknummer: 20/63 AT)
6.7 Gezien deze feiten en omstandigheden leidt de (enkele) vermelding van de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige onder verschillende e-mailberichten van klaagster, in dit geval niet tot het oordeel dat sprake is van handelen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. De feiten en omstandigheden liggen wat dat betreft anders dan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de uitspraak van het Tuchtcollege van 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT).
6.8 Ten overvloede en in het belang van de kwaliteit en professionalisering van het vak van arbeidsdeskundige wijst het Tuchtcollege er ten overvloede wel op, dat een arbeidsdeskundige die geregistreerd is als register-arbeidsdeskundige verwarring door het gebruik van de titel moet voorkomen en het in dat verband van wijsheid en zorgvuldigheid getuigt om de titel in het geheel niet te gebruiken, ook niet als automatische digitale handtekening, als niet als register-arbeidsdeskundige wordt gehandeld.
6.9 Op grond hiervan komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat verweerster jegens klaagster inderdaad niet heeft gehandeld in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige, er daarom geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 1 Tuchtreglement en de klacht van klaagster daarom niet- ontvankelijk dient te worden verklaard.
Uitspraak 25 maart 2021 (zaaknummer: 20/65 AT)
6.9. Uit hoofde van zijn zorgplicht en de op hem rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat hij zorgvuldig onderzoek had gedaan en de tijd en moeite had genomen om klaagster uitleg te verschaffen over het (aanvullend) onderzoek en daarbij zorgvuldig navraag te doen naar de zienswijze van klaagster. Hij had daarbij ook het belang voor klaagster moeten onderkennen en er niet, althans niet zonder meer, vanuit mogen gaan dat navraag bij klager niet meer nodig was.
Uitspraak 21 mei 2021 (zaaknummer: 20-27 CAT)
3.12.4 Met het AT is het college van oordeel dat verweerster, blijkens de vaststaande feiten, veelvuldig contact met klager heeft onderhouden, hem bij herhaling heeft geïnformeerd over haar taak en hetgeen van klager verwacht werd en verweerster heeft vragen van klager zo goed als mogelijk beantwoord. De thans als een noodkreet gepresenteerde e-mail van 24 januari 2018 ademt die toon niet maar illustreert veeleer dat klager geen behoefte had aan re-integratie tweede spoor (maar wenste te re-integreren bij zijn eigen werkgever). Maar dat brengt niet met zich dat verweerster in haar toenaderingsverantwoordelijkheid is tekortgeschoten.
Uitspraak 21 juni 2021 (zaaknummer: 21/66 AT)
6.4 Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de aanvraag en de rapportage van verweerster sprake was van veranderde medische omstandigheden waar verweerster rekening mee had moeten houden. De door klager bij de nadere toelichting op de klacht overgelegde medische rapportage van 20 november 2020, dateert van ruim na de aanvraag van klager en behandeling van deze aanvraag door verweerster. Bovendien ziet deze rapportage op een andere aanvraag. Uit de toelichting van verweerster blijkt dat zij in het kader van de aanvraag van klager overleg heeft gepleegd met een verzekeringsarts en heeft nagevraagd of er sprake was van een gewijzigde medische situatie, hetgeen niet het geval bleek. Daarmee heeft verweerster zich er naar het oordeel van het Tuchtcollege in voldoende mate van vergewist dat zij bij de behandeling van de aanvraag en het opstellen van haar rapportage de beschikking had over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens.
Uitspraak 30 augustus 2021 (zaaknummer: 20/64 AT)
6.3. Zowel de concept- als definitieve rapportage van verweerder voldoen volgens het Tuchtcollege aan de eisen die daaraan in artikel 3 Gedragscode worden gesteld. Beide rapporten zijn, anders dan klaagster stelt, inzichtelijk en consistent. Bovendien worden de conclusies van verweerder genoegzaam gedragen door de feiten en omstandigheden, die in de rapporten zijn vermeld. Verweerder heeft gedaan wat van hem als register-arbeidsdeskundige verwacht werd en een deugdelijk onderbouwd antwoord gegeven op de, mede gezien het tijdsverloop in het dossier overigens lastig te beantwoorden, vraag naar de theoretische arbeidssituatie van klaagster. Dat klaagster het met de inhoudelijke uitkomst van de beoordeling van verweerder niet eens is, doet daar niet aan af.
6.5. Het Tuchtcollege heeft niet vast kunnen stellen, dat verweerder in zijn rapportages een eigen oordeel geeft over de (medische) beperkingen van klaagster en zich niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als register-arbeidsdeskundige. Verweerder heeft zich gebaseerd op de bij hem bekende (medische) gegevens van de orthopeed en het UWV.
6.10. Naar het oordeel is door klaagster niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich partijdig heeft opgesteld dan wel de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Naar het oordeel van het Tuchtcollege is een zo onafhankelijk en objectief mogelijk antwoord gegeven op de lastig te beantwoorden vraag naar de hypothetische arbeidssituatie van klaagster. Daarbij heeft verweerder als register-arbeidsdeskundige een zekere vrijheid bij de keuze van de feiten en omstandigheden waarmee hij dat oordeel onderbouwt.
6.11. Wel onzorgvuldig en in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, acht het Tuchtcollege het feit, dat verweerder zonder nadere afweging, zonder toestemming van klaagster en zonder hoor- en wederhoor van klaagster, in zijn eindrapport op de aanvullende c.q. extra (onderzoeks)vragen van verzekeraar is ingegaan en deze in een bijlage bij het definitieve rapport van een antwoord heeft voorzien. Daarmee trad verweerder buiten de opdracht die hem door de betrokken partijen was verstrekt.
Uitspraak 12 januari 2022 (zaaknummer: 21-70/AT)
6.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij, zonder toestemming van klaagster en daardoor op onrechtmatige wijze, informatie over klaagster heeft verzameld, beschikt heeft over persoonsgegeven van klaagster, van deze gegevens gebruik heeft gemaakt bij zijn onderzoek en deze gegevens heeft geïnterpreteerd (klachtonderdelen aI en bII).
6.3. Deze onderdelen van de klacht zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Het gaat hier om (persoons)gegevens die door de werkgever van klaagster in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek aan verweerder zijn verstrekt. Deze gegevens zijn door verweerder naar de mening van het Tuchtcollege vervolgens enkel gebruikt en verwerkt verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld, namelijk het doen van arbeidsdeskundig onderzoek. Het gebruik en de verwerking van de gegevens was ook noodzakelijk om de opdracht tot het doen van arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren.
6.7 Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan een arbeidsdeskundige de aard van de arbeidsrelatie tussen een betrokkene en de werkgever wel degelijk meenemen in zijn overwegingen bij de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden. Dit kan immers een voor de re-integratie en werkhervatting belemmerend aspect zijn. Verweerder is daarmee volgens het Tuchtcollege niet buiten zijn deskundigheidsgebied getreden.
6.10 De arbeidsdeskundige heeft de morele plicht om de cliënt te respecteren en alle relevante informatie te verschaffen. De arbeidsdeskundige heeft een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven.
6.14. De hiervoor beschreven handelwijze van verweerder brengt met zich mee dat verweerder bij het opstellen van zijn rapportage uitsluitend beschikte over de informatie van de werkgever. Verweerder heeft deze informatie niet geverifieerd bij klaagster en zich er, door het ontbreken van contact met klaagster, ook niet van vergewist of deze informatie volledig, actueel en betrouwbaar was. Dat brengt ook het risico met zich mee dat het definitieve rapport van verweerder onjuiste feiten en onvoldoende geverifieerde aannames bevat. Daarmee is door verweerder gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (vergaarde informatie) en artikel 3 aanhef en onder b en c Gedragscode SRA (eisen aan rapportages).
6.16. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheid aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat verweerder bij zijn handelwijze niet onafhankelijk was. Wel heeft verweerder door zijn wijze van handelen en de manier waarop hij de belangen en positie van klaagster heeft veronachtzaamd naar het oordeel van het Tuchtcollege de schijn van partijdigheid gewekt. Daarmee heeft verweerder niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige betracht en gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA.
Uitspraak 1 december 2022 (zaaknummer: 22-71/AT)
6.8 Van verweerder mocht evenwel worden verwacht dat hij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de beperkingen van klaagster.
6.17. Met betrekking tot de totstandkoming van het loonwaarderapport van 11 februari 2022 is het Tuchtcollege van oordeel dat van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij acht het Tuchtcollege de toenaderingsverantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van de ethiek van groot belang. Uit deze professionele verantwoordelijkheid vloeit voor de arbeidsdeskundige voort dat hij met betrokkene in gesprek komt, waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht, en in gesprek te blijven.
6.18. Verweerder heeft zich beperkt tot contact met de gemachtigde van klaagster en haar vader. Uit de stukken, noch ter zitting is gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen om alsnog met klaagster zelf in contact te komen. Anderzijds betrekt het Tuchtcollege hierbij dat, hoewel de gemachtigde van klaagster ter zitting heeft betwist dat klaagster niet goed bereikbaar was, er kennelijk door de gemachtigde van klaagster evenmin rechtstreeks contact tussen klaagster en verweerder tot stand is gebracht.
6.19. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij ook niet bij de gemachtigde van klaagster of haar vader heeft geverifieerd of en in hoeverre zij bevoegd waren om namens klaagster op het door verweerder opgestelde concept te reageren.
Uitspraak 23 februari 2023 (zaaknummer: 22-72/AT)
6.3 Er is door verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege een zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek gedaan. Er is overleg gepleegd met de bedrijfsarts, er heeft in voldoende mate hoor en wederhoor plaatsgevonden en voordat het rapport definitief is gemaakt is er gelegenheid geboden om op het concept daarvan te reageren. Ten slotte is door verweerder ook nog de fysieke werkplek van klager bezocht. Dat klager het onderzoek onvoldoende vindt en zich met de conclusies van verweerder niet kan verenigen, brengt niet met zich mee dat verweerder niet onafhankelijk te werk is gegaan. Het enkele feit dat de medewerker van het UWV en verweerder elkaar kennen en verweerder vaker in opdracht van de werkgever van klager handelt en er in die zin een relatie bestaat met vertegenwoordigers van werkgever, maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet, dat gesproken kan worden van belangenverstrengeling.
6.6 Wel onzorgvuldig en in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, acht het Tuchtcollege het feit, dat verweerder zonder toestemming van klager, de vertegenwoordigers van werkgever en de bedrijfsarts in de mailwisseling met klager is gaan betrekken. Een redelijk handelend arbeidsdeskundige stuurt naar het oordeel van het Tuchtcollege ongevraagd geen correspondentie met een betrokkene naar derden, in dit geval de opdrachtgever tevens werkgever, en de bedrijfsarts. Vooral niet in onderhavige situatie, waarin van verweerder op de hoogte was van de gespannen arbeidsrelatie en het verschil van inzicht met de bedrijfsarts over de FML.
Regel 2 Onafhankelijkheid en onpartijdigheid
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-11-oktober-2005/
Uitspraak 11 oktober 2005
Het is de taak van een registerarbeidsdeskundige om onafhankelijk en zo objectief mogelijk vast te stellen welke arbeid de betrokkene, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen kan verrichten. In het kader van een re-integratieonderzoek betekent dat 8 – mede gezien in het licht van de wet Poortwachter – dat allereerst wordt onderzocht of de betrokkene zijn eigen arbeid – eventueel met aanpassingen – kan verrichten en (zo nee) welke andere passende arbeid bij de werkgever mogelijk is. Daartoe is onderzoek naar die andere passende functies nodig, en is het voorts gewenst de mutaties in die functies in het verleden en de te verwachten veranderingen in de toekomst in kaart te brengen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-11-maart-2008/
Uitspraak 11 maart 2008
De belangen, zowel van werkgevers als van werknemers, waarmee een arbeidsdeskundige beroepshalve wordt geconfronteerd, zijn groot. Zij vormen veelvuldig aanleiding tot ernstige geschillen in en buiten rechte. Een vakbekwaam uitgevoerd arbeidsdeskundig onderzoek kan dat op zich niet voorkomen. Wel mag verwacht worden dat de rapportage en het optreden van een arbeidsdeskundige zodanig zal zijn dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat de rapportage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen of doordat er geen duidelijkheid bestaat over de rol van de arbeidsdeskundige ten opzichte van de onderzochte. Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang dat een arbeidsdeskundige volstrekt helder in zijn rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen op een in de rapportage beschreven wijze en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse hij per onderdeel tot welke conclusies komt. Het is voorts van het allergrootste belang, dat de arbeidsdeskundige zijn onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een noodzakelijke vertrouwensrelatie met de onderzochte niet mogelijk, vervalt de bereidheid zich aan een arbeidsdeskundig onderzoek te onderwerpen en/of de uitkomst daarvan de accepteren. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Deze breed gedragen normen liggen ten grondslag aan de Gedragsregels SRA en zijn eveneens vastgelegd in het Professioneel Statuut (artikel 2). De (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn werkgever of opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben en hoeft daarop ook op zich geen invloed te hebben. De Gedragsregels schrijven in art 2.2 voor hoe de arbeidsdeskundige in een dergelijke situatie heeft te handelen. In het voetspoor daarvan zal de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid dienen te vermijden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-januari-2010/
Uitspraak 22 januari 2010
Door de ontwikkeling op het gebied van sociale zekerheid, waarbij aan werkgevers een grote rol is toebedeeld bij het voorkomen en beperken van arbeidsongeschiktheid van werknemers is ook de rol en de positie van de arbeidsdeskundige veranderd. Mede in het licht van die ontwikkeling heeft de Raad in eerdere uitspraken overwogen dat het van het allergrootste belang is dat de arbeidsdeskundige zijn opdracht en onderzoek objectief, onafhankelijk en onpartijdig uitvoert. Als deze normen niet strikt worden nageleefd is een voor het welslagen van de opdracht noodzakelijke vertrouwensrelatie met de werknemer niet mogelijk. Alsdan vervalt de bereidheid om mee te werken aan een onderzoek resp. re-integratietraject en zal het onderzoek resp. de opdracht niet succesvol kunnen worden uitgevoerd. Het zal ook de maatschappelijke acceptatie van arbeidsdeskundige bevindingen schaden en een negatieve uitstraling hebben op de gehele beroepsgroep van arbeidsdeskundigen. Deze breed gedragen normen liggen ten grondslag aan de Gedragsregels SRA en zijn eveneens vastgelegd in het Professioneel Statuut (artikel 2). De (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben en hoeft daarop ook op zich geen invloed te hebben. De Gedragsregels schrijven in 2.2 voor hoe de arbeidsdeskundige in een dergelijke situatie heeft te handelen. In het voetspoor daarvan zal de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid dienen te vermijden. Doet hij dat niet, dan zal zijn handelen eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-16-maart-2010/
Uitspraak 16 maart 2010
De Raad vindt de bewoordingen van de conclusie van beklaagde dat het onderzoek van klaagster “niet adequaat” is geweest, vrij neutraal en niet grievend. Deze kwalificatie doet geen afbreuk aan de reputatie van klaagster. Het enkele feit dat beklaagde tot een ander oordeel dan klaagster is gekomen, is dat evenmin. Mede naar aanleiding van het verhandelde bij de mondelinge behandeling stelt de Raad vast dat het standpunt van klaagster er op neer komt dat de onderlinge collegialiteit van Register-Arbeidsdeskundigen voor beklaagde een verplichting schiep om in een geval als hier aan de orde (het oordeel van beklaagde als UWV arbeidsdeskundige week af van het oordeel van klaagster als door de werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige) op voorhand contact op te nemen met klaagster. Resteert dus nog de vraag of er sprake is van een schending van de in de eerste volzin omschreven verplichting (= het streven naar het bevorderen van goede collegiale verhoudingen) (Gedragsregels Oud) nu beklaagde niet heeft voldaan aan de door klaagster voorgestane verplichting om op voorhand contact met haar op te nemen ter zake zijn van haar afwijkende arbeidskundige oordeel. De Raad stelt voorop het wellevender te hebben gevonden, indien beklaagde met klaagster contact had opgenomen, om haar mee te delen dat hij tot een ander oordeel was gekomen. Dat oordeel levert echter nog geen schending van de betreffende Gedragsregel (Oud) op.
De Raad kan in de eerste volzin van opgemelde Gedragsregel (Oud) geen verplichting lezen, dat twee arbeidsdeskundigen, die verschillend oordelen over een gelijke casus, daarover onderling contact moeten hebben. Dat staat er niet en vloeit ook niet noodzakelijkerwijs uit deze in de Gedragsregel wel zeer ruim omschreven “verplich ting” voort. Voor de uitleg van deze bepaling acht de Raad richtinggevend de doelstelling van de SRA, te weten het scheppen en in stand houden van waarborgen t.a.v. de kwaliteit van de beroepsuitoefening van arbeidsdeskundigen en het beschermen van de belangen van een ieder in de Nederlandse samenleving, die met de beroepsuitoefening van de Register-arbeidsdeskundige in aanraking komt. In dat kader zijn immers de Gedragsregels SRA opgesteld. Het is zeer goed mogelijk, dat arbeidsdeskundigen – zorgvuldig, deskundig en onpartijdig – tot een verschillend oordeel komen over een zelfde vraag in een zelfde casus. Dit moet niet gemaskeerd, maar juist transparant gemaakt worden. De verschillen van mening zullen toch primair moeten blijken uit de in het verslag van de beide arbeidsdeskundigen beschreven methode van onderzoek en de motivering van hun resultaten. Het is de Raad niet duidelijk, wat het door klaagster bepleite (voor)overleg tussen de twee arbeidsdeskundigen daaraan kan bijdragen. Kritiek op het onderzoek van een collega mag scherp zijn, mits ter zake en fair en goede collegiale verhoudingen brengen o.a. met zich mee dat zulks mogelijk is en gerespecteerd wordt. De Raad acht het denkbaar, dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn, die in afwijking van bovenstaande wél tot voorafgaand onderling overleg nopen. Naar het oordeel van de Raad is in casu van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden die noopten tot het door klaagster verlangde vooroverleg echter niet gebleken.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-28-februari-2011/
Uitspraak 28 februari 2011
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege heeft in het verleden bij herhaling kenbaar gemaakt, dat een arbeidsdeskundige, die onderzoek verricht naar de re-integratiemogelijkheden van een werknemer bij de eigen werkgever, extra kritisch moet zijn op de door werknemer en werkgever aangedragen feiten en omstandigheden, omdat zij dikwijls een tegengesteld belang hebben. Dat kleurt hun relaas, zeker als er ook nog sprake is van een (sluimerend) arbeidsconflict. Beklaagde is daaraan geheel voorbij gegaan. Hij heeft het “arbeidsconflict” juist als uitgangspunt voor zijn oordeel gekozen. Het Tuchtcollege moet daarom vaststellen, dat beklaagde een volstrekt partijdig onderzoek heeft verricht en daarmee de Gedragsregel ten aanzien van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid ernstig heeft geschonden. Zoals het Tuchtcollege in het verleden meerdere malen heeft overwogen is het voor het functioneren van de arbeidsdeskundige beroepsgroep onontbeerlijk, dat degene, die een arbeidsdeskundig onderzoek moet ondergaan, kan vertrouwen op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de arbeidsdeskundige in kwestie.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-rvt-14-februari-2013/
Uitspraak 14 februari 2013
Uit artikel 1 Gedragscode SRA blijkt dat de arbeidsdeskundige bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed – oftewel een redelijk handelend – arbeidsdeskundige in acht 12 neemt, waarbij hij in overeenstemming handelt met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de op dat moment voor arbeidsdeskundigen geldende professionele standaard. Het is in dit verband de taak van een arbeidsdeskundige om onafhankelijk en zo objectief mogelijk vast te stellen welke arbeid de betrokkene, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen nog kan verrichten (Vgl. RvT SRA 11 oktober 2005). De arbeidsdeskundige dient zich onpartijdig op te stellen en de (gezags)relatie tussen de arbeidsdeskundige met zijn werk- of opdrachtgever mag op de strikte naleving van deze beginselen geen invloed hebben. Daarom wordt geacht dat de arbeidsdeskundige binnen en buiten het kader van zijn onderzoek ook de schijn van partijdigheid vermijdt. Wordt deze schijn wél gewekt, dan zal het handelen van de arbeidsdeskundige eveneens in strijd zijn met de Gedragsregels (Vgl. RvT SRA 11 maart 2008) De conclusie dat klager niet geschikt is voor de eigen functie onderschrijft het Tuchtcollege niet voor wat betreft de omvang van het aantal uren dat klager werkzaamheden ten behoeve van werkgever verrichtte voor de arbeidsongeschiktheid. Uit het rapport blijkt immers niet dat beklaagde in ogenschouw heeft genomen dat klager bij werkgever in dienst was voor 36 uur, maar (naar uit het rapport wel blijkt) gemiddeld bijna 50 uur per week werkte. Naar de overtuiging van het Tuchtcollege mag, gegeven die feiten en omstandigheden, van een redelijk handelend arbeidsdeskundige worden verwacht dat hij in de beoordeling de vraag betrekt of klager in staat te achten is om de werkzaamheden die verbonden zijn aan de eigen functie binnen de overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per week te verrichten. Door dat na te laten, heeft beklaagde zijn oordeel omtrent de (on)geschiktheid voor het eigen werk naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende gemotiveerd. Beklaagde heeft voorts een opsomming gegeven van enkele andere functies binnen het eigen bedrijf die hij passend acht. Beklaagde noemt in dat verband – onder meer – de functies van productieleider, ploegchef, KAM manager, medewerker Kwaliteit. Niet blijkt dat hij onderzoek heeft verricht naar de belastbaarheid van die functies. Wat die functies inhouden, laat staan welke deeltaken binnen die functies worden verricht, blijkt niet. Evenmin heeft beklaagde getoetst of de belastbaarheid van klager de belastbaarheid van de als passend geduide functies overschrijdt. Beklaagde heeft aldus volstaan met een opsomming van enkele niet nader onderbouwde functies die hij als passend beschouwt. Ten aanzien van de functies van magazijnchef, KAM coördinator en kwaliteitscontroleur die beklaagde passend acht voor beklaagde buiten het eigen bedrijf, geldt hetzelfde als voor de als passend geduide functies in het eigen bedrijf. Door dit alles na te laten, is beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten (Vgl. RvT SRA 24 november 2003)
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-augustus-2013/
Uitspraak 19 augustus 2013
Het Tuchtcollege acht het in het licht van Artikel 1 Gedragscode van groot belang dat de registerarbeidsdeskundig onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt. Het is naar het oordeel van het Tuchtcollege laakbaar dat beklaagde jegens klager binnen een periode van enkele maanden en zonder enige communicatie met klager daarover verschillende posities jegens klager heeft ingenomen. Het Tuchtcollege stelt vast dat beklaagde niet heeft geverifieerd of de verschillende rollen bij klager duidelijk waren en of daar al dan niet bezwaar tegen bestond . Dat is naar het oordeel van het Tuchtcollege mede van belang omdat voorkomen moet worden dat informatie die aan een arbeidsdeskundige in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige wordt verstrekt, door de arbeidsdeskundige later in een andere hoedanigheid tegen de verstrekker van de informatie wordt gebruikt. Dat is strijdig met Artikel 6 Gedragscode (geheimhouding). Alleen al de schijn dat daarmee in strijd wordt gehandeld moet naar het oordeel van het Tuchtcollege worden vermeden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-2-december-2013/
Uitspraak 2 december 2013
Zoals het Tuchtcollege eerder heeft uitgesproken, acht het Tuchtcollege het in het licht van Artikel 1 van de Gedragscode van groot belang dat de register-arbeidsdeskundige onafhankelijk is en iedere schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling vermijdt. Verwezen wordt naar de uitspraken van het Tuchtcollege (voorheen Raad van Toezicht) van 11 maart 2008 en 19 augustus 2013. Onbetwist is dat de directeur van de werkgever van klager, tevens opdrachtgever van beklaagde, 50% aandeelhouder is van de onderneming van beklaagde en de werkgever en de onderneming van beklaagde op hetzelfde adres zijn gevestigd. Daarmee staat vast dat er tussen de werkgever en beklaagde nog een andere (zakelijke) relatie bestaat dan alleen de relatie van opdrachtgever en register-arbeidsdeskundige.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-27-oktober-2014/
Uitspraak 27 oktober 2014
Het Tuchtcollege is van oordeel dat het enkele feit dat beklaagde tot driemaal toe een arbeidsdeskundig oordeel uitbrengt over het handelen van klaagster als werkgever met betrekking tot dezelfde werknemer en in dienst is van het UWV niet met zich meebrengt, dat wordt gehandeld in strijd met de eisen van objectiviteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid die op grond van artikel 1 Gedragscode aan het handelen van de arbeidsdeskundige worden gesteld.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-maart-2018/
Uitspraak 19 maart 2018 (klacht 17-40/AT)
Door de manier waarop zij klager heeft benaderd, met name ook met haar brief van 13 januari 2016, is zij teveel op de stoel van de werkgever gaan zitten en heeft zij onvoldoende de voor een register-arbeidsdeskundige noodzakelijke distantie betracht. Door klager direct en op een -naar het gevoelen van het Tuchtcollege tamelijk sommerende manier- aan te spreken op de re-integratieplichten, te waarschuwen voor weigering en zelfs maatregelen in de sfeer van stopzetting van loondoorbetaling aan te zeggen, heeft beklaagde zich onvoldoende objectief en onpartijdig opgesteld en werd zij zelf een bron van conflicten. Beklaagde had naar het oordeel van het Tuchtcollege, uit hoofde van de op haar rustende zorgplicht, meer tijd moeten nemen om zich in de situatie en het waarom van het handelen van klager te verdiepen, zich moeten beperken tot een adviserende rol en het uit hoofde van haar onafhankelijkheid als arbeidsdeskundige aan de werkgever moeten overlaten om zo nodig actie richting klager te ondernemen en maatregelen te treffen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-6-december-2018-klacht-18-46-at/
Uitspraak 6 december 2018
Het door beklaagde toegepaste GITHA-systeem geeft, en dat wordt op zich ook niet door klaagster bestreden, een objectief uitgangspunt om de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden vast te stellen en biedt naar het oordeel van het Tuchtcollege als zodanig een, zoals artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA voorschrijft, methode die tot het beoogde doel kan leiden, namelijk een geobjectiveerde en onafhankelijke beantwoording van de door de rechtbank vastgestelde en aan beklaagde voorgelegde vraagstelling. Gezien de door beklaagde onderzochte feiten en omstandigheden en de motivatie van beklaagde, heeft beklaagde zich daarbij naar het oordeel van het Tuchtcollege in redelijkheid ook op het standpunt kunnen stellen dat er voor hem onvoldoende objectieve aanknopingspunten waren om van de standaardverdeling van huishoudelijke taken volgens het GITHA-systeem af te wijken.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-9-mei-2019-klacht-19-49-at/
Uitspraak 9 mei 2019
De omstandigheid dat de werkgever kort voor het gesprek met klager de werkopdracht heeft gewijzigd is naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende om aan te nemen dat beklaagde partijdig is geweest en niet onafhankelijk. Beklaagde heeft klager bovendien geïnformeerd over het feit dat beklaagde in overleg met de opdrachtgever de opzet van de opdracht heeft aangepast. Voorts is niet gebleken dat het beklaagde was die heeft ingezet op een tweede spoortraject. Uit het dossier komt naar voren dat de bedrijfsarts heeft geadviseerd om een tweede spoortraject in te zetten. Beklaagde heeft gemotiveerd gesteld dat hij van mening was dat een tweede spoortraject op dat moment niet deugdelijk onderbouwd kon worden. Of sprake is geweest van een vooraf ingenomen standpunt al dan niet in samenspraak met de werkgever heeft het Tuchtcollege op grond van de feiten niet kunnen vaststellen. Dit onderdeel van de klacht is naar het oordeel van het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-van-24-mei-2019-klacht-19-50-at/
Uitspraak 24 mei 2019
Dat beklaagde bij uitvoering van zijn werkzaamheden niet-onafhankelijk, maar vooringenomen was, blijkt niet uit de aan het Tuchtcollege overgelegde stukken en is door klager naar het oordeel van het Tuchtcollege niet feitelijk onderbouwd. Ook op de zitting bij het Tuchtcollege heeft klager dit niet aan kunnen geven. Het enkele door klager gestelde feit dat beklaagde vaak opdrachten voor dezelfde opdrachtgever uitvoert, maakt naar de opvatting van het Tuchtcollege niet dat een register-arbeidsdeskundige meer onafhankelijk bij uitvoering van zijn werk vooringenomen is.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-20-september-2019/
Uitspraak 20 september 2019
Aan klager kan worden toegegeven dat het risico bestaat dat een zelfstandig arbeidsdeskundige die, naar tussen partijen vaststaat, met enige regelmaat in opdracht van een grote opdrachtgever werkzaamheden verricht als arbeidsdeskundige, de (schijn van) niet-onafhankelijkheid oproept. Maar beklaagde heeft juist zelf die relatie tegenover klager benoemd en, toen beklaagde bezwaar maakte tegen zijn concept-rapport, zijn opdracht teruggeven.
- Dat financiële motieven aan de zijde van beklaagde in deze enige rol hebben gespeeld is niet aannemelijk geworden, laat staan dat beklaagde “Wiens brood men eet diens woord men spreekt” daadwerkelijk inhoud heeft gegeven zoals door klager gesuggereerd. Van belangenverstrengeling is evenmin gebleken. Klager meent ten onrechte te kunnen volstaan met ongegronde verdachtmakingen.
- Beklaagde heeft klager thuis bezocht, klagers “privé-habitat.” Dat is voor een arbeidsdeskundige volstrekt gebruikelijk en gesteld noch gebleken is dat klager daartegen bij gelegenheid van het maken van de bezoekafspraak bezwaar heeft gemaakt.
- De stelling “(beklaagde) misbruikt de schijnzelfstandigheid om zaken geregeld te krijgen die anders niet mogelijk waren geweest” mist iedere onderbouwing.
- Als hiervoor in 3.6.3 reeds aan de orde gekomen, heeft beklaagde het conceptadvies op 8 oktober 2018 naar klager gestuurd om het hem mogelijk te maken dat conceptadvies tijdens het op 9 oktober 2018 geplande overleg van klager met de arbeidsdeskundige van het UWV te bespreken. Daarmee is weerlegd dat beklaagde het proces eenzijdig heeft afgestemd op de wensen van de werkgever van klager.
De grief faalt.
Uitspraak 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)
7.5. Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e van de Gedragscode dat voorschrijft dat de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel moet kunnen leiden, waarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet worden overgeschreden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn die grenzen door beklaagde overschreden en heeft zij niet inzichtelijk kunnen maken hoe, waarom, op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na volledig herstel van klager, kon worden voortgezet en of de gebruikte methode van onderzoek daarvoor nog wel geschikt was.
7.6. Daar komt naar het oordeel van het Tuchtcollege bij dat beklaagde klager, na de hersteld-melding van klager en wijziging van de opdracht, klager onvoldoende heeft meegenomen in het waarom van voortzetting van het onderzoek en het gebruik van de methode ‘Darius Works’. Beklaagde heeft klager op dat moment onvoldoende geïnformeerd en weinig ruimte geboden om een eigen afweging te maken ter zake van de vraag of al dan niet en met welk doel aan voortzetting van het onderzoek zou moeten worden meegewerkt. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over de (in dit geval gewijzigde) opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt dient te weten ten aanzien van het aard en het doel daarvan.
7.7. Verder heeft beklaagde jegens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Uitspraak 26 juni 2020 (zaaknummer: 20/59 AT)
7.5 Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het Tuchtcollege tegelijkertijd van oordeel dat beklaagde zich in de aanloop naar de totstandkoming van de definitieve rapportage van 17 september 2019 onvoldoende bewust is geweest van de zorgvuldigheid die van haar als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. Zoals uit de vaste rechtspraak van het Tuchtcollege blijkt, dient de arbeidsdeskundige er in een situatie als deze op bedacht te zijn, dat de belangen van zowel de werkgever als van de werknemer groot zijn, deze belangen veelvuldig aanleiding zijn tot zijn ernstige geschillen en de rapportage van de arbeidsdeskundige daarbij een belangrijke rol speelt. In dat verband is het van belang dat de arbeidsdeskundige het onderzoek zorgvuldig uitvoert en de rapportage van de arbeidsdeskundige niet een extra bron van conflicten vormt.
7.7 Uit hoofde van haar zorgplicht, haar onafhankelijkheid en de op haar rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat zij, voordat zij haar rapportage aan klager en de werkgever van klager verzond, de tijd en moeite had genomen om aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, naar aanleiding van zijn mail, uitleg te verschaffen over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige en zich daarbij zorgvuldig te vergewissen van de juistheid van de weergave van het gesprek met de werknemer. Zij had daarbij ook het belang voor klager van zijn opmerkingen moeten onderkennen, mede in relatie tot het verslag van het gesprek met de werkgever.
7.9 Kort en goed komen deze klachtonderdelen er op neer, dat beklaagde volgens klager niet op een zorgvuldige wijze heeft onderzocht of er geen andere passende functies bij de werkgever voor handen zijn waarin klager kan re-integreren. Verder klaagt klager er over dat beklaagde in haar rapport niet voldoende beargumenteerd heeft dat er geen andere passende functies bij de werkgever zijn en pas in de versie van de rapportage, na bemiddeling door de Ombudsman, op de door klager aangedragen feiten, suggesties en bevindingen met betrekking tot ander passend werk bij de werkgever is ingegaan.
7.10 Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn deze onderdelen van de klacht gegrond. Gezien het belang voor klager van een gedegen onderzoek naar en afweging van de mogelijkheden voor ander passend werk bij de werkgever en de signalen die klager daar aan beklaagde over gaf, had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht mogen worden dat zij hier zorgvuldig onderzoek naar zou doen en in haar rapportage op een voor klager kenbare wijze zou ingaan op de (mede door klager aangedragen) feiten.
Uitspraak 10 juli 2020 (zaaknummer: 20/18 CAT)
3.1 Volgens de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT), waarvan beroep, verwijt klager beklaagde – kort samengevat – dat zijn rapport (hierna: het deskundigenbericht) onzorgvuldig
3.2. Verder klaagt klager erover dat er op het kantoor van beklaagde geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en hij, ten tijde van verzending van het deskundigenbericht aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.
3.3 Het AT heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klachten ongegrond geoordeeld.
Uitspraak 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)
6.3 Het verweer van beklaagde dat er maar een relatief korte periode is gelegen tussen de Arbeidsdeskundige rapportage juli 2017 en die van november 2017, dat zij in het kader van de rapportage van juli 2017 reeds uitvoerig contact met klager had gehad, dat de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid hetzelfde was gebleven en er slechts sprake was van een aanvulling op de eerdere rapportage, kan en mag naar het oordeel van het Tuchtcollege op geen enkele wijze afdoen aan de verplichting van artikel 2 lid 1 Gedragscode. Van een register-arbeidsdeskundige wordt te allen tijde verlangd dat deze betrokkene vooraf informeert over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan. Dat heeft beklaagde bij het aanvullend onderzoek in november 2017 ten onrechte en naar het oordeel van het Tuchtcollege verwijtbaar nagelaten.
6.6 Door in het kader van het aanvullend onderzoek alleen overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en door klager en zijn zienswijze op geen enkele bij het aanvullend onderzoek te betrekken, schiet de methode van onderzoek waarvoor door beklaagde is gekozen te kort. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, dat, ook als het gaat om een aanvullend onderzoek en al de nodige informatie bekend is, een zodanig zorgvuldig en compleet onderzoek wordt gedaan dat dit onderzoek en de resultaten daarvan de conclusies kunnen dragen.
6.7 Bovendien is beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege jegens klager tekort geschoten in de zorg die zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend jegens klager had moeten betrachten.
6.10 Door haar handelwijze heeft beklaagde zich naar de mening van het Tuchtcollege onbedoeld in een positie gebracht dat zij onderdeel werd van het conflict tussen klager en zijn werkgever. Bovendien heeft zij door bij haar onderzoek enkel overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en niet met klager onbedoeld de schijn van onvoldoende objectiviteit, onvoldoende onafhankelijkheid en partijdigheid gewekt. Van een register-arbeidsdeskundige wordt juist een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht om dat te voorkomen.
Uitspraak 30 juli 2020 (zaaknummer: 20/60 AT)
7.9 Het Tuchtcollege stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat beklaagde op de hoogte was van het tussen klaagster en haar werkgever lopende kort geding dat zou dienen op 31 oktober 2019. Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Tegen deze achtergrond en op grond van zijn wetenschap paste beklaagde uiterste terughoudendheid om op verzoek van de werkgever de arbeidsdeskundige conceptrapportage reeds op 29 oktober 2019 op te leveren, met het risico dat werkgever deze conceptrapportage kon gebruiken in de aanhangige gerechtelijke procedure.
7.10 Dit klemt temeer nu beklaagde deze conceptrapportage tegelijkertijd naar klaagster en haar werkgever heeft gestuurd, zodat klaagster niet in de gelegenheid is gesteld tijdig op mogelijk feitelijke onjuistheden in de conceptrapportage te reageren.
7.11 Door op die wijze te handelen heeft beklaagde zich onvoldoende rekenschap gegeven van het risico dat zijn conceptrapportage als bewijsstuk zou dienen in die gerechtelijke procedure. Hij heeft minst genomen daarmee de schijn gewekt dat zijn rapportage, waaraan door de rechter belang en mogelijk bewijskracht kan worden gehecht, als partij-instrument zou dienen in het lopende arbeidsgeschil terwijl partijen het over de inhoud van deze rapportage nog niet eens waren. Daarmee is beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige in zijn zorgplicht jegens klaagster tekortgeschoten.
7.41 Uit de rapportage blijkt dat beklaagde zich heeft gebaseerd op de beperkingen zoals door de bedrijfsarts opgenomen in diens FML d.d. 9 oktober 2019. Beklaagde heeft voorts meermaals contact gehad met de bedrijfsarts.
7.42 Het Tuchtcollege overweegt dat beklaagde aan de hand van deze contacten en de inlichtingen die klaagster hem heeft verstrekt in haar e-mail van 21 oktober 2019 over de achterliggende problematiek van ongewenste intimiteiten en een onveilig werkklimaat, blijk heeft gegeven onvoldoende oog te hebben voor deze problematiek. Beklaagde heeft deze problematiek ook niet zichtbaar betrokken in zijn onderzoek, althans daarvoor heeft het Tuchtcollege geen aanknopingspunten kunnen vinden in de rapportage.
7.46 Tegen deze achtergrond is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde zich bij de uitvoering van de opdracht onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de achterliggende problematiek. Beklaagde heeft daarentegen in zijn gerichtheid op de uitvoering van de opdracht geen veiligheid geboden aan klaagster, geen vertrouwen opgebouwd en haar geen of onvoldoende humanitaire aandacht gegeven. Het Tuchtcollege laat meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd.
Uitspraak 26 augustus 2020 (zaaknummer: 20/62 AT)
6.2 Het Tuchtcollege stelt vast, dat de taak en verantwoordelijkheid van beklaagde jegens klager beperkt was tot uitsluitend de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager. Daar heeft beklaagde klager, zowel bij de start als herhaalde malen gedurende de begeleiding, naar het oordeel van het Tuchtcollege duidelijk en zorgvuldig over geïnformeerd. Daarbij heeft beklaagde zich steeds (mogen) laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie tweede spoor (nog) aan de orde was. Dat klager de mening was toegedaan, dat re-integratie tweede spoor niet (meer) aan de orde was, maar hij gere-integreerd diende te worden in het eigen werk, doet daar niet aan af. Zoals beklaagde klager een en ander maal en naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht heeft uitgelegd, was zij in die discussie geen partij en diende zij, zo lang dit volgens de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige rapportages nog aan de orde was, uitvoering te geven aan haar taak om klager te begeleiden bij de re-integratie tweede spoor.
6.3 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft klager aan deze taak en verantwoordelijkheid, ondanks de spanningsvolle situatie waarin zij moest werken, op een jegens klager zeer zorgvuldige en respectvolle wijze uitvoering gegeven… Het verwijt van klager dat beklaagde zich niet heeft laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid en geen toenaderingsverantwoordelijkheid heeft getoond, acht het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
6.4 Ook het verwijt van klager dat beklaagde haar taak niet op een onafhankelijke en objectieve wijze heeft vervuld, acht het Tuchtcollege ongegrond.
6.7 Wel geeft het Tuchtcollege aan beklaagde in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit in de vorm van een overweging ten overvloede mee, dat wanneer zij de re-integratiebegeleiding verzorgt in een dossier waarin haar compagnon reeds arbeidsdeskundig werk verrichtte, zij zich zeer bewust dient te zijn van het belang om in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit aan betrokkenen aan te geven welke ten opzichte van haar compagnon andere taak en verantwoordelijkheid zij heeft.
Uitspraak 14 mei 2021 (zaaknummer: 2020-26 CAT)
3.8.1 Het college verwerpt het uitgangspunt van klaagster dat verweerder niet onpartijdig heeft gehandeld een feit is. “Niet onpartijdig” kan de conclusie zijn van het waarderen van de feiten en omstandigheden van de voorliggende casus (het dossier) het is géén feit op zichzelf.
Uitspraak 12 januari 2022 (zaaknummer: 21-70/AT)
6.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij, zonder toestemming van klaagster en daardoor op onrechtmatige wijze, informatie over klaagster heeft verzameld, beschikt heeft over persoonsgegeven van klaagster, van deze gegevens gebruik heeft gemaakt bij zijn onderzoek en deze gegevens heeft geïnterpreteerd (klachtonderdelen aI en bII).
6.3. Deze onderdelen van de klacht zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Het gaat hier om (persoons)gegevens die door de werkgever van klaagster in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek aan verweerder zijn verstrekt. Deze gegevens zijn door verweerder naar de mening van het Tuchtcollege vervolgens enkel gebruikt en verwerkt verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld, namelijk het doen van arbeidsdeskundig onderzoek. Het gebruik en de verwerking van de gegevens was ook noodzakelijk om de opdracht tot het doen van arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren.
6.7 Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan een arbeidsdeskundige de aard van de arbeidsrelatie tussen een betrokkene en de werkgever wel degelijk meenemen in zijn overwegingen bij de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden. Dit kan immers een voor de re-integratie en werkhervatting belemmerend aspect zijn. Verweerder is daarmee volgens het Tuchtcollege niet buiten zijn deskundigheidsgebied getreden.
6.10 De arbeidsdeskundige heeft de morele plicht om de cliënt te respecteren en alle relevante informatie te verschaffen. De arbeidsdeskundige heeft een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven.
6.14. De hiervoor beschreven handelwijze van verweerder brengt met zich mee dat verweerder bij het opstellen van zijn rapportage uitsluitend beschikte over de informatie van de werkgever. Verweerder heeft deze informatie niet geverifieerd bij klaagster en zich er, door het ontbreken van contact met klaagster, ook niet van vergewist of deze informatie volledig, actueel en betrouwbaar was. Dat brengt ook het risico met zich mee dat het definitieve rapport van verweerder onjuiste feiten en onvoldoende geverifieerde aannames bevat. Daarmee is door verweerder gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (vergaarde informatie) en artikel 3 aanhef en onder b en c Gedragscode SRA (eisen aan rapportages).
6.16. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheid aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat verweerder bij zijn handelwijze niet onafhankelijk was. Wel heeft verweerder door zijn wijze van handelen en de manier waarop hij de belangen en positie van klaagster heeft veronachtzaamd naar het oordeel van het Tuchtcollege de schijn van partijdigheid gewekt. Daarmee heeft verweerder niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige betracht en gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA.
Uitspraak 23 februari 2023 (zaaknummer: 22-72/AT)
6.3 Er is door verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege een zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek gedaan. Er is overleg gepleegd met de bedrijfsarts, er heeft in voldoende mate hoor en wederhoor plaatsgevonden en voordat het rapport definitief is gemaakt is er gelegenheid geboden om op het concept daarvan te reageren. Ten slotte is door verweerder ook nog de fysieke werkplek van klager bezocht. Dat klager het onderzoek onvoldoende vindt en zich met de conclusies van verweerder niet kan verenigen, brengt niet met zich mee dat verweerder niet onafhankelijk te werk is gegaan. Het enkele feit dat de medewerker van het UWV en verweerder elkaar kennen en verweerder vaker in opdracht van de werkgever van klager handelt en er in die zin een relatie bestaat met vertegenwoordigers van werkgever, maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet, dat gesproken kan worden van belangenverstrengeling.
6.6 Wel onzorgvuldig en in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, acht het Tuchtcollege het feit, dat verweerder zonder toestemming van klager, de vertegenwoordigers van werkgever en de bedrijfsarts in de mailwisseling met klager is gaan betrekken. Een redelijk handelend arbeidsdeskundige stuurt naar het oordeel van het Tuchtcollege ongevraagd geen correspondentie met een betrokkene naar derden, in dit geval de opdrachtgever tevens werkgever, en de bedrijfsarts. Vooral niet in onderhavige situatie, waarin van verweerder op de hoogte was van de gespannen arbeidsrelatie en het verschil van inzicht met de bedrijfsarts over de FML.
Regel 3 Vertrouwelijkheid
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-1-28-maart-2007/
Uitspraak 28 maart 2007
Cliënten dienen op de hoogte te zijn van de regels waaraan de arbeidsdeskundige zich heeft te houden. Het past niet meer in de huidige tijd om cliënten informatie te onthouden, vlg. o.a. de ontwikkelingen binnen de medische wereld. Denkbaar is het evenwel dat het vooraf geven van alle informatie de begeleiding van een cliënt kan bemoeilijken, zo niet onmogelijk kan maken. In een dergelijk geval kunnen er dus gegronde redenen zijn om af te wijken van het grondbeginsel dat vooraf alle informatie wordt verstrekt. Vandaar de formulering in punt 3.1 (Oud) dat informatieverstrekking vooraf in beginsel verplicht is. Over het algemeen zal voor wat betreft het klachtrecht aan de informatieverplichting zijn voldaan indien wordt verwezen naar een brochure waarin de rechten van de cliënt zijn beschreven. Van beklaagde mocht worden verwacht dat hij deze opdracht helder en duidelijk toelicht. Vaststaat dat klaagster pas ultimo 2006 heeft kennis genomen via een omweg van de volledige tekst en toelichting van de opdracht. Zij stelt thans dat zij stellig geweigerd zou hebben aan een dergelijk geformuleerde opdracht zonder meer mee te werken, indien zij vóór het arbeidsdeskundig onderzoek van deze opdracht zou hebben kennis genomen. De Raad is van oordeel dat deze vragen en achtergrond voorafgaande aan het onderzoek door beklaagde kenbaar gemaakt had moeten worden aan klaagster, teneinde, eventueel na overleg met een raadsman, goed gemotiveerd en goed voorbereid te kunnen besluiten om niet, geheel of gedeeltelijk, aan het onderzoek mee te werken. De arbeidsdeskundige beperkt zich bij het verwerven en verstrekken van informatie, van respectievelijk over de cliënt tot die feiten en omstandigheden, die noodzakelijk zijn voor de aard, doel en inhoud van het onderzoek. De verstrekte informatie wordt door de arbeidsdeskundige vertrouwelijk behandeld. Hij maakt hiervan slechts gebruik voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de aan hem verstrekte opdracht.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-januari-2010/
Uitspraak 22 januari 2010
De deskundigheid van de arbeidsdeskundige en de zorgvuldigheid die hij als arbeidsdeskundige in acht heeft te nemen leiden ertoe dat hij op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen conform relevante bevindingen rapporteert. Hij vermeldt de gronden waarop zijn conclusies berusten. In het kader daarvan is het belangrijk dat er een goed en volledig beeld bestaat van alle beperkingen van klaagster in relatie tot de belasting van het eigen (aangepaste) werk. Klaagster heeft beklaagde deelgenoot gemaakt van een bepaalde aandoening die zeker van invloed kan zijn op de mogelijkheden van klaagster om op een bepaalde manier te moeten werken. Klaagster was ervan op de hoogte dat de arbeidsdeskundige rapportage aan haar werkgever ter kennis zou worden gebracht en heeft geen voorbehoud gemaakt ter zake het vermelden van de door haar genoemde aandoening. Het vermelden door beklaagde in zijn rapportage dat er bij klaagster sprake was van een aandoening die van invloed zou kunnen zijn bij de beroepsuitoefening van klaagster is dan ook niet in strijd met de hierboven vermelde Gedragsregel.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-5-maart-2010/
Uitspraak 5 maart 2010
De Raad is van oordeel dat deze klacht ongegrond is. Beklaagde heeft de beschikking gekregen over de door de bedrijfsarts opgestelde FML, die overigens geen medische gegevens bevat. Op de FML wordt aangegeven welke fysieke en psychische beperkingen er bij een arbeidsongeschikte werknemer zijn om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren. In het kader van de Wet Verbetering Poortwachter hebben werkgever en werknemer over en weer een verplichting om mee te werken aan re-integratie. Om aan die verplichting te kunnen voldoen zal de werkgever inzicht moeten hebben in de bij de werknemer bestaande klachten en beperkingen. Indien de werkgever zich ter zake zijn verplichting tot re-integratie laat adviseren en bijstaan door een arbeidsdeskundige, zal ook de laatst genoemde kennis moeten hebben van de bij de werknemer aanwezige fysieke en psychische beperkingen om gedurende een hele werkdag te functioneren. De i.c. door de bedrijfsarts opgestelde FML verschaft de arbeidsdeskundige die kennis. Er is in het licht van het bovenstaande dan ook geen sprake van door beklaagde illegaal verkregen verouderde (medische) gegevens, temeer nu de FML pas één maand oud was toen die in het bezit kwam van beklaagde. Wat dit laatste aspect betreft staat bovendien onomstreden vast dat beklaagde, nadat zij in het bezit is gekomen van de FML, nog enkele keren telefonisch contact heeft gehad met de bedrijfsarts die haar adviseerde om samen met klaagster te onderzoeken in hoeverre de FML nog actualiteitswaarde had. Het is vervolgens klaagster zelf geweest die een gesprek met beklaagde over de in de FML opgenomen beperkingen uit de weg is gegaan, hoewel zij tot het voeren van een dergelijk gesprek (medisch gezien) zowel door de bedrijfsarts als door haar psycholoog in staat werd geacht.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-07-rvt-24-september-2012/
Uitspraak 24 september 2012
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege laat bij de beoordeling van dit klachtonderdeel evenwel in het middel wie nu precies de opdrachtgever tot het psychodiagnostisch onderzoek geweest is. Immers, zelfs uitgaande van de lezing van beklaagde dat hij niet de opdrachtgever was, maar de school en beklaagde het rapport (in zijn optiek) aldus slechts ter informatie ontving, dan nog acht het Tuchtcollege onjuist dat beklaagde het rapport heeft verspreid en heeft opgenomen in het digitale verzuimprogramma. Dat lag immers (ook dan) niet op zijn weg, omdat de school als opdrachtgever daar – in zijn eigen lezing – reeds over beschikte. Daarbij wijst het Tuchtcollege er op dat beklaagde ter zitting heeft verklaard dat hij er van uitging dat de school (ook) een exemplaar van het rapport had ontvangen. Beklaagde moet als arbeidsdeskundige geheimhouding betrachten van de hem toevertrouwde gegevens, zoals artikel 6 van de Gedragscode SRA bepaalt. Blijkens de toelichting op artikel 6 mag de arbeidsdeskundige alleen die gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn ter beoordeling van de aanspraak. Beklaagde heeft er noch in zijn schriftelijke verweer, noch ter zitting blijk van gegeven dat hij deze afweging gemaakt heeft.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-rvt-14-februari-2013/
Uitspraak 14 februari 2013
Klager heeft voorts geklaagd over schending van de geheimhoudingsverplichting. Tot uitgangspunt geldt in dat verband artikel 6 Gedragscode SRA, waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige geheimhouding betracht van de hem toevertrouwde gegevens. Blijkens de toelichting op dit artikel mag de arbeidsdeskundige alleen die gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn ter beoordeling van de aanspraak. De Gedragscode SRA volgt daarbij de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). In dat verband wijst het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege op er dat beklaagde – kort gezegd – de volgende vragen werden gesteld: i) wat zijn de re-integratiemogelijkheden van klager bij de eigen werkgever, en indien dit niet mogelijk is; ii) welke mogelijkheden zijn er voor klager elders op de arbeidsmarkt; iii) wat is de beste re-integratieroute. Gelet op het voorgaande dient beklaagde, als redelijk handelend arbeidsdeskundige, de afweging te maken welke gegevens hij noodzakelijk acht om op te nemen in zijn rapport. Zoals ook blijkt uit de toelichting op art. 6 Gedragscode SRA, is voor het verwerken van (alleen) die gegevens de machtiging van klager niet nodig. Er bestond geen noodzaak om andere gegevens omtrent de belastbaarheid van klager op te nemen, dan de door de arts vastgestelde beperkingen (die beklaagde overigens ook in zijn rapport heeft opgenomen) (Vgl. RvT SRA 19 oktober 2012 en 6 april 2009). Beklaagde heeft meer en andere gegevens in zijn rapport opgenomen dan die welke nodig waren ter beantwoording van de gestelde vragen. Daarbij is het een misvatting dat het slechts zou gaan om verwerking van medische gegevens. Artikel 21 van de WBP verbiedt in dit verband immers elke verwerking van persoonsgegevens die het noodzakelijke te boven gaat. In het rapport dat aan de klacht ten grondslag ligt zijn passages te lezen dat klager naar zijn mening “getypeerd kan worden als een hard werkende, loyale medewerker met een perfectionistische inslag die niet in staat leek te zijn om uitsluitend te managen maar naar eigen inzicht geregeld even bijsprong om processen niet te laten frustreren” en “het leveren van rapportages ten behoeve van het management liep geregeld vertraging op” wat klager leek te compenseren met het maken van lange werkdagen” en “zoals ik het nu kan inschatten is de uitvoer van het werk op de laatste momenten meer op ad hoc basis geweest”. Al deze passages typeren naar het oordeel van het Tuchtcollege dat beklaagde ten onrechte voorbij heeft gezien dat beklaagde ter beantwoording van de vragen slechts de weging moet maken tussen de belastbaarheid van de functie(s) tegenover de belastbaarheid van betrokkene. En niet meer dan dat. Daarbij komt nog, dat beklaagde desgevraagd ter zitting heeft beaamd dat een en ander niet heeft meegewogen in zijn arbeidsdeskundige beoordeling. Dat betekent dus dat de verwerking van de bedoelde gegevens (ook naar de eigen overtuiging van beklaagde) niet nodig is geweest. Daarmee staat aldus vast dat beklaagde zijn geheimhoudingsverplichting heeft geschonden. Ten slotte gaat het Tuchtcollege in op de verspreiding van het rapport. Het rapport dat beklaagde heeft opgesteld is, naar inmiddels wel vast staat tussen partijen, naar klager en zijn werkgever gezonden. De stelling van beklaagde dat hij doorgaans verifieert of de werknemer is gewezen op het inzagerecht, ontgaat het Tuchtcollege. Nog daargelaten, dat in het algemeen de vraag rijst of het inzagerecht wel van toepassing is op de werkzaamheden van arbeidsdeskundigen, mist het recht in dit geval toepassing. Het gaat immers om een onderzoek in verband met een lopende arbeidsverhouding. Bovendien is gesteld, noch gebleken dat beklaagde en klager met elkaar zijn overeengekomen dat beklaagde een conceptrapport zou opstellen en dat (als eerste) aan klager zou voorleggen. Dat strookt overigens ook niet met de door beklaagde ter zitting geschetste handelswijze. Naar beklaagde immers onbestreden heeft gesteld, laat hij de verzending van zijn rapporten over aan bureau X, en is gebleken dat bureau X diens rapporten direct aan werknemer en werkgever zendt. Het Tuchtcollege wijst er in dit verband overigens, ten overvloede, op dat de Gedragscode SRA ook niet tot het vervaardigen van een conceptrapport verplichten. Dat het rapport aan werkgever en werknemer is verzonden, is dan ook op zichzelf tuchtrechtelijk niet aan beklaagde verwijtbaar.
Uitspraak 23 februari 2023 (zaaknummer: 22-72/AT)
6.3 Er is door verweerder naar het oordeel van het Tuchtcollege een zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek gedaan. Er is overleg gepleegd met de bedrijfsarts, er heeft in voldoende mate hoor en wederhoor plaatsgevonden en voordat het rapport definitief is gemaakt is er gelegenheid geboden om op het concept daarvan te reageren. Ten slotte is door verweerder ook nog de fysieke werkplek van klager bezocht. Dat klager het onderzoek onvoldoende vindt en zich met de conclusies van verweerder niet kan verenigen, brengt niet met zich mee dat verweerder niet onafhankelijk te werk is gegaan. Het enkele feit dat de medewerker van het UWV en verweerder elkaar kennen en verweerder vaker in opdracht van de werkgever van klager handelt en er in die zin een relatie bestaat met vertegenwoordigers van werkgever, maakt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet, dat gesproken kan worden van belangenverstrengeling.
6.6 Wel onzorgvuldig en in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, acht het Tuchtcollege het feit, dat verweerder zonder toestemming van klager, de vertegenwoordigers van werkgever en de bedrijfsarts in de mailwisseling met klager is gaan betrekken. Een redelijk handelend arbeidsdeskundige stuurt naar het oordeel van het Tuchtcollege ongevraagd geen correspondentie met een betrokkene naar derden, in dit geval de opdrachtgever tevens werkgever, en de bedrijfsarts. Vooral niet in onderhavige situatie, waarin van verweerder op de hoogte was van de gespannen arbeidsrelatie en het verschil van inzicht met de bedrijfsarts over de FML.
Regel 4 Deskundigheid
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/?y=2002
Uitspraak 27 mei 2002
De gedragsregels schrijven voor dat de arbeidsdeskundige zich onthoudt van methoden van onderzoek en/of begeleiding welke niet stroken met de algemene normen van fatsoen. De arbeidsdeskundige betracht daarbij de nodige zorgvuldigheid en deskundigheid. De Raad is van oordeel dat beklaagde deze gedragsregel in ernstige mate heeft overtreden. Beklaagde heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling en is zowel ten opzichte van klaagster als zijn oorspronkelijke opdrachtgever Y in gebreke gebleven met het geven van volledige en juiste informatie over de diverse rollen die hij gaandeweg op zich is gaan nemen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-januari-2010/
Uitspraak 22 januari 2010
De deskundigheid van de arbeidsdeskundige en de zorgvuldigheid die hij als arbeidsdeskundige in acht heeft te nemen leiden ertoe dat hij op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen conform relevante bevindingen rapporteert. Hij vermeldt de gronden waarop zijn conclusies berusten. In het kader daarvan is het belangrijk dat er een goed en volledig beeld bestaat van alle beperkingen van klaagster in relatie tot de belasting van het eigen (aangepaste) werk. Klaagster heeft beklaagde deelgenoot gemaakt van een bepaalde aandoening die zeker van invloed kan zijn op de mogelijkheden van klaagster om op een bepaalde manier te moeten werken. Klaagster was ervan op de hoogte dat de arbeidsdeskundige rapportage aan haar werkgever ter kennis zou worden gebracht en heeft geen voorbehoud gemaakt ter zake het vermelden van de door haar genoemde aandoening. Het vermelden door beklaagde in zijn rapportage dat er bij klaagster sprake was van een aandoening die van invloed zou kunnen zijn bij de beroepsuitoefening van klaagster is dan ook niet in strijd met de hierboven vermelde Gedragsregel.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-07-rvt-24-september-2012/
Uitspraak 24 september 2012
Beklaagde heeft in zijn arbeidsdeskundig verslag van 3 november 2010 aangegeven dat klager (a) op hem een “gespannen indruk” maakt en klager (b) liet weten dat uit eerdere testonderzoeken was gebleken dat hij beschikte over een bovengemiddelde intelligentie. Beklaagde stelt voorts (c) dat de frustraties van klager daardoor te verklaren waren. Voorts betoogt beklaagde in zijn rapport dat er (d) regelmatig waarnemingsverschillen en communicatieproblemen waren tussen klager en de school. Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege neemt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel tot uitgangspunt dat de arbeidsdeskundige in zijn advisering niet de stoel van de bedrijfsarts mag gaan zitten (Vgl. RvT SRA 13 december 2004). De arbeidsdeskundige dient zich voorts te beperken tot het arbeidsdeskundig terrein en dient zijn oordelen niet te baseren op eigen medische of psychologische argumenten. Dat impliceert niet alleen, dat hij zich dient te onthouden van een onderzoek waarvoor hij specifieke deskundigheid mist. De arbeidsdeskundige dient zich voorts te beperken tot het specifieke arbeidsdeskundig terrein. Zo mag hij zijn arbeidsdeskundig oordeel niet baseren op eigen medische, psychologische of juridische argumentatie (Vgl. RvT SRA 28 februari 2011). Gelet hierop is het Tuchtcollege van oordeel dat het, gelet op ieder van de hierboven onder a tot en met d beschreven elementen voor zich, maar in ieder geval gezamenlijk, op de weg van beklaagde had gelegen om contact te leggen met de bedrijfsarts. Nog daargelaten dat, zoals beklaagde ter zitting heeft verklaard, uit het psychodiagnostisch onderzoek naar voren kwam dat klager beperkt was voor het verrichten van arbeid in een mensrijke omgeving, respectievelijk slechts in staat was om solitaire functies te kunnen uitoefenen. Anders dan beklaagde betoogt, is een dergelijke vaststelling niet anders op te vatten dan als vaststelling van beperkingen ter uitoefening van de beroepswerkzaamheden. Die vaststelling is voorbehouden aan een bedrijfs- of verzekeringsarts, althans niet aan een arbeidsdeskundige.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-rvt-14-februari-2013/
Uitspraak 14 februari 2013
Het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kan op zichzelf onderschrijven dat de arbeidsdeskundige beoordeling een momentopname is. Dat neemt echter niet weg dat een arbeidsdeskundige moet voorkomen dat zijn rapport en het optreden zodanig zijn dat deze op zich een bron van conflicten wordt, doordat de rapportgage geen duidelijkheid verschaft over de wijze waarop een arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen (Vgl. RvT SRA 11 maart 2008). In dit verband acht het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege het ongelukkig dat beklaagde in zijn rapport (op zichzelf geheel terecht) de FML heeft overgenomen, maar met daarbij specifiek de kanttekening dat hij daarmee “de belangrijkste relevante beperkingen” heeft weergegeven. Beklaagde doet daarmee voorkomen alsof hij onderscheid heeft gemaakt tussen beperkingen die hij wel en beperkingen die hij niet relevant vindt. De arbeidsdeskundige mag in zijn advisering evenwel niet op de stoel van de bedrijfsarts gaan zitten (Vgl. RvT SRA 13 december 2004). Voorts dient een arbeidsdeskundige zich te onthouden van een onderzoek waarvoor hij specifieke deskundigheid mist, en mag hij zijn arbeidsdeskundig oordeel niet baseren op eigen medische, psychologische of juridische argumentatie (Vgl. RvT SRA 28 februari 2011). Van een redelijk handelend arbeidsdeskundige mag naar het oordeel van de Raad verwacht worden dat hij een deugdelijke uiteenzetting geeft van de (deeltaken die behoren bij de) functies die hij als passend duidt, en deze afweegt tegen de belastbaarheid van de betrokkene en dat hij die afweging zorgvuldig neerlegt in zijn rapport. Dit alles heeft beklaagde nagelaten. Uit het rapport van beklaagde blijkt niet, laat staan gemotiveerd, op welke gronden zijn conclusies dat de arbeid passend is, rusten. Beklaagde heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij van oordeel is dat het al dan niet geschikt zijn voor een functie geen onderdeel is van de arbeidsdeskundige beoordeling. Dat getuige naar het oordeel van het Tuchtcollege van een te smalle opvatting van zijn beroep. Beklaagde verliest immers uit het oog dat het juist aan hem als arbeidsdeskundige is om de weging te maken tussen de belasting van de functies versus de belastbaarheid van klager. Dat heeft hij aldus niet gedaan. Dat kan beklaagde ook niet, omdat uit het rapport evenmin blijkt welke eisen aan de geduide functies worden gesteld. Het Tuchtcollege acht dit alles tuchtrechtelijk verwijtbaar.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-22-oktober-2014/
Uitspraak 22 oktober 2014
Klager wijst ook de “Rapportage bedrijfsarts” van 24 mei 2012 (bijlage A28 van klager) waarin als vraagstelling van beklaagde aan de bedrijfsarts is opgenomen: “Wn acht zichzelf niet in staat tot gesprekken met werkgever, ik acht hem daar wel toe in staat. Wat is de visie van de BA?”. Een zelfde vraagstelling is opgenomen in de notitie “Actie/verslag” van 4 mei 2012 van beklaagde (bijlage A26+27). Ten slotte meent klager dat beklaagde in de “Rapportage Monitoring Probleemanalyse” van 24 februari 2012 zich een medisch oordeel aanmeet met zijn opmerking, dat “de situatie erg ziekmakend” is voor werknemer. Naar het oordeel van het Tuchtcollege klaagt klager er terecht over, dat beklaagde zich met deze opmerkingen en vraagstelling inderdaad medische oordelen heeft aangemeten en zich niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als arbeidsdeskundige. Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder d van de Gedragscode en is deze klacht ook gegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-maart-2018-2/
Uitspraak 19 maart 2018 (klacht 17-38/AT)
Nog afgezien van het feit dat de arbeidsdeskundige binnen de marges van zijn deskundigheid bij de verwoording van zijn beoordeling van de geschiktheid van passend werk, naar het oordeel van het Tuchtcollege een ruime mate vrijheid heeft in de wijze waarop hij dit verwoordt en daarbij niet algemeen verplicht kan worden geacht om aanvullingen van betrokkenen bij het rapport over te nemen, is de handelwijze van beklaagde ook in dit specifieke geval niet onzorgvuldig te noemen. Op grond van goede en deugdelijke redenen heeft beklaagde er naar de mening van het Tuchtcollege in dit geval voor kunnen kiezen om de door klager aangevoerde passage niet over te nemen dan wel te verwerken op een andere plaats in het rapport. De klacht treft volgens het Tuchtcollege geen doel.
Uitspraak 9 december 2019
6.6. Van beklaagde wordt, krachtens het hiervoor genoemde artikel 3 aanhef en lid 5 Gedragscode SRA, verlangd dat hij blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Beklaagde kon en mocht dan ook niet treden in de vraag of de rapportage van verzekeringsarts en het commentaar van klager daarop juist is. De arbeidsdeskundige treedt niet in de medische beoordeling. Beklaagde diende, zoals ook de uitdrukkelijke opdracht van de rechtbank was, de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt te nemen. Zijn commentaar op de rapportage van de verzekeringsarts diende klager in de procedure bij de rechtbank aan de orde te stellen. Beklaagde kon en mocht daar naar het oordeel van het Tuchtcollege niet op ingaan.
Uitspraak 19 februari 2020 (zaaknummer: 19/57 AT)
6.2 Nu de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling is genomen, treft de klacht dat beklaagde in 2016 niet beschikte over de benodigde stukken en informatie bij de behandeling van het aangevraagde deskundigenoordeel (geen concrete functie- en taakbeschrijving van de formele functie van klager in 2013) en geen oordeel is gegeven over de re-integratie-inspanningen (rekening houdend met het werken in concernverband) geen doel. De aanvraag deskundigenoordeel is immers niet inhoudelijk door beklaagde behandeld, maar op formele gronden niet in behandeling genomen.
6.4 Het Tuchtcollege heeft ter zitting vastgesteld, dat tussen klager en beklaagde niet ter discussie staat dat klager beklaagde op 19 september 2016 in de middag heeft teruggebeld (volgens beklaagde nadat hij op 12 en 19 september al had geprobeerd om klager telefonisch te bereiken, maar geen gehoor kreeg) en beklaagde zijn beslissing om de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling te nemen aan klager heeft toegelicht.
6.5 Ook overigens is het Tuchtcollege niet gebleken dat beklaagde jegens klager in strijd met de Gedragscode SRA heeft gehandeld.
Uitspraak 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)
7.5. Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e van de Gedragscode dat voorschrijft dat de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel moet kunnen leiden, waarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet worden overgeschreden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn die grenzen door beklaagde overschreden en heeft zij niet inzichtelijk kunnen maken hoe, waarom, op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na volledig herstel van klager, kon worden voortgezet en of de gebruikte methode van onderzoek daarvoor nog wel geschikt was.
7.6. Daar komt naar het oordeel van het Tuchtcollege bij dat beklaagde klager, na de hersteld-melding van klager en wijziging van de opdracht, klager onvoldoende heeft meegenomen in het waarom van voortzetting van het onderzoek en het gebruik van de methode ‘Darius Works’. Beklaagde heeft klager op dat moment onvoldoende geïnformeerd en weinig ruimte geboden om een eigen afweging te maken ter zake van de vraag of al dan niet en met welk doel aan voortzetting van het onderzoek zou moeten worden meegewerkt. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over de (in dit geval gewijzigde) opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt dient te weten ten aanzien van het aard en het doel daarvan.
7.7. Verder heeft beklaagde jegens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Uitspraak 10 juli 2020 (zaaknummer: 20/18 CAT)
3.1 Volgens de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT), waarvan beroep, verwijt klager beklaagde – kort samengevat – dat zijn rapport (hierna: het deskundigenbericht) onzorgvuldig
3.2. Verder klaagt klager erover dat er op het kantoor van beklaagde geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en hij, ten tijde van verzending van het deskundigenbericht aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.
3.3 Het AT heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klachten ongegrond geoordeeld.
Uitspraak 18 november 2020 (zaaknummer: 20/63 AT)
6.7 Gezien deze feiten en omstandigheden leidt de (enkele) vermelding van de titel van gecertificeerd register-arbeidsdeskundige onder verschillende e-mailberichten van klaagster, in dit geval niet tot het oordeel dat sprake is van handelen in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige. De feiten en omstandigheden liggen wat dat betreft anders dan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de uitspraak van het Tuchtcollege van 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT).
6.8 Ten overvloede en in het belang van de kwaliteit en professionalisering van het vak van arbeidsdeskundige wijst het Tuchtcollege er ten overvloede wel op, dat een arbeidsdeskundige die geregistreerd is als register-arbeidsdeskundige verwarring door het gebruik van de titel moet voorkomen en het in dat verband van wijsheid en zorgvuldigheid getuigt om de titel in het geheel niet te gebruiken, ook niet als automatische digitale handtekening, als niet als register-arbeidsdeskundige wordt gehandeld.
6.9 Op grond hiervan komt het Tuchtcollege tot het oordeel dat verweerster jegens klaagster inderdaad niet heeft gehandeld in de hoedanigheid van arbeidsdeskundige, er daarom geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 1 Tuchtreglement en de klacht van klaagster daarom niet- ontvankelijk dient te worden verklaard.
Regel 5 Informatieplicht
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/?y=1997
Uitspraak 22 oktober 1997
De grondgedachte van de fungerende gedragsregels houdt in, dat degene die onderwerp is van arbeidsdeskundig onderzoek vooraf over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan wordt geïnformeerd. Het onderzoek zal gewoonlijk met zich meebrengen, dat allerhande gegevens bij de cliënt worden geverifieerd en dat middels een of meer gesprekken relevante informatie van de cliënt wordt verkregen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-1-28-maart-2007/
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-2-28-maart-2007/
Uitspraak 1 en 2, 28 maart 2007
Cliënten dienen op de hoogte te zijn van de regels waaraan de arbeidsdeskundige zich heeft te houden. Het past niet meer in de huidige tijd om cliënten informatie te onthouden, vlg. o.a. de ontwikkelingen binnen de medische wereld. Denkbaar is het evenwel dat het vooraf geven van alle informatie de begeleiding van een cliënt kan bemoeilijken, zo niet onmogelijk kan maken. In een dergelijk geval kunnen er dus gegronde redenen zijn om af te wijken van het grondbeginsel dat vooraf alle informatie wordt verstrekt. Vandaar de formulering in punt 3.1 (Oud) dat informatieverstrekking vooraf in beginsel verplicht is. Over het algemeen zal voor wat betreft het klachtrecht aan de informatieverplichting zijn voldaan indien wordt verwezen naar een brochure waarin de rechten van de cliënt zijn beschreven. Van beklaagde mocht worden verwacht dat hij deze opdracht helder en duidelijk toelicht. Vaststaat dat klaagster pas ultimo 2006 heeft kennis genomen via een omweg van de volledige tekst en toelichting van de opdracht. Zij stelt thans dat zij stellig geweigerd zou hebben aan een dergelijk geformuleerde opdracht zonder meer mee te werken, indien zij vóór het arbeidsdeskundig onderzoek van deze opdracht zou hebben kennis genomen. De Raad is van oordeel dat deze vragen en achtergrond voorafgaande aan het onderzoek door beklaagde kenbaar gemaakt had moeten worden aan klaagster, teneinde, eventueel na overleg met een raadsman, goed gemotiveerd en goed voorbereid te kunnen besluiten om niet, geheel of gedeeltelijk, aan het onderzoek mee te werken. De arbeidsdeskundige beperkt zich bij het verwerven en verstrekken van informatie, van respectievelijk over de cliënt tot die feiten en omstandigheden, die noodzakelijk zijn voor de aard, doel en inhoud van het onderzoek. De verstrekte informatie wordt door de arbeidsdeskundige vertrouwelijk behandeld. Hij maakt hiervan slechts gebruik voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de aan hem verstrekte opdracht.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-19-november-2007/
Uitspraak 19 november 2007
Nu klaagster zich bij verschillende gelegenheden heeft beroepen op haar rechten heeft zij onvoldoende belang bij haar klacht, dat haar deze rechten niet dan wel onvoldoende zijn kenbaar gemaakt. De klachten over het gebrek aan informatie over doel en aard van het onderzoek treffen hetzelfde lot.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-juni2008/
Uitspraak 12 juni 2008
Beklaagde heeft op 28 november 2006 schriftelijk aan klager laten weten dat hij op 5 december 2006 aan klager een bezoek zou brengen. In de brief van 28 november 2006 wordt vermeld dat het onderzoek erop gericht is om de mate van arbeidsongeschiktheid (volgens de in de polisvoorwaarden opgenomen definitie) van klager vast te stellen op basis van de medische belastbaarheidsgegevens die door de verzekeringsarts zijn opgesteld. Voorts wordt in de brief aangegeven dat er wordt uitgegaan van het verzekerd beroep. De stelling van beklaagde dat hij in het gesprek op 5 december 2006 met klager de opdrachtbrief van de verzekeringsmaatschappij heeft doorgenomen en in dat verband gesproken heeft over de wijze van beoordelen komt de Raad geloofwaardig voor. Dat geldt evenwel niet voor het verstrekken van informatie door beklaagde over het aan klager toekomende klachtrecht, doch nu klager zich reeds in een vroeg stadium heeft laten adviseren door een adviseur van de VVAA, die geacht kan worden op de hoogte te zijn van het klachtrecht van de SRA alsmede over het aan klager toekomende recht om een onderzoek te weigeren, verbindt de Raad aan het verzaken door beklaagde van zijn plicht tot informatieverstrekking over het klachtrecht en over het recht van klager om te weigeren mee te werken aan een onderzoek, geen consequenties. De klacht dat klager onvoldoende geïnformeerd is over aard, doel en inhoud van het onderzoek en over de te hanteren onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten alsmede over diens recht om een onderzoek te weigeren, is ongegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-26-oktober-2009/
Uitspraak 26 oktober 2009
Het geven van een oordeel over belastbaarheid resp. re-integratiemogelijkheden moet de arbeidsdeskundige baseren op een door een medicus opgestelde omschrijving van de belastbaarheid c.q. op een beperkingenpatroon. Ontbreekt die dan zal de arbeidsdeskundige zich moeten verlaten op andere voorhanden zijnde medische gegevens. Gelet op de door de werkgever van klager aan beklaagde gegeven opdracht – aan de uitvoering waarvan ook klager zijn volle medewerking heeft verleend – mocht van beklaagde dus verwacht worden dat zij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare medische gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de (medische) beperkingen van klager. Voor het vergaren en inzien van medische gegevens over klager was naar het oordeel van de Raad geen expliciete toestemming van klager nodig. Beklaagde heeft voor het verkrijgen van de benodigde medische gegevens terecht contact opgenomen met de bedrijfsarts die op haar beurt – zonder daarvoor toestemming aan klager te hebben gevraagd – beklaagde van de benodigde medische informatie heeft voorzien. De aan beklaagde ter beschikking gestelde medische gegevens waren dus voor het uitvoeren van de aan haar verstrekte opdracht, strekkende o.a. tot de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden van klager in eigen werk, noodzakelijk. Daarbij tekent de Raad aan dat beklaagde van de juistheid van de aan haar verstrekte medische gegevens mocht uit gaan, tenzij haar aanstonds op het eerste gezicht zou zijn gebleken dat de medische informatie over klager onrechtmatig werd verkregen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-januari-2010/
Uitspraak 22 januari 2010
De strekking van deze Gedragsregel is evenwel dat een betrokkene op een juiste wijze wordt ingelicht over de aard en het doel van de aan de arbeidsdeskundige gegeven opdracht. Het gaat er om dat een betrokkene begrijpt waarom de arbeidsdeskundige is ingeschakeld. De inhoud van de informatie en de wijze waarop die in een concreet geval wordt verstrekt, is afhankelijk van de omstandigheden en van de betrokkene. Zo zal het opleidingsniveau van een cliënt dan wel wat op dat punt redelijkerwijze van een cliënt mag worden verwacht mede bepalend zijn voor de inhoud van de verstrekte informatie en de wijze waarop die wordt verstrekt. In de Gedragsregel wordt gesteld dat informatieverstrekking vooraf in beginsel verplicht is. Er kunnen in een concreet geval goede redenen zijn om van dat grondbeginsel af te wijken. Op welk moment de inlichtingen dus moeten worden gegeven zal dan ook afhangen van de omstandigheden van het geval. Beklaagde heeft in zijn mondelinge verweer aangegeven dat klaagster ervan op de hoogte was dat hij zou worden ingeschakeld voor de begeleiding bij de re-integratie van klaagster naar eigen (aangepast) werk. Voordat het eerste gesprek plaats vond, waren de medische beperkingen van klaagster aan hem bekend. In het eerste gesprek heeft beklaagde vooral klaagster haar verhaal laten doen. Er is gesproken over de (tijdelijke) werkzaamheden die klaagster op dat moment verrichtte, over haar beperkingen, maar vooral over haar mogelijkheden om (aangepaste) werkzaamheden te verrichten. Gelet op de aan beklaagde verstrekte opdracht, de persoon van klaagster (enthousiast en gedreven om weer aan de slag te gaan) en de omstandigheden van het geval heeft de Raad er begrip voor dat beklaagde niet direct in het eerste gesprek met klaagster alle informatie heeft verstrekt zoals die in de Gedragsregel m.b.t. de introductie en informatieplicht is voorgeschreven.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-28-februari-2011/
Uitspraak 28 februari 2011
Een zorgvuldig onderzoek impliceert een verificatieplicht. Beklaagde is klakkeloos afgegaan op de door de werkgever aangevoerde deels onjuiste feiten. Hij heeft geen behoorlijk gesprek met klaagster over haar arbeidsverleden, arbeidsongeschiktheid en werkomstandigheden gehad, waarmee hij een groot aantal feitelijke onjuistheden had kunnen voorkomen. Hij heeft de vele, door klaagster schriftelijk aangedragen mogelijkheden tot re-integratie niet onderzocht. Beklaagde beschikte niet over een recent overzicht van de bedrijfsarts m.b.t. de mogelijkheden en beperkingen van klaagster. Hij heeft daar naar eigen zeggen ook niet om gevraagd. Hij heeft zelfs geen enkel overleg met de bedrijfsarts gehad noch getracht contact met hem te krijgen. Zo kon het gebeuren dat beklaagde vóór het afsluiten van zijn onderzoek op 25 mei 2010 geen kennis nam van het enkele weken eerder opgestelde rapport d.d. 10 mei 2010 van de bedrijfsarts, waarin klaagster nagenoeg geheel arbeidsgeschikt werd bevonden. De fouten in zijn rapportage kunnen daarom niet afgeschoven worden op de onjuiste, onvolledige en onzorgvuldige informatieverstrekking van zijn opdrachtgever. Deze zijn integendeel geheel toe te schrijven aan beklaagdes onzorgvuldige wijze van onderzoek.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-05-rvt-8-oktober-2012/
Uitspraak 8 oktober 2012
De Raad neemt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel tot uitgangspunt artikel 2 lid 1 van de Gedragscode SRA waarin, kort gezegd, is bepaald dat een arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over zijn opdracht. Weliswaar schrijft de Gedragscode SRA niet expliciet voor dat de arbeidsdeskundige voor of tijdens zijn onderzoek de cliënt persoonlijk spreekt, maar hij neemt een groot risico door dit niet te doen (Vgl. RvT SRA 29 juli 2005). Zulks geldt temeer, nu beklaagde geen onderzoek heeft verricht naar de werkplek. Door het achterwege laten van het leggen van contact heeft het kunnen gebeuren dat klaagster geen enkele weet had van de opdracht aan beklaagde op 14 juli 2011 en het advies dat hij had verstrekt. Dat acht de Raad niet aanvaardbaar. Dat beklaagde ook in 2010 de geschiktheid van klaagster voor het verrichten van arbeid heeft beoordeeld en haar in dat verband ook heeft gesproken, doet daaraan niet af.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cvb-3-april-2013/
Uitspraak CAT 3 april 2013
De arbeidsdeskundige heeft de plicht om de cliënt, derhalve klaagster, alle relevante informatie te verschaffen die deze nodig heeft om zijn eigen belangen verantwoord te kunnen behartigen. Beklaagde wist dat klaagster in afwachting was van het rapport, dat klaagster vertrouwen stelde in beklaagde en dat de visie van beklaagde op de re-integratie van klaagster belangrijk was voor het vervolg van de re-integratie. Beklaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen vanwege haar privéomstandigheden haar in de weg stonden om klaagster tijdig en zelf te informeren. Beklaagde heeft wel aannemelijk gemaakt dat zij heeft getracht een zorgvuldige afweging te maken bij haar beslissing om het dossier (nog) niet over te dragen. De “gevoeligheid” van het dossier en het vertrouwen dat klaagster in haar stelde wogen zwaar voor haar, maar dat beklaagde uiteindelijk de juiste afweging heeft gemaakt is niet gebleken.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-augustus-2013/
Uitspraak 19 augustus 2013
Zoals het Tuchtcollege eerder heeft geoordeeld, is de grondgedachte van de gedragsregels dat degene die onderwerp is van arbeidsdeskundig onderzoek vooraf over het onderzoek alsmede over de aard, inhoud en doel daarvan wordt geïnformeerd. Het gaat er om dat een betrokkene begrijpt waarom de arbeidsdeskundige is ingeschakeld (zie onder andere: de uitspraken van het Tuchtcollege van 22 oktober 1997 en 22 januari 2010). Het is naar de opvatting van het Tuchtcollege de verantwoordelijkheid van de arbeidsdeskundige om zich daarvan te vergewissen. Het Tuchtcollege stelt vast, dat beklaagde zich er onvoldoende van heeft verzekerd en vergewist dat zijn positie, opdracht, rol en werkwijze duidelijk waren bij beklaagde. Zeker gezien de positie en aandoening van klager had het op de weg van beklaagde gelegen om dat verifieerbaar duidelijk te maken aan klager. Een schriftelijke bevestiging was in dat verband raadzaam geweest. Ook in het proces daarna (de opstelling van de rapporten en verzending daarvan) heeft beklaagde niet de zorg betracht die van hem als arbeidsdeskundige verwacht mag worden door niet na te gaan of zijn concept-rapporten klager bereikt hadden en klager daarop nog wenste te reageren. Het Tuchtcollege constateert dat beklaagde vooral met de arbodienst heeft gecommuniceerd en niet met klager.
Uitspraak 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)
7.5. Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e van de Gedragscode dat voorschrijft dat de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel moet kunnen leiden, waarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet worden overgeschreden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn die grenzen door beklaagde overschreden en heeft zij niet inzichtelijk kunnen maken hoe, waarom, op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na volledig herstel van klager, kon worden voortgezet en of de gebruikte methode van onderzoek daarvoor nog wel geschikt was.
7.6. Daar komt naar het oordeel van het Tuchtcollege bij dat beklaagde klager, na de hersteld-melding van klager en wijziging van de opdracht, klager onvoldoende heeft meegenomen in het waarom van voortzetting van het onderzoek en het gebruik van de methode ‘Darius Works’. Beklaagde heeft klager op dat moment onvoldoende geïnformeerd en weinig ruimte geboden om een eigen afweging te maken ter zake van de vraag of al dan niet en met welk doel aan voortzetting van het onderzoek zou moeten worden meegewerkt. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over de (in dit geval gewijzigde) opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt dient te weten ten aanzien van het aard en het doel daarvan.
7.7. Verder heeft beklaagde jegens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Uitspraak 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)
6.3 Het verweer van beklaagde dat er maar een relatief korte periode is gelegen tussen de Arbeidsdeskundige rapportage juli 2017 en die van november 2017, dat zij in het kader van de rapportage van juli 2017 reeds uitvoerig contact met klager had gehad, dat de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid hetzelfde was gebleven en er slechts sprake was van een aanvulling op de eerdere rapportage, kan en mag naar het oordeel van het Tuchtcollege op geen enkele wijze afdoen aan de verplichting van artikel 2 lid 1 Gedragscode. Van een register-arbeidsdeskundige wordt te allen tijde verlangd dat deze betrokkene vooraf informeert over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan. Dat heeft beklaagde bij het aanvullend onderzoek in november 2017 ten onrechte en naar het oordeel van het Tuchtcollege verwijtbaar nagelaten.
6.6 Door in het kader van het aanvullend onderzoek alleen overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en door klager en zijn zienswijze op geen enkele bij het aanvullend onderzoek te betrekken, schiet de methode van onderzoek waarvoor door beklaagde is gekozen te kort. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, dat, ook als het gaat om een aanvullend onderzoek en al de nodige informatie bekend is, een zodanig zorgvuldig en compleet onderzoek wordt gedaan dat dit onderzoek en de resultaten daarvan de conclusies kunnen dragen.
6.7 Bovendien is beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege jegens klager tekort geschoten in de zorg die zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend jegens klager had moeten betrachten.
6.10 Door haar handelwijze heeft beklaagde zich naar de mening van het Tuchtcollege onbedoeld in een positie gebracht dat zij onderdeel werd van het conflict tussen klager en zijn werkgever. Bovendien heeft zij door bij haar onderzoek enkel overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en niet met klager onbedoeld de schijn van onvoldoende objectiviteit, onvoldoende onafhankelijkheid en partijdigheid gewekt. Van een register-arbeidsdeskundige wordt juist een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht om dat te voorkomen.
Uitspraak 30 juli 2020 (zaaknummer: 19/58 AT)
6.3 De kern van de klacht is dat beklaagde voorafgaand aan het opstellen van haar rapportages geen contact heeft opgenomen met klager en hem dus ook niet over de kwestie heeft gesproken.
6.13 Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De register-arbeidsdeskundige dient op een heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bepalingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten te rapporteren. Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet.
6.18 Nu klager een diametraal ander standpunt heeft ingenomen dan blijkt uit in elk geval de rapportage van arbeidsdeskundige [Y], lag het eens te meer op de weg van beklaagde om de verkregen informatie voor wederhoor aan klager voor te leggen. Daarbij laat het Tuchtcollege de omstandigheid dat de bevindingen van beklaagde een bepalende rol kunnen spelen in een procedure op tegenspraak zwaar meewegen.
6.22 Nu beklaagde ten onrechte achterwege heeft gelaten om in het kader van haar onderzoek contact op te nemen met klager acht het Tuchtcollege dit klachtonderdeel gegrond.
Uitspraak 23 oktober 2020 (zaaknummer: 20/20 CAT)
4.2 Klager voert – samengevat – aan
- dat de stelling van verweerster dat zij van werkgever afkomstige informatie over klager en zijn gedrag niet met klager zou mogen delen maakt dat die informatie per definitie onbetrouwbaar is;
- dat moet worden aangenomen dat het om niet-actuele informatie ging;
- dat verweerster ook tijdens de tuchtprocedure in eerste aanleg heeft volgehouden dat zij de informatie niet zonder toestemming zou mogen prijsgeven.
Wat er zij van deze stellingen van klager, ook indien juist kunnen zij de conclusie dat verweerster zich in onderhavige zaak niet onafhankelijk heeft opgesteld niet dragen. Aan klager kan worden toegegeven dat bij niet-uitwisseling van de door partijen verstrekte informatie hoor en wederhoor in het geding kunnen zijn. Maar dat is niet zonder meer hetzelfde als niet-onafhankelijk. Ten aanzien van het onder c. genoemde element dient opgemerkt te worden dat het een verweerder in beginsel vrijstaat in de tuchtprocedure aan te voeren wat door hem dienstig wordt geoordeeld. Het AT heeft in 7.7 geoordeeld dat verweerster er onvoldoende op heeft toegezien “dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Het Tuchtcollege stelt vast dat noch de gebruikte normfunctie noch de in het rapport geschetste afstand tot het werk (tempo en kwaliteit, zelfstandigheid, coach etc.) bij klager geverifieerd zijn (…).” Daarmee heeft het AT ook hoor en wederhoor in zijn beoordeling betrokken. De conclusie is dat de grief niet slaagt.
Uitspraak 21 juni 2021 (zaaknummer: 21/66 AT)
6.4 Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de aanvraag en de rapportage van verweerster sprake was van veranderde medische omstandigheden waar verweerster rekening mee had moeten houden. De door klager bij de nadere toelichting op de klacht overgelegde medische rapportage van 20 november 2020, dateert van ruim na de aanvraag van klager en behandeling van deze aanvraag door verweerster. Bovendien ziet deze rapportage op een andere aanvraag. Uit de toelichting van verweerster blijkt dat zij in het kader van de aanvraag van klager overleg heeft gepleegd met een verzekeringsarts en heeft nagevraagd of er sprake was van een gewijzigde medische situatie, hetgeen niet het geval bleek. Daarmee heeft verweerster zich er naar het oordeel van het Tuchtcollege in voldoende mate van vergewist dat zij bij de behandeling van de aanvraag en het opstellen van haar rapportage de beschikking had over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens
Uitspraak 12 januari 2022 (zaaknummer: 21-70/AT)
6.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij, zonder toestemming van klaagster en daardoor op onrechtmatige wijze, informatie over klaagster heeft verzameld, beschikt heeft over persoonsgegeven van klaagster, van deze gegevens gebruik heeft gemaakt bij zijn onderzoek en deze gegevens heeft geïnterpreteerd (klachtonderdelen aI en bII).
6.3. Deze onderdelen van de klacht zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Het gaat hier om (persoons)gegevens die door de werkgever van klaagster in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek aan verweerder zijn verstrekt. Deze gegevens zijn door verweerder naar de mening van het Tuchtcollege vervolgens enkel gebruikt en verwerkt verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld, namelijk het doen van arbeidsdeskundig onderzoek. Het gebruik en de verwerking van de gegevens was ook noodzakelijk om de opdracht tot het doen van arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren.
6.7 Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan een arbeidsdeskundige de aard van de arbeidsrelatie tussen een betrokkene en de werkgever wel degelijk meenemen in zijn overwegingen bij de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden. Dit kan immers een voor de re-integratie en werkhervatting belemmerend aspect zijn. Verweerder is daarmee volgens het Tuchtcollege niet buiten zijn deskundigheidsgebied getreden.
6.10 De arbeidsdeskundige heeft de morele plicht om de cliënt te respecteren en alle relevante informatie te verschaffen. De arbeidsdeskundige heeft een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven.
6.14. De hiervoor beschreven handelwijze van verweerder brengt met zich mee dat verweerder bij het opstellen van zijn rapportage uitsluitend beschikte over de informatie van de werkgever. Verweerder heeft deze informatie niet geverifieerd bij klaagster en zich er, door het ontbreken van contact met klaagster, ook niet van vergewist of deze informatie volledig, actueel en betrouwbaar was. Dat brengt ook het risico met zich mee dat het definitieve rapport van verweerder onjuiste feiten en onvoldoende geverifieerde aannames bevat. Daarmee is door verweerder gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (vergaarde informatie) en artikel 3 aanhef en onder b en c Gedragscode SRA (eisen aan rapportages).
6.16. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheid aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat verweerder bij zijn handelwijze niet onafhankelijk was. Wel heeft verweerder door zijn wijze van handelen en de manier waarop hij de belangen en positie van klaagster heeft veronachtzaamd naar het oordeel van het Tuchtcollege de schijn van partijdigheid gewekt. Daarmee heeft verweerder niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige betracht en gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA.
Uitspraak 1 december 2022 (zaaknummer: 22-71/AT)
6.8 Van verweerder mocht evenwel worden verwacht dat hij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de beperkingen van klaagster.
6.17. Met betrekking tot de totstandkoming van het loonwaarderapport van 11 februari 2022 is het Tuchtcollege van oordeel dat van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij acht het Tuchtcollege de toenaderingsverantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van de ethiek van groot belang. Uit deze professionele verantwoordelijkheid vloeit voor de arbeidsdeskundige voort dat hij met betrokkene in gesprek komt, waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht, en in gesprek te blijven.
6.18. Verweerder heeft zich beperkt tot contact met de gemachtigde van klaagster en haar vader. Uit de stukken, noch ter zitting is gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen om alsnog met klaagster zelf in contact te komen. Anderzijds betrekt het Tuchtcollege hierbij dat, hoewel de gemachtigde van klaagster ter zitting heeft betwist dat klaagster niet goed bereikbaar was, er kennelijk door de gemachtigde van klaagster evenmin rechtstreeks contact tussen klaagster en verweerder tot stand is gebracht.
6.19. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij ook niet bij de gemachtigde van klaagster of haar vader heeft geverifieerd of en in hoeverre zij bevoegd waren om namens klaagster op het door verweerder opgestelde concept te reageren.
Regel 6 Eisen aan rapportages
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/?y=1997
Uitspraak 22 oktober 1997
Wel mag verwacht worden dat de rapportage zodanig zal zijn, dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat deze niet duidelijk genoeg is over de wijze waarop de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel gekomen is. Een arbeidsdeskundige dient er op bedacht te zijn, dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang, dat een arbeidsdeskundige volstrekt helder in elke rapportage aangeeft op basis van welk door welke medicus opgesteld beperkingenpatroon, op basis van welke feiten, verkregen langs welke in de rapportage beschreven wijze, en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse, hij/zij per onderdeel tot welke conclusie komt. Collegiale kritiek op de wijze van rapporteren is belangrijk en zal dat ook niet snel tot schending van de gedragsregels op het punt van de collegialiteit leiden, tenzij deze kritiek apert onjuist is of in nodeloos grievende bewoordingen is gesteld. Blijkens de toelichting uit art. 3.4 van de gedragsregels met betrekking tot de verantwoording rapportage is het denkbaar dat behalve dit „volledige. onderzoek, volstaan kan worden met een „dossier commentaar. op door derden aangereikte stukken, hetgeen uit de vormgeving duidelijk moet blijken. De kennelijke bedoeling van dit onderscheid is, dat het „dossier commentaar. een uitzondering vormt op het informatierecht van de betrokkene. Gegeven dit uitzonderingskarakter mag een „dossier commentaar. slechts een beperkt doel dienen, namelijk niet meer dan een commentaar op het ter beoordeling toegezonden arbeidskundige rapport, en moet daarbij enige terughoudendheid in acht genomen worden ten aanzien van de uitkomsten. Dat gaat niet zover dat dossiercommentaar geen conclusies mag bevatten over de mate van arbeidsongeschiktheid en/of de omvang van schade. Weliswaar is dat niet de primaire bedoeling van een dossiercommentaar, doch afhankelijk van omstandigheden denkbaar, bijvoorbeeld als het bekritiseerde arbeidsdeskundig rapport onjuiste conclusies bevat die op basis van de in dat rapport gevonden feiten en methode van onderzoek direct voor correctie vatbaar zijn.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/?y=2003
Uitspraak 24 november 2003
De registerarbeidsdeskundige rapporteert op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bevindingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten. De klacht richt zich op de summierheid van de motivering en daarmee op de oncontroleerbaarheid van de aan de conclusies ten grondslag liggende gedachtegang. Artikel 3.d van de Gedragsregels (Oud) verplicht de arbeidsdeskundige zijn conclusies te motiveren. Dat houdt in dat uit de rapportage kenbaar moet zijn welke feiten en argumenten tot de eindconclusie hebben geleid, en wel zodanig dat de feiten controleerbaar zijn en genoemde feiten en argumenten de conclusie kunnen dragen. Toegepast op een rapport, waarbij de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van de mogelijk te verdienen inkomsten in andere als passend aangegeven functies, dient tenminste een beknopte beschrijving te worden gegeven van deze functies, van de belastingprofielen (in het licht van de eerdere aangegeven medische beperkingen van de cliënt), én het met elk van die functies te verdienen inkomen. De Raad is van oordeel dat het arbeidsdeskundig rapport van N. te summier is geweest en een toelichting behoefde. Het is de Raad bekend dat de rapportage van N. qua bondigheid geen uitzondering vormt op hetgeen gangbaar is in de verzekeringspraktijk; dat in talrijke gevallen de praktijk ook geen behoefte heeft aan uitvoerig gemotiveerde bevindingen; dat arbeidsdeskundigen zich onder druk voelen staan om slechts summier te motiveren en dat een gebrek aan motivering in de praktijk wordt opgelost met een nadere toelichting, indien dat opportuun voorkomt. Deze praktijk staat op gespannen voet met de motiveringsverplichting van de arbeidsdeskundige, zoals deze uit de gedragsregels voortvloeien. Het advies van een arbeidsdeskundige is van groot belang voor de besluitvorming over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van de in opdracht van een derde onderzochte “cliënt”. Het advies gaat dikwijls een eigen leven leiden, al dan niet in gerechtelijke procedures, in toekomstige besluitvorming over arbeidsongeschiktheid, en/of aanverwante vraagstellingen. De weging van het uitgebrachte advies en de discussie over de juistheid van het advies dient plaats te vinden op basis van de in of bij dat advies gegeven verantwoording, en niet op achteraf nog opkomende gegevens uit een niet publiek toegankelijk archief. De opdrachtgever moet uit het advies zelf kunnen afleiden of de conclusies gevolgd kunnen worden. Voor de cliënt moet zichtbaar zijn, hoe met in vertrouwen verstrekte privacygevoelige informatie is omgegaan.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-13-1-december-2004/
Uitspraak 13, 1 december 2004
De klacht dat beklaagde heeft nagelaten om aan C. te rapporteren dat F. klager volledig arbeidsongeschikt acht, berust op een feitelijk juiste grondslag. Nu beklaagde op gezag van de verzekeringsgeneeskundige van D. in zijn advies aan C. aangeeft dat er geen belemmeringen meer waren om het verzekerde beroep weer te kunnen gaan uitoefenen, had hij toch minstens mogen aangeven, dat dit medische oordeel niet eensluidend tot stand gekomen was, evenals op welke gronden dit deel van de bevindingen van de betreffende arts juist niet zijn overgenomen in zijn advies, terwijl hij aan het andere deel van het oordeel van die arts zoveel waarde hecht. De klacht is wegens dit motiveringsgebrek dus gegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-19-april-2007/
Uitspraak 19 april 2007
In de zaak (H./K., 1997) heeft de Raad uitgebreid aandacht besteed aan het dossiercommentaar, dat hieronder nog eens wordt samengevat. Een dossiercommentaar is een uitzondering op de hoofdregels van art 1.1 en 1.4 van de Gedragsregels (Oud), omdat daarbij de introductieplicht vervalt en de bevindingen niet meer ten overstaan van de cliënt geverifieerd hoeven te worden. De strekking van een dossieronderzoek is, dat er geen nieuw feitenonderzoek plaatsvindt, maar dat integendeel uitgegaan wordt van de in het ter commentaar toegezonden dossier vastgestelde feiten. Omdat het dossiercommentaar een uitzondering is op de hoofdregels van de Gedragsregels behoort het dossiercommentaar beperkt te blijven tot de vraag of de toegezonden rapportage een deugdelijke basis is om de schade te regelen. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt in een dossiercommentaar een eigen uitspraak gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid en de omvang van de schade. Dat wordt slechts anders, indien conclusies van het van commentaar voorziene rapport voor correctie vatbaar op grond van de in dat rapport gevonden feiten en de methode van onderzoek voor kritiek vatbaar is. In dezelfde uitspraak heeft de Raad aangegeven, dat een dergelijk dossiercommentaar, mits zakelijk en helder geformuleerd, zelfs als dat commentaar uiterst kritisch is, niet snel strijdig zal zijn met de in de Gedragsregels opgenomen voorschriften over de collegialiteit. De Raad acht het onjuist dat beklaagde commentaar geleverd heeft op het onderzoek van arbeidsdeskundige X zonder diens rapport te kennen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-16-november-2007/
Uitspraak 16 november 2007
Indien van de registerarbeidsdeskundige een dossiercommentaar verlangd wordt dan kan dit in beginsel niet meer bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek. Toelichting bij het onderdeel dat betrekking heeft op dossiercommentaar. In de zaak (H./K., 1997) heeft de Raad uitgebreid aandacht besteed aan het dossiercommentaar, dat hieronder nog eens wordt samengevat. Een dossiercommentaar is een uitzondering op de hoofdregels van art 1.1 en 1.4 van de Gedragsregels (Oud), omdat daarbij de introductieplicht vervalt en de bevindingen niet meer ten overstaan van de cliënt geverifieerd hoeven te worden. De strekking van een dossieronderzoek is, dat er geen nieuw feitenonderzoek plaatsvindt, maar dat integendeel uitgegaan wordt van de in het ter commentaar toegezonden dossier vastgestelde feiten. Omdat het dossiercommentaar een uitzondering is op de hoofdregels van de Gedragsregels behoort het dossiercommentaar beperkt te blijven tot de vraag of de toegezonden rapportage een deugdelijke basis is om de schade te regelen. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt in een dossiercommentaar een eigen uitspraak gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid en de omvang van de schade. Dat wordt slechts anders, indien conclusies van het van commentaar voorziene rapport voor correctie vatbaar op grond van de in dat rapport gevonden feiten en de methode van onderzoek voor kritiek vatbaar is. Ten aanzien van de op grond van deze Gedragsregel ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer van beklaagde, dat zijn rapportage d.d. 27 februari 2007 slechts een dossierstudie of dossieronderzoek is en dus geen dossiercommentaar, merkt de Raad het volgende op. De Raad vindt het door beklaagde aangebrachte onderscheid tussen een dossierstudie en/of -onderzoek en een dossiercommentaar gekunsteld en ook overigens niet terecht aangevoerd. Indien beklaagde daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad om in zijn rapportage geen uitspraak te doen over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster, had het op zijn weg gelegen om dit klip en klaar in zijn rapportage tot uitdrukking te brengen. Nu laat het rapport, bij gebreke aan een eenduidige benadering en transparantie omtrent de kennelijke bedoeling van beklaagde, een andere conclusie toe. Ook het Gerechtshof Amsterdam is blijkens zijn arrest van 5 juli 2007 dus van oordeel dat beklaagde wel degelijk een oordeel heeft uitgesproken over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster. Ook de Raad is van mening dat beklaagde, in tegenstelling tot zijn andersluidende bewering en opvatting, in zijn rapportage wel degelijk aangeeft dat klaagster z.i. minder dan 40 % arbeidsongeschikt is. Een dergelijke conclusie hoort niet in een toelichting, noch in een dossiercommentaar. Voor zover beklaagde heeft bedoeld aan te geven dat hij de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster niet kon en wilde vaststellen had hij de passage: “het is echter wel gerechtvaardigd om te concluderen dat op basis van de dossiergegevens ten aanzien van klaagster een mate van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van consultant van circa 17%, althans in ieder geval minder dan 40% waarschijnlijk is”, achterwege moeten laten. Door die conclusie wel op te nemen in zijn rapportage heeft beklaagde een ernstige beroepsfout gemaakt. Beklaagde heeft een dossiercommentaar geleverd, waarbij hij is overgegaan tot het doen van een uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid van klaagster, zonder klaagster zelf te hebben gesproken. Daarmee heeft beklaagde zijn bevoegdheid overschreden en heeft hij gehandeld in strijd met de Gedragsregel die voorschrijft dat een dossiercommentaar in beginsel niet meer kan bevatten dan kritiek op het te becommentariëren onderzoek.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-19-november-2007/
Uitspraak 19 november 2007
De Raad heeft er in het verleden herhaaldelijk op gewezen dat een arbeidsdeskundige rapportage ingrijpende gevolgen kan hebben en ook voor (langdurig) extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-12-juni2008/
Uitspraak 12 juni 2008
Uit de toelichting op artikel 1.4 Gedragsregels blijkt, dat relevante gegevens getoetst moeten worden ten overstaan van de cliënt, maar daaruit blijkt niet dat de arbeidsdeskundige zijn (volledige) rapportage op voorhand ter correctie en inzage aan de cliënt moet doen toekomen. De handelwijze van beklaagde – het toesturen aan klager van een gespreksverslag met de uitnodiging om de daarin vermelde feiten te toetsen c.q. te corrigeren, is niet in strijd met de Gedragsregels. De Raad merkt op dat het niet ongebruikelijk is dat de arbeidsdeskundige zijn rapportage in concept aan de cliënt toestuurt met het verzoek zonodig correcties en aanvullingen te leveren, teneinde te voorkomen dat op basis van onjuiste gegevens conclusies worden getrokken, maar een verplichting daartoe bestaat er op grond van de huidige Gedragsregels niet. Met beklaagde is de Raad het eens dat hij wellicht beter de nadere reactie van klager op het gespreksverslag had kunnen afwachten – hoewel klager op grond van een aan hem door een adviseur van de VVAA verstrekt advies aangaf dat beklaagde op basis van het gespreksverslag kon overgaan tot het opstellen van het arbeidskundig rapport – maar dat betekent niet dat beklaagde door niet langer te wachten klachtwaardig heeft gehandeld. In zoverre is de klacht ongegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-2-februari-2009/
Uitspraak 2 februari 2009
De Raad acht de 4e klacht – onvolledige functiebeschrijving – gegrond. Nu beklaagde tot een diametraal ander oordeel is gekomen over de mate van ongeschiktheid voor de eigen functie – van volledig arbeidsgeschikt tot volledig arbeidsongeschikt – had de zorgvuldigheid vereist dat er geen enkel misverstand zou kunnen ontstaan over de precieze inhoud van de functie, waarvoor hij klager volledig arbeidsongeschikt achtte. Dat moet uit de rapportage blijken.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-27-februari-2009/
Uitspraak 27 februari 2009
Het deskundigenoordeel kent o.a. de volgende onderwerpen: kan ik weer aan de slag gaan met mijn eigen werk? kan ik weer aan de slag gaan met mijn eigen aangepaste werk? kan ik ander werk doen in het eigen bedrijf? kan ik ander werk doen in een ander bedrijf? Bij al deze vragen gaat het om de kern van het arbeidsdeskundig handelen, namelijk om de weging van belasting in de in aanmerking komende functies ten opzichte van de belastbaarheid van werknemer. Van cruciaal belang in deze casus was derhalve dat er een beschrijving van de belastende aspecten van het eigen werk werd gegeven en verder van de belastende aspecten van de bij de eigen werkgever voorkomende functies van administratieve kracht resp. receptioniste/telefoniste. De Raad stelt vast dat in de door beklaagde opgestelde arbeidsdeskundige rapportage een adequate beschrijving van voornoemde belastende aspecten van zowel het eigen werk als van de functie receptioniste/telefoniste als ook van de administratieve functie ontbreekt. De Raad stelt vast dat beklaagde om tot haar conclusie te komen dat er bij de eigen werkgever passende mogelijkheden waren niet veel meer heeft gedaan dan de site te raadplegen van de organisatie van klaagster waarop kennelijk vacatures voorkwamen van de voornoemde functies. Dit nu strookt naar opvatting van de Raad niet met de door een arbeidsdeskundige in het kader van een uit te brengen deskundigenoordeel in acht te nemen zorgvuldigheid. Het in acht nemen daarvan betekent naar het oordeel van de Raad dat het op de weg van beklaagde had gelegen om hoor en wederhoor toe te passen en voorts dat beklaagde een onderzoek had dienen in te stellen naar de aard van de opgeëiste functies en de belastende aspecten daarvan. Ten overvloede merkt de Raad op dat de wijze waarop beklaagde als arbeidsdeskundige inhoudelijk (lees: beargumenteerd) tot haar oordeel had dienen te komen uitvoerig is vastgelegd in o.a. art. 5 van het professioneel statuut arbeidsdeskundigen bij het UWV (lees: je moet weten wat het werk inhoudt) en dat naar het oordeel van de Raad beklaagde niet heeft voldaan aan de eisen die in het professioneel statuut dienaangaande zijn vastgelegd. Beklaagde heeft ten onrechte nagelaten een beschrijving te geven van de belastende aspecten van de bij werkgever voorkomende functies van receptioniste/telefoniste en de functie van administratief medewerker in relatie tot de belastbaarheid van de werknemer.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-1-september-2009/
Uitspraak 1 september 2009
Over de aan een dossiercommentaar te stellen eisen heeft de Raad zich in het verleden herhaaldelijk uitgelaten (beslissingen 22 oktober 1997; 19 april 2007; 16 november 2007). Niet alleen dient uit de tekst, aanhef en opmaak van het rapport volstrekt duidelijk te zijn, dat de rapportage slechts een dossiercommentaar betreft. Ook inhoudelijk mag een dossiercommentaar niet meer zijn dan dat. Dus geen nieuw feitenonderzoek, en geen (nieuwe) vaststelling van arbeidsongeschiktheid of schade, tenzij dit rechtstreeks voortvloeit uit de feiten, vastgelegd in het te commentariëren dossier of rapport én uit de tijdens het dossieronderzoek gevonden fouten en in het dossiercommentaar vastgelegde gebreken. Omdat het dossiercommentaar een uitzondering vormt op de hoofdregel toetst de Raad – teneinde misbruik te voorkomen – restrictief of aan deze voorwaarden zijn voldaan. De beide rapporten van beklaagde voldoen niet aan deze criteria en bevatten daarnaast aan aantal andere ernstige tekortkomingen, zoals hieronder nader wordt uiteengezet. Allereerst is uit de tekst, aanhef en opmaak onvoldoende duidelijk, dat de rapportages slechts een dossiercommentaar zijn. In het rapport uit 2006 zou zulks uitsluitend kunnen blijken uit de geformuleerde opdracht – hetgeen onvoldoende is – ; In het rapport van 2008 is zelfs geen enkele aanwijzing te vinden dat het slechts om een dossiercommentaar zou gaan.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-26-oktober-2009/
Uitspraak 26 oktober 2009
Voor wat betreft de door klager gesignaleerde onzorgvuldigheid van de rapportage en het onvoldoende deskundige niveau daarvan brengt de Raad nogmaals onder de aandacht dat de Raad het handelen van de arbeidsdeskundige toetst aan de hand van de Gedragsregels. In beginsel onthoudt de Raad zich van commentaar op de inhoud van de arbeidskundige rapportage, tenzij vastgesteld wordt dat de rapportage niet voldoet aan de in de Gedragsregels vastgelegde uitgangspunten en beginselen, zoals die hiervoor zijn genoemd. Gelet op de inhoud van de rapportage alsmede op de door beklaagde aan klager geboden mogelijkheid om de concept rapportage van commentaar te voorzien, is de Raad niet gebleken van de onzorgvuldigheid en van het ondeskundig niveau dat klager de arbeidskundige rapportage toedicht.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-22-januari-2010/
Uitspraak 22 januari 2010
De Raad is van oordeel dat de klacht gegrond is. Door in zijn (concept)rapportage ten onrechte te vermelden dat er sprake was van een Plan van Aanpak en voorts dat de gemaakte afspraken worden vastgelegd in een bijstelling van het Plan van Aanpak heeft beklaagde naar klaagster toe de schijn gewekt niet onpartijdig te zijn. Door deze onjuistheden in zijn rapportage op te nemen heeft beklaagde tenminste de schijn gewekt de onvolkomenheden in het door werkgever tot dan toe gevolgde re-integratietraject te willen verdoezelen resp. goedmaken. Zijn mededeling aan klaagster dat het vermelden in zijn rapportage van de door hem gesignaleerde onvolkomenheden in het reintegratietraject (“het buiten hangen van de vuile was”) smeken is om een door het UWV op te leggen sanctie, is in dit opzicht veelzeggend. Hoewel De Raad er begrip voor heeft dat beklaagde als arbeidsdeskundige kijkt naar zijn einddoel, t.w. volledige terugkeer in eigen werk en hij om die reden niet teveel wil terugkijken op het verleden, gaat het niet aan om onjuistheden, die de schijn van partijdigheid wekken, in zijn rapportage op te nemen. Dit klemt temeer omdat beklaagde te kennen heeft gegeven zich ervan bewust te zijn dat zijn rapportage mogelijkerwijze ook bij het UWV terecht zou komen, waar zijn rapportage (jarenlang) een eigen leven gaat leiden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-28-februari-2011/
Uitspraak 28 februari 2011
Uit de rapportage moet duidelijk zijn op te maken op basis van welke relevante feiten en omstandigheden de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel is gekomen. Daarin passen geen verwijzingen naar andere rapportages zonder de relevante bevindingen kort aan te geven. Aan die voorwaarde voldoet het rapport d.d. 25 mei 2010 van beklaagde niet. Zo is niet duidelijk van welke medisch vastgestelde beperkingen en mogelijkheden beklaagde is uitgegaan, en door wie en wanneer deze beperkingen en mogelijkheden zijn vastgesteld. Louter verwijzingen naar gesprekken, waarbij de bedrijfsarts zou hebben gezegd dat terugkeer van klaagster binnen de vestiging de kans op herhaalde uitval serieus aanwezig is, is onvoldoende. Dat geldt nog meer ten aanzien van de door beklaagde onder het hoofdje “vastgestelde beperkingen”: “Zie medisch dossier belanghebbende bij de Arbodienst en de evaluatieverslagen van de bedrijfsarts”. Op deze manier is voor niemand na te gaan van welke beperkingen en mogelijkheden beklaagde is uitgegaan. Reeds om deze reden moet het Tuchtcollege vaststellen, dat beklaagde in strijd met de Gedragscode SRA heeft gehandeld.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cvb-29-maart-2013/
Uitspraak CAT 29 maart 2013
Het College is voorts van oordeel, dat de wijze waarop beklaagde zijn onderzoek heeft ingericht onvoldoende is. Van hem had in dit geval mogen worden verwacht, dat hij, na zoals gebruikelijk met beide betrokken partijen te hebben gesproken, onderzoek zou hebben gedaan, van de gespreksverslagen een korte samenvatting zou hebben gemaakt en deze zou hebben kortgesloten met partijen. Zeker nu sprake was van een gewijzigde opdracht waarvan klager niet op de hoogte was en het gegeven dat het advies mogelijk verstrekkende gevolgen zou hebben voor klager had het in de rede gelegen dat beklaagde aan beide partijen een conceptrapport zou hebben toegezonden voor commentaar. Beklaagde heeft dit alles nagelaten noch ervan blijk gegeven dat hij dit heeft overwogen. Dit handelen is laakbaar.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-van-18-juli-2014/
Uitspraak 18 juli 2014
Uit het rapport blijkt niet dat klaagster in feite een combinatiefunctie vervulde. Door dat achterwege te laten is niet na te gaan of de conclusie van beklaagde juist is. De 38 Deel II Regels van de gedragscode 39 werkzaamheden die behoren bij de beide functies verschillen immers op essentiële onderdelen. Zo zonder nadere toelichting, die geheel ontbreekt, ziet het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet in waarom beklaagde achterwege heeft gelaten om die expliciete onderverdeling te maken. Naar het oordeel van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege kan het enkele feit dat de werkgever de functie als één geheel heeft betiteld niet afdoen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-10-september-2014/
Uitspraak CAT 10 september 2014
- Met het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege is het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege van oordeel, dat het rapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet alleen worden in het rapport de gestelde vragen op systematische en heldere wijze beantwoord, maar ook de daar achter gelegen gedachtegang is goed te volgen. Daar komt bij dat beklaagde zoals zij ter zitting heeft toegelicht in feite méér heeft gerapporteerd dan waartoe zij was gehouden. Zij heeft bij diverse onderdelen uitgebreider stilgestaan dan van haar strikt werd verwacht. In zoverre en gelet op de hiervoor genoemde criteria kan het rapport de toets van kritiek ruimschoots doorstaan. Op de door beklaagde genoemde onderdelen van haar onderzoek, die door klager zoals hiervoor verwoord worden bestreden, komt aan het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege geen bevoegdheid toe om daarover een oordeel te geven. Dit geldt met name voor het innemen van het standpunt, dat de functie van assistent calculator al dan niet voor klager geschikt is. Dit behoort tot het domein van de rapporteur en slechts in bijzondere gevallen kan het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege daar een oordeel over geven en wel indien daarbij niet is voldaan aan een van de hiervoor onder 7 sub a tot e genoemde situaties. Daarvan is in dit geval geen sprake.
- Het niet hechten van alle bijlagen aan het rapport is op zijn minst genomen ongebruikelijk. Beklaagde heeft dit verklaard met de mededeling ter zitting, dat zij bij het concept aan partijen de productie 1 tot 9 had gevoegd en zij daarom volstond met het toezenden van de overige bijlagen gelijktijdig met het eindrapport. Zij heeft aan het aan de rechter gezonden exemplaar wel alle bijlagen gehecht. De daaraan door klager verbonden gevolgen deelt het Centraal Arbeidsdeskundig Tuchtcollege niet.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-22-oktober-2014/
Uitspraak 22 oktober 2014
Klager wijst ook de “Rapportage bedrijfsarts” van 24 mei 2012 (bijlage A28 van klager) waarin als vraagstelling van beklaagde aan de bedrijfsarts is opgenomen: “Wn acht zichzelf niet in staat tot gesprekken met werkgever, ik acht hem daar wel toe in staat. Wat is de visie van de BA?”. Een zelfde vraagstelling is opgenomen in de notitie “Actie/verslag” van 4 mei 2012 van beklaagde (bijlage A26+27). Ten slotte meent klager dat beklaagde in de “Rapportage Monitoring Probleemanalyse” van 24 februari 2012 zich een medisch oordeel aanmeet met zijn opmerking, dat “de situatie erg ziekmakend” is voor werknemer. Naar het oordeel van het Tuchtcollege klaagt klager er terecht over, dat beklaagde zich met deze opmerkingen en vraagstelling inderdaad medische oordelen heeft aangemeten en zich niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als arbeidsdeskundige. Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder d van de Gedragscode en is deze klacht ook gegrond.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-2-mei-2016/
Uitspraak 2 mei 2016
Tot uitgangspunt geldt dat van een registerarbeidsdeskundige een hoge mate van zorgvuldigheid wordt verwacht (Vgl. AT SRA 22 oktober 2014). Beklaagde heeft zich van deze verplichting naar het oordeel van het Tuchtcollege onvoldoende gekweten. Op zichzelf is in de markt van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen niet ongebruikelijk om een oriënterend arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten, waarbij dan tevens voorlopig de mate van arbeidsongeschiktheid wordt ingeschat op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Aldus is ook beklaagde te werk gegaan bij het opstellen van zijn rapportage van 20 januari 2014. Daarbij wreekt zich evenwel dat het Tuchtcollege niet kan nagaan hoe beklaagde tot de mate van arbeidsongeschiktheid is gekomen. Zo stelt hij dat zijn voorstel om te komen op een uitval van 50% “het niet heeft gehaald”, waarna kennelijk in overleg met klager tot nader order een uitval van 75% resulterend in de klasse 65-80% is aangehouden. Beklaagde heeft weliswaar aangegeven dat hij dat baseert op bijkomende taken en de lichtere werkzaamheden in de uitvoering waar klager stelt dat hoofdzakelijk voorruiten worden vervangen en dat de klant voor reparaties vaak naar de concurrentie gaat. Die uiteenzetting is voor het Tuchtcollege echter, zo zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet te volgen. Anders dan klager betoogt, behoeft dat echter naar de overtuiging van het Tuchtcollege op zichzelf nog niet tot gevolg te hebben dat een volledige uitval moet worden aangehouden. Essentieel voor het Tuchtcollege is dat uit de rapportage niet is op te maken welke deeltaken die zijn verbonden aan de handarbeid/lichamelijke werkzaamheden leiden tot uitval en in welke duur. Evenmin is op te maken hoe de voor verzekerde relevante beroeps- en bedrijfsomstandigheden, zoals het ontbreken van personeel in het bedrijf van verzekerde, zich verhouden tot de beantwoording van de onderzoeksvragen door beklaagde. Daarmee schiet de rapportage naar de overtuiging van het Tuchtcollege tekort op het essentiële onderdeel van een heldere uiteenzetting van de mate waarin de (bij dit oriënterend onderzoek volgens verzekerde bestaande) beperkingen in de weg staan aan het uitoefenen van de aan het verzekerd beroep verbonden werkzaamheden.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-22-december-2016/
Uitspraak 22 december 2016
De rapportages van beklaagde zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ver onder de maat en een register-arbeidsdeskundige onwaardig. Dat geldt zowel voor de rapportage van 10 oktober 2014 als de afsluitende rapportage van beklaagde van 12 november 2014, waarin de conclusie van de rapportage van 10 oktober 2014 wordt herhaald. Er worden geen verifieerbare actuele feiten, omstandigheden en bevindingen in de rapporten vermeld, die de wijziging in de mate van arbeidsongeschikt steunen. Actuele medische gegevens ontbreken. Bovendien kan niet gezegd worden dat de gronden (het niet nader toegelichte “verhaal van verzekerde” en het niet nader aangegeven aantal uren dat verzekerde gaat werken) de daaruit getrokken conclusie (de wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid) rechtvaardigen. Zeker omdat de rapportage vergaande gevolgen voor klaagster heeft (per 15 november 2014 minder dan 25% arbeidsongeschikt!) mag van een register-arbeidsdeskundige verwacht worden dat hij zijn rapportage zorgvuldig en overeenkomstig de eisen van artikel 3 van de gedragscode opstelt. Het Tuchtcollege stelt vast, dat dit niet is gebeurd.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-26-mei-2017/
Uitspraak CAT 26 mei 2017 4.3.2
Volgens het beroepschrift van beklaagde heeft hij “een mail gestuurd vooruitlopend op mijn rapport,” naar het college begrijpt de in 2.5 geciteerde e-mail. Ter zitting van het college heeft (de raadsman namens) beklaagde evenwel erkend dat het rapport waarnaar de e-mail verwijst er niet is. Dat betekent dat de veronderstelling van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege dat dat rapport door beklaagde niet is opgesteld juist is. Het college stelt voorts vast dat beklaagde niet heeft betwist dat in zijn rapporten van 10 oktober 2014 en 12 november 2014 verifieerbare (actuele) feiten, omstandigheden en bevindingen die de wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid steunen ontbreken. Het in de pleitnota ingenomen standpunt dat de “in de e-mails van oktober en november 2014 genoemde percentages correspondeerden met de volgens [klaagster] feitelijk gewerkte uren” is wat dat betreft illustratief: waar een weergave van die volgens klaagster feitelijk gewerkte uren en verrichte werkzaamheden ontbreekt, zijn de genoemde arbeidsongeschiktheidspercentages niet (door derden) te verifiëren. De mail van 10 oktober 2014 houdt immers slechts in: “Op basis van het verhaal van verzekerde en het aantal uren dat zij gaat werken adviseer ik u een arbeidsongeschiktheid te hanteren vanaf: – 1 november 2014 van 30% – 15 november voor minder dan 25%. Wat dat “verhaal van verzekerde” inhield en hoe realistisch beklaagde als arbeidsdeskundige “het aantal uren dat zij gaat werken” inschatte ontbreekt geheel. Zulks klemt te meer in aanmerking genomen de door beklaagde gestelde aard van de ziekte van klaagster, borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarmee voldoet het rapport niet aan eisen van artikel 3 onder a. en b. van de Gedragscode en in het verlengde daarvan ook niet aan artikel 3 sub c.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-1-juni-2017/
Uitspraak 1 juni 2017
Verder wijst het Tuchtcollege er op dat een concept juist bedoeld is voor opmerkingen en correcties. In het kader van hoor- en wederhoor heeft beklaagde klager in die zin ook in de gelegenheid gesteld om op het rapport te reageren alvorens het rapport definitief te maken. Met de stelling dat de (concept-)rapportage twee verschillende conclusies bevatte, bedoelt klager – zoals door klager op de zitting is toegelicht- dat de conclusie in de samenvatting van de rapportage anders luidde dan de eindconclusie aan het eind van de rapportage zelf en er in die zin geen sprake was van een eenduidig en consistent rapport. Beklaagde heeft de fouten waar klager op heeft gewezen gecorrigeerd en er voor gezorgd dat de conclusies in de (definitieve) rapportage van 18 mei 2016 eenduidig en consistent zijn. De definitieve rapportage van beklaagde voldoet daarmee naar het oordeel Tuchtcollege aan de eisen waaraan de arbeidsdeskundige rapportage volgens artikel 3 van de Gedragscode dient te voldoen.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-20-februari-2018/
Uitspraak 20 februari 2018
Het Tuchtcollege is het met klaagster eens, dat het deskundigenoordeel van beklaagde niet aan deze eisen voldoet. Niet duidelijk is op basis van welke feiten en omstandigheden en op welke gronden beklaagde tot zijn verstrekkende oordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster is gekomen. Dat -zoals door beklaagde ter zitting is toegelicht- onder hoge tijdsdruk moest worden gewerkt, mag volgens het Tuchtcollege nimmer met zich meebrengen dat een rapport niet aan de in de Gedragscode gestelde eisen voldoet. Te meer, daar het oordeel van de arbeidsdeskundige verstrekkende gevolgen heeft, in dit geval voor klaagster, en door een ondeugdelijke onderbouwing geen onderwerp van geschil mag worden. De rapportage van de arbeidsdeskundige dient inzichtelijk, onderbouwd en consistent te zijn. Volgens het Tuchtcollege voldoet de rapportage van beklaagde daar niet aan en klaagt klaagster daar terecht over. Naar het oordeel van het Tuchtcollege treft ook de klacht hierover doel. Door beklaagde is, zo moet worden vastgesteld, niet geverifieerd of de standpunten van klaagster juist zijn weergegeven. Ook voor deze paragraaf van de rapportage van beklaagde geldt dat het oordeel van beklaagde over de inspanningen van klaagster niet op een inzichtelijke wijze is onderbouwd. De betreffende paragraaf is volgens het Tuchtcollege bovendien niet duidelijk nu een weergave van ‘belemmerende factoren’ en het oordeel over de re-integratie-inspanningen van klaagster op weinig inzichtelijke wijze door elkaar lopen. Mede daardoor is de rapportage van beklaagde niet inzichtelijk, niet consistent en is niet duidelijk op welke gronden de conclusie van het deskundigenoordeel steunt.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-19-maart-2018-2/
Uitspraak 19 maart 2018 (klacht 17-38/AT)
Nog afgezien van het feit dat de arbeidsdeskundige binnen de marges van zijn deskundigheid bij de verwoording van zijn beoordeling van de geschiktheid van passend werk, naar het oordeel van het Tuchtcollege een ruime mate vrijheid heeft in de wijze waarop hij dit verwoordt en daarbij niet algemeen verplicht kan worden geacht om aanvullingen van betrokkenen bij het rapport over te nemen, is de handelwijze van beklaagde ook in dit specifieke geval niet onzorgvuldig te noemen. Op grond van goede en deugdelijke redenen heeft beklaagde er naar de mening van het Tuchtcollege in dit geval voor kunnen kiezen om de door klager aangevoerde passage niet over te nemen dan wel te verwerken op een andere plaats in het rapport. De klacht treft volgens het Tuchtcollege geen doel.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-7-mei-2018/
Uitspraak 7 mei 2018
Het Tuchtcollege stelt vast dat klager in het geheel niet gekend is bij de totstandkoming van de op hem betrekking hebbende rapportages van beklaagde van 1 juli 2015 en 28 januari 2016. Beklaagde heeft zich er niet van vergewist over juiste, betrouwbare en actuele gegevens te beschikken en heeft in het geheel niet bij klager geverifieerd of de feitelijke gegevens die in de betreffende rapportages worden vermeld, juist zijn. Weliswaar ligt aan de rapportage van beklaagde van 11 mei 2015 een telefonisch onderhoud ten grondslag, maar ook van deze rapportage kan -zo moet het Tuchtcollege vaststellen- niet gezegd worden dat bij klager is gecheckt of de op klager betrekking hebbende gegevens correct zijn weergegeven. Daarmee heeft beklaagde gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 en artikel 3 Gedragscode SRA.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-7-juni-2018/
Uitspraak 7 juni 2018
Een arbeidsdeskundige dient erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn (Vgl. AT-SRA 7 mei 2018). Daarom worden de in art. 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De arbeidsdeskundige dient op heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen conform relevante bevindingen alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten te rapporteren. Bovendien wordt van de arbeidsdeskundige verwacht dat deze de gegevens waarvan wordt uitgegaan bij opstelling van de rapportage verifieert bij een cliënt alvorens deze in een rapportage op te nemen en aan opdrachtgever uit te brengen (AT-SRA 28 februari 2011). Het Tuchtcollege deelt die visie niet. Uit het arbeidsdeskundig rapport blijkt immers geen (enkele) toelichting op het als niet belangrijk aangeduide element “werktempo”. Zulks klemt te meer ook, daar klager daar (naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht) vragen over heeft gesteld. Beklaagde ontkent dat ook niet. Het had naar de overtuiging van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat beklaagde het arbeidsdeskundig rapport op dit punt nader had toegelicht. Door dit achterwege te laten voldoet het rapport niet aan de eisen die art. 3 Gedragscode SRA daar aan stelt.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-15-oktober-2018/
Uitspraak 15 oktober 2018
Gezien het ontbreken van gekwantificeerde beperkingen, lag er naar het oordeel van het Tuchtcollege een zware motiveringsplicht op beklaagde en had zij, nu ze er voor koos toch een uitspraak over de mate van arbeidsongeschiktheid van klager te doen, haar conclusie over de mate van arbeidsongeschiktheid, mede gezien het belang van het rapport voor de uitkering van klager en het ontbreken van consensus met klager, van een duidelijke en verifieerbare onderbouwing moeten voorzien. Daaraan ontbreekt het naar het oordeel van het Tuchtcollege.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-6-december-2018-klacht-18-46-at/
Uitspraak 6 december 2018
Het door beklaagde toegepaste GITHA-systeem geeft, en dat wordt op zich ook niet door klaagster bestreden, een objectief uitgangspunt om de verdeling van huishoudelijke taken tussen echtelieden vast te stellen en biedt naar het oordeel van het Tuchtcollege als zodanig een, zoals artikel 3 aanhef en onder e Gedragscode SRA voorschrijft, methode die tot het beoogde doel kan leiden, namelijk een geobjectiveerde en onafhankelijke beantwoording van de door de rechtbank vastgestelde en aan beklaagde voorgelegde vraagstelling. Gezien de door beklaagde onderzochte feiten en omstandigheden en de motivatie van beklaagde, heeft beklaagde zich daarbij naar het oordeel van het Tuchtcollege in redelijkheid ook op het standpunt kunnen stellen dat er voor hem onvoldoende objectieve aanknopingspunten waren om van de standaardverdeling van huishoudelijke taken volgens het GITHA-systeem af te wijken.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-14-maart-2019-klacht-18-47-at/
Uitspraak 14 maart 2019
Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige mag verwacht worden dat de rapportage zodanig zal zijn, dat deze op zich geen bron van conflicten wordt, doordat deze niet duidelijk genoeg is over de wijze waarop de arbeidsdeskundige tot zijn oordeel gekomen is. Een arbeidsdeskundige dient er op bedacht te zijn, dat zijn rapportage jarenlang een eigen leven gaat leiden. Het is daarom van het grootste belang, dat een arbeidsdeskundige volstrekt helder in elke rapportage aangeeft op basis van welke feiten, verkregen langs welke in de rapportage beschreven wijze, en op basis van welke arbeidsdeskundige analyse, hij/zij per onderdeel tot welke conclusie komt. Van beklaagde had in dit geval mogen worden verwacht, dat zij, na zoals gebruikelijk met beide betrokken partijen te hebben gesproken, onderzoek zou hebben gedaan, van de gespreksverslagen een korte samenvatting zou hebben gemaakt en deze zou hebben kortgesloten met partijen. Beklaagde heeft dat nagelaten, hetgeen volgens het Tuchtcollege laakbaar is.
Uitspraak 9 december 2019
6.6. Van beklaagde wordt, krachtens het hiervoor genoemde artikel 3 aanhef en lid 5 Gedragscode SRA, verlangd dat hij blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Beklaagde kon en mocht dan ook niet treden in de vraag of de rapportage van verzekeringsarts en het commentaar van klager daarop juist is. De arbeidsdeskundige treedt niet in de medische beoordeling. Beklaagde diende, zoals ook de uitdrukkelijke opdracht van de rechtbank was, de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen tot uitgangspunt te nemen. Zijn commentaar op de rapportage van de verzekeringsarts diende klager in de procedure bij de rechtbank aan de orde te stellen. Beklaagde kon en mocht daar naar het oordeel van het Tuchtcollege niet op ingaan.
Uitspraak 19 februari 2020 (zaaknummer: 19/57 AT)
6.2 Nu de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling is genomen, treft de klacht dat beklaagde in 2016 niet beschikte over de benodigde stukken en informatie bij de behandeling van het aangevraagde deskundigenoordeel (geen concrete functie- en taakbeschrijving van de formele functie van klager in 2013) en geen oordeel is gegeven over de re-integratie-inspanningen (rekening houdend met het werken in concernverband) geen doel. De aanvraag deskundigenoordeel is immers niet inhoudelijk door beklaagde behandeld, maar op formele gronden niet in behandeling genomen.
6.4 Het Tuchtcollege heeft ter zitting vastgesteld, dat tussen klager en beklaagde niet ter discussie staat dat klager beklaagde op 19 september 2016 in de middag heeft teruggebeld (volgens beklaagde nadat hij op 12 en 19 september al had geprobeerd om klager telefonisch te bereiken, maar geen gehoor kreeg) en beklaagde zijn beslissing om de aanvraag deskundigenoordeel niet in behandeling te nemen aan klager heeft toegelicht.
6.5 Ook overigens is het Tuchtcollege niet gebleken dat beklaagde jegens klager in strijd met de Gedragscode SRA heeft gehandeld.
Uitspraak 9 maart 2020 (zaaknummer: 19/55 AT)
7.5. Daarmee heeft beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege gehandeld in strijd met artikel 3 aanhef en onder e van de Gedragscode dat voorschrijft dat de methode van onderzoek teneinde tot beantwoording van de vraagstelling te komen tot het beoogde doel moet kunnen leiden, waarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid niet worden overgeschreden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn die grenzen door beklaagde overschreden en heeft zij niet inzichtelijk kunnen maken hoe, waarom, op welke wijze en met welk redelijk doel het onderzoek met de gebruikte methode, na volledig herstel van klager, kon worden voortgezet en of de gebruikte methode van onderzoek daarvoor nog wel geschikt was.
7.6. Daar komt naar het oordeel van het Tuchtcollege bij dat beklaagde klager, na de hersteld-melding van klager en wijziging van de opdracht, klager onvoldoende heeft meegenomen in het waarom van voortzetting van het onderzoek en het gebruik van de methode ‘Darius Works’. Beklaagde heeft klager op dat moment onvoldoende geïnformeerd en weinig ruimte geboden om een eigen afweging te maken ter zake van de vraag of al dan niet en met welk doel aan voortzetting van het onderzoek zou moeten worden meegewerkt. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2 lid 1 Gedragscode SRA waarin is bepaald dat de arbeidsdeskundige de cliënt op duidelijke wijze inlicht over de (in dit geval gewijzigde) opdracht en de arbeidsdeskundige zich daarbij laat leiden door hetgeen de cliënt dient te weten ten aanzien van het aard en het doel daarvan.
7.7. Verder heeft beklaagde jegens klager in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA gehandeld door er onvoldoende op toe te zien dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Uitspraak 26 juni 2020 (zaaknummer: 20/59 AT)
7.5 Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het Tuchtcollege tegelijkertijd van oordeel dat beklaagde zich in de aanloop naar de totstandkoming van de definitieve rapportage van 17 september 2019 onvoldoende bewust is geweest van de zorgvuldigheid die van haar als register-arbeidsdeskundige wordt verwacht. Zoals uit de vaste rechtspraak van het Tuchtcollege blijkt, dient de arbeidsdeskundige er in een situatie als deze op bedacht te zijn, dat de belangen van zowel de werkgever als van de werknemer groot zijn, deze belangen veelvuldig aanleiding zijn tot zijn ernstige geschillen en de rapportage van de arbeidsdeskundige daarbij een belangrijke rol speelt. In dat verband is het van belang dat de arbeidsdeskundige het onderzoek zorgvuldig uitvoert en de rapportage van de arbeidsdeskundige niet een extra bron van conflicten vormt.
7.7 Uit hoofde van haar zorgplicht, haar onafhankelijkheid en de op haar rustende toenaderingsverantwoordelijkheid had van beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige naar het oordeel van het Tuchtcollege mogen worden verwacht dat zij, voordat zij haar rapportage aan klager en de werkgever van klager verzond, de tijd en moeite had genomen om aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, naar aanleiding van zijn mail, uitleg te verschaffen over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige en zich daarbij zorgvuldig te vergewissen van de juistheid van de weergave van het gesprek met de werknemer. Zij had daarbij ook het belang voor klager van zijn opmerkingen moeten onderkennen, mede in relatie tot het verslag van het gesprek met de werkgever.
7.9 Kort en goed komen deze klachtonderdelen er op neer, dat beklaagde volgens klager niet op een zorgvuldige wijze heeft onderzocht of er geen andere passende functies bij de werkgever voor handen zijn waarin klager kan re-integreren. Verder klaagt klager er over dat beklaagde in haar rapport niet voldoende beargumenteerd heeft dat er geen andere passende functies bij de werkgever zijn en pas in de versie van de rapportage, na bemiddeling door de Ombudsman, op de door klager aangedragen feiten, suggesties en bevindingen met betrekking tot ander passend werk bij de werkgever is ingegaan.
7.10 Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn deze onderdelen van de klacht gegrond. Gezien het belang voor klager van een gedegen onderzoek naar en afweging van de mogelijkheden voor ander passend werk bij de werkgever en de signalen die klager daar aan beklaagde over gaf, had van beklaagde als redelijk handelend en redelijk bekwaam arbeidsdeskundige verwacht mogen worden dat zij hier zorgvuldig onderzoek naar zou doen en in haar rapportage op een voor klager kenbare wijze zou ingaan op de (mede door klager aangedragen) feiten.
Uitspraak 10 juli 2020 (zaaknummer: 20/18 CAT)
3.1 Volgens de uitspraak van het Arbeidsdeskundig Tuchtcollege (AT), waarvan beroep, verwijt klager beklaagde – kort samengevat – dat zijn rapport (hierna: het deskundigenbericht) onzorgvuldig
3.2. Verder klaagt klager erover dat er op het kantoor van beklaagde geen goede interne overdracht van het dossier en de opdracht van de rechtbank heeft plaatsgevonden en hij, ten tijde van verzending van het deskundigenbericht aan de rechtbank, geen kopie van de definitieve rapportage van beklaagde heeft ontvangen.
3.3 Het AT heeft, na daartoe door beklaagde gevoerd verweer, de klachten ongegrond geoordeeld.
Uitspraak 14 juli 2020 (zaaknummer: 20/61 AT)
6.3 Het verweer van beklaagde dat er maar een relatief korte periode is gelegen tussen de Arbeidsdeskundige rapportage juli 2017 en die van november 2017, dat zij in het kader van de rapportage van juli 2017 reeds uitvoerig contact met klager had gehad, dat de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid hetzelfde was gebleven en er slechts sprake was van een aanvulling op de eerdere rapportage, kan en mag naar het oordeel van het Tuchtcollege op geen enkele wijze afdoen aan de verplichting van artikel 2 lid 1 Gedragscode. Van een register-arbeidsdeskundige wordt te allen tijde verlangd dat deze betrokkene vooraf informeert over het onderzoek alsmede over aard, inhoud en doel daarvan. Dat heeft beklaagde bij het aanvullend onderzoek in november 2017 ten onrechte en naar het oordeel van het Tuchtcollege verwijtbaar nagelaten.
6.6 Door in het kader van het aanvullend onderzoek alleen overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en door klager en zijn zienswijze op geen enkele bij het aanvullend onderzoek te betrekken, schiet de methode van onderzoek waarvoor door beklaagde is gekozen te kort. Van een register-arbeidsdeskundige wordt verwacht, dat, ook als het gaat om een aanvullend onderzoek en al de nodige informatie bekend is, een zodanig zorgvuldig en compleet onderzoek wordt gedaan dat dit onderzoek en de resultaten daarvan de conclusies kunnen dragen.
6.7 Bovendien is beklaagde naar het oordeel van het Tuchtcollege jegens klager tekort geschoten in de zorg die zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend jegens klager had moeten betrachten.
6.10 Door haar handelwijze heeft beklaagde zich naar de mening van het Tuchtcollege onbedoeld in een positie gebracht dat zij onderdeel werd van het conflict tussen klager en zijn werkgever. Bovendien heeft zij door bij haar onderzoek enkel overleg te plegen met de werkgever en de bedrijfsarts en niet met klager onbedoeld de schijn van onvoldoende objectiviteit, onvoldoende onafhankelijkheid en partijdigheid gewekt. Van een register-arbeidsdeskundige wordt juist een hoge mate van zorgvuldigheid verwacht om dat te voorkomen.
Uitspraak 30 juli 2020 (zaaknummer: 19/58 AT)
6.3 De kern van de klacht is dat beklaagde voorafgaand aan het opstellen van haar rapportages geen contact heeft opgenomen met klager en hem dus ook niet over de kwestie heeft gesproken.
6.13 Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Daarom worden de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen aan arbeidsdeskundige rapportages gesteld. De register-arbeidsdeskundige dient op een heldere en zakelijke wijze zijn beroepshandelingen, conform relevante bepalingen, alsmede de gronden waarop zijn conclusies berusten te rapporteren. Daarbij is van belang dat het Tuchtcollege niet oordeelt over de inhoud en/of juistheid van de rapportage, maar uitsluitend toetst of deze aan de in artikel 3 Gedragscode vastgelegde eisen voldoet.
6.18 Nu klager een diametraal ander standpunt heeft ingenomen dan blijkt uit in elk geval de rapportage van arbeidsdeskundige [Y], lag het eens te meer op de weg van beklaagde om de verkregen informatie voor wederhoor aan klager voor te leggen. Daarbij laat het Tuchtcollege de omstandigheid dat de bevindingen van beklaagde een bepalende rol kunnen spelen in een procedure op tegenspraak zwaar meewegen.
6.22 Nu beklaagde ten onrechte achterwege heeft gelaten om in het kader van haar onderzoek contact op te nemen met klager acht het Tuchtcollege dit klachtonderdeel gegrond.
Uitspraak 30 juli 2020 (zaaknummer: 20/60 AT)
7.9 Het Tuchtcollege stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat beklaagde op de hoogte was van het tussen klaagster en haar werkgever lopende kort geding dat zou dienen op 31 oktober 2019. Blijkens vaste rechtspraak van het Tuchtcollege dient een arbeidsdeskundige erop bedacht te zijn dat een rapportage ingrijpende gevolgen voor de betrokkene heeft en voor extern gebruik volledig, helder en duidelijk dient te zijn. Tegen deze achtergrond en op grond van zijn wetenschap paste beklaagde uiterste terughoudendheid om op verzoek van de werkgever de arbeidsdeskundige conceptrapportage reeds op 29 oktober 2019 op te leveren, met het risico dat werkgever deze conceptrapportage kon gebruiken in de aanhangige gerechtelijke procedure.
7.10 Dit klemt temeer nu beklaagde deze conceptrapportage tegelijkertijd naar klaagster en haar werkgever heeft gestuurd, zodat klaagster niet in de gelegenheid is gesteld tijdig op mogelijk feitelijke onjuistheden in de conceptrapportage te reageren.
7.11 Door op die wijze te handelen heeft beklaagde zich onvoldoende rekenschap gegeven van het risico dat zijn conceptrapportage als bewijsstuk zou dienen in die gerechtelijke procedure. Hij heeft minst genomen daarmee de schijn gewekt dat zijn rapportage, waaraan door de rechter belang en mogelijk bewijskracht kan worden gehecht, als partij-instrument zou dienen in het lopende arbeidsgeschil terwijl partijen het over de inhoud van deze rapportage nog niet eens waren. Daarmee is beklaagde als redelijk handelend arbeidsdeskundige in zijn zorgplicht jegens klaagster tekortgeschoten.
7.41 Uit de rapportage blijkt dat beklaagde zich heeft gebaseerd op de beperkingen zoals door de bedrijfsarts opgenomen in diens FML d.d. 9 oktober 2019. Beklaagde heeft voorts meermaals contact gehad met de bedrijfsarts.
7.42 Het Tuchtcollege overweegt dat beklaagde aan de hand van deze contacten en de inlichtingen die klaagster hem heeft verstrekt in haar e-mail van 21 oktober 2019 over de achterliggende problematiek van ongewenste intimiteiten en een onveilig werkklimaat, blijk heeft gegeven onvoldoende oog te hebben voor deze problematiek. Beklaagde heeft deze problematiek ook niet zichtbaar betrokken in zijn onderzoek, althans daarvoor heeft het Tuchtcollege geen aanknopingspunten kunnen vinden in de rapportage.
7.46 Tegen deze achtergrond is het Tuchtcollege van oordeel dat beklaagde zich bij de uitvoering van de opdracht onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de achterliggende problematiek. Beklaagde heeft daarentegen in zijn gerichtheid op de uitvoering van de opdracht geen veiligheid geboden aan klaagster, geen vertrouwen opgebouwd en haar geen of onvoldoende humanitaire aandacht gegeven. Het Tuchtcollege laat meewegen dat beklaagde bij de behandeling van onderhavige klacht weinig tot geen inzicht heeft getoond in zijn positie als register-arbeidsdeskundige en de mate van zorgvuldigheid die als zodanig van hem wordt gevraagd.
Uitspraak 23 oktober 2020 (zaaknummer: 20/20 CAT)
4.2 Klager voert – samengevat – aan
- dat de stelling van verweerster dat zij van werkgever afkomstige informatie over klager en zijn gedrag niet met klager zou mogen delen maakt dat die informatie per definitie onbetrouwbaar is;
- dat moet worden aangenomen dat het om niet-actuele informatie ging;
- dat verweerster ook tijdens de tuchtprocedure in eerste aanleg heeft volgehouden dat zij de informatie niet zonder toestemming zou mogen prijsgeven.
Wat er zij van deze stellingen van klager, ook indien juist kunnen zij de conclusie dat verweerster zich in onderhavige zaak niet onafhankelijk heeft opgesteld niet dragen. Aan klager kan worden toegegeven dat bij niet-uitwisseling van de door partijen verstrekte informatie hoor en wederhoor in het geding kunnen zijn. Maar dat is niet zonder meer hetzelfde als niet-onafhankelijk. Ten aanzien van het onder c. genoemde element dient opgemerkt te worden dat het een verweerder in beginsel vrijstaat in de tuchtprocedure aan te voeren wat door hem dienstig wordt geoordeeld. Het AT heeft in 7.7 geoordeeld dat verweerster er onvoldoende op heeft toegezien “dat zij bij het uitbrengen van haar rapportage beschikte over betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens.
Het Tuchtcollege stelt vast dat noch de gebruikte normfunctie noch de in het rapport geschetste afstand tot het werk (tempo en kwaliteit, zelfstandigheid, coach etc.) bij klager geverifieerd zijn (…).” Daarmee heeft het AT ook hoor en wederhoor in zijn beoordeling betrokken. De conclusie is dat de grief niet slaagt.
Uitspraak 13 november 2020 (zaaknummer: 20/24 CAT)
3.8 Verweerster heeft mét de onafhankelijk arbeidsdeskundige geoordeeld dat het zitten onderbroken kon worden door te gaan staan en bewegend te staan. De medewerkers hadden eigen regiemomenten en handelingsvarianten in de uitvoering van het werk. Terecht heeft verweerster er dus op gewezen dat aanpassingen door de werkgever niet nodig waren. Het betrof de mogelijkheden van klager zelf. Verweerster hoefde daarmee geen onderzoek te verrichten naar en (dus) niet te rapporteren over de eventuele voorzieningen of aanpassingen om klagers functie te kunnen vervullen. Dat betekent dat van schending van artikel 3 van de Gedragscode geen sprake is.
Uitspraak 4 december 2020 (zaaknummer: 2020/21 en 2020/22 CAT)
3.2.1 b. Van verweerster had als redelijk handelend arbeidsdeskundige mogen worden verwacht dat zij, voordat zij haar rapportage aan klager en zijn werkgever stuurde, aan klager, die zich voor haar kenbaar in een kwetsbare positie bevond, uitleg te verschaffen over haar (beperkte) taak en rol als arbeidsdeskundige en zich daarbij zorgvuldig te vergewissen van de juistheid van de weergave van het gesprek met de klager. Verweerster heeft niet de zorg betracht die van haar als arbeidsdeskundige mag worden verwacht, hetgeen ook geldt voor de fase na oplevering van het rapport op 9 september 2019
Uitspraak 21 juni 2021 (zaaknummer: 21/66 AT)
6.4 Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de aanvraag en de rapportage van verweerster sprake was van veranderde medische omstandigheden waar verweerster rekening mee had moeten houden. De door klager bij de nadere toelichting op de klacht overgelegde medische rapportage van 20 november 2020, dateert van ruim na de aanvraag van klager en behandeling van deze aanvraag door verweerster. Bovendien ziet deze rapportage op een andere aanvraag. Uit de toelichting van verweerster blijkt dat zij in het kader van de aanvraag van klager overleg heeft gepleegd met een verzekeringsarts en heeft nagevraagd of er sprake was van een gewijzigde medische situatie, hetgeen niet het geval bleek. Daarmee heeft verweerster zich er naar het oordeel van het Tuchtcollege in voldoende mate van vergewist dat zij bij de behandeling van de aanvraag en het opstellen van haar rapportage de beschikking had over betrouwbare, actuele en verifieerbare (medische) gegevens
Uitspraak 30 augustus 2021 (zaaknummer: 20/64 AT)
6.3. Zowel de concept- als definitieve rapportage van verweerder voldoen volgens het Tuchtcollege aan de eisen die daaraan in artikel 3 Gedragscode worden gesteld. Beide rapporten zijn, anders dan klaagster stelt, inzichtelijk en consistent. Bovendien worden de conclusies van verweerder genoegzaam gedragen door de feiten en omstandigheden, die in de rapporten zijn vermeld. Verweerder heeft gedaan wat van hem als register-arbeidsdeskundige verwacht werd en een deugdelijk onderbouwd antwoord gegeven op de, mede gezien het tijdsverloop in het dossier overigens lastig te beantwoorden, vraag naar de theoretische arbeidssituatie van klaagster. Dat klaagster het met de inhoudelijke uitkomst van de beoordeling van verweerder niet eens is, doet daar niet aan af.
6.5. Het Tuchtcollege heeft niet vast kunnen stellen, dat verweerder in zijn rapportages een eigen oordeel geeft over de (medische) beperkingen van klaagster en zich niet beperkt heeft tot zijn deskundigheidsgebied als register-arbeidsdeskundige. Verweerder heeft zich gebaseerd op de bij hem bekende (medische) gegevens van de orthopeed en het UWV.
6.10. Naar het oordeel is door klaagster niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich partijdig heeft opgesteld dan wel de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Naar het oordeel van het Tuchtcollege is een zo onafhankelijk en objectief mogelijk antwoord gegeven op de lastig te beantwoorden vraag naar de hypothetische arbeidssituatie van klaagster. Daarbij heeft verweerder als register-arbeidsdeskundige een zekere vrijheid bij de keuze van de feiten en omstandigheden waarmee hij dat oordeel onderbouwt.
6.11. Wel onzorgvuldig en in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA, acht het Tuchtcollege het feit, dat verweerder zonder nadere afweging, zonder toestemming van klaagster en zonder hoor- en wederhoor van klaagster, in zijn eindrapport op de aanvullende c.q. extra (onderzoeks)vragen van verzekeraar is ingegaan en deze in een bijlage bij het definitieve rapport van een antwoord heeft voorzien. Daarmee trad verweerder buiten de opdracht die hem door de betrokken partijen was verstrekt.
Uitspraak 12 januari 2022 (zaaknummer: 21-70/AT)
6.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij, zonder toestemming van klaagster en daardoor op onrechtmatige wijze, informatie over klaagster heeft verzameld, beschikt heeft over persoonsgegeven van klaagster, van deze gegevens gebruik heeft gemaakt bij zijn onderzoek en deze gegevens heeft geïnterpreteerd (klachtonderdelen aI en bII).
6.3. Deze onderdelen van de klacht zijn naar het oordeel van het Tuchtcollege ongegrond. Het gaat hier om (persoons)gegevens die door de werkgever van klaagster in het kader van het arbeidsdeskundig onderzoek aan verweerder zijn verstrekt. Deze gegevens zijn door verweerder naar de mening van het Tuchtcollege vervolgens enkel gebruikt en verwerkt verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld, namelijk het doen van arbeidsdeskundig onderzoek. Het gebruik en de verwerking van de gegevens was ook noodzakelijk om de opdracht tot het doen van arbeidsdeskundig onderzoek uit te voeren.
6.7 Naar het oordeel van het Tuchtcollege kan een arbeidsdeskundige de aard van de arbeidsrelatie tussen een betrokkene en de werkgever wel degelijk meenemen in zijn overwegingen bij de beoordeling van de re-integratiemogelijkheden. Dit kan immers een voor de re-integratie en werkhervatting belemmerend aspect zijn. Verweerder is daarmee volgens het Tuchtcollege niet buiten zijn deskundigheidsgebied getreden.
6.10 De arbeidsdeskundige heeft de morele plicht om de cliënt te respecteren en alle relevante informatie te verschaffen. De arbeidsdeskundige heeft een eigen verantwoordelijkheid om, zo lang als dat nodig is, op redelijke wijze met de cliënt in gesprek te komen en te blijven.
6.14. De hiervoor beschreven handelwijze van verweerder brengt met zich mee dat verweerder bij het opstellen van zijn rapportage uitsluitend beschikte over de informatie van de werkgever. Verweerder heeft deze informatie niet geverifieerd bij klaagster en zich er, door het ontbreken van contact met klaagster, ook niet van vergewist of deze informatie volledig, actueel en betrouwbaar was. Dat brengt ook het risico met zich mee dat het definitieve rapport van verweerder onjuiste feiten en onvoldoende geverifieerde aannames bevat. Daarmee is door verweerder gehandeld in strijd met artikel 2 lid 2 Gedragscode SRA (vergaarde informatie) en artikel 3 aanhef en onder b en c Gedragscode SRA (eisen aan rapportages).
6.16. Naar het oordeel van het Tuchtcollege zijn door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheid aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat verweerder bij zijn handelwijze niet onafhankelijk was. Wel heeft verweerder door zijn wijze van handelen en de manier waarop hij de belangen en positie van klaagster heeft veronachtzaamd naar het oordeel van het Tuchtcollege de schijn van partijdigheid gewekt. Daarmee heeft verweerder niet de zorg van een goed arbeidsdeskundige betracht en gehandeld in strijd met de algemene toetsnorm van artikel 1 Gedragscode SRA.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-cat-van-16-juni-2022/
Uitspraak 16 juni 2022 (zaaknummer: 21-29 CAT)
3.6.2 Klaagster heeft onvoldoende onderbouwd dat verweerster relevante informatie van klaagster heeft genegeerd of feitelijke onjuistheden ongemotiveerd terzijde heeft gelegd. De arbeidsdeskundige maakt haar eigen arbeidsdeskundige afwegingen. Met het AT is het college van oordeel dat het conceptrapport voldoet aan de eisen die artikel 3 van de Gedragscode SRA aan rapportages van arbeidsdeskundigen stelt.
Uitspraak 1 december 2022 (zaaknummer: 22-71/AT)
6.8 Van verweerder mocht evenwel worden verwacht dat hij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de beperkingen van klaagster.
6.17. Met betrekking tot de totstandkoming van het loonwaarderapport van 11 februari 2022 is het Tuchtcollege van oordeel dat van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij acht het Tuchtcollege de toenaderingsverantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van de ethiek van groot belang. Uit deze professionele verantwoordelijkheid vloeit voor de arbeidsdeskundige voort dat hij met betrokkene in gesprek komt, waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht, en in gesprek te blijven.
6.18. Verweerder heeft zich beperkt tot contact met de gemachtigde van klaagster en haar vader. Uit de stukken, noch ter zitting is gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen om alsnog met klaagster zelf in contact te komen. Anderzijds betrekt het Tuchtcollege hierbij dat, hoewel de gemachtigde van klaagster ter zitting heeft betwist dat klaagster niet goed bereikbaar was, er kennelijk door de gemachtigde van klaagster evenmin rechtstreeks contact tussen klaagster en verweerder tot stand is gebracht.
6.19. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij ook niet bij de gemachtigde van klaagster of haar vader heeft geverifieerd of en in hoeverre zij bevoegd waren om namens klaagster op het door verweerder opgestelde concept te reageren.
Regel 7 Wekken van verwachtingen
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/?y=2003
Uitspraak 24 november 2003
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mevrouw M. daarover verklaard, dat zij gaande het gesprek het gevoel had gekregen dat het wel goed zou komen. Deze subjectieve beleving is onvoldoende om overtreding van de gedragsregel te kunnen vaststellen. Blijkens de aangevallen rapportage zijn tijdens de bespreking d.d. 2 februari 2002 de beperkingen van mevrouw M. aan de orde geweest. N. concludeert tot een arbeidsongeschiktheid van 25 % overeenkomstig het in de polis vastgelegde arbeidsongeschiktheidsbegrip. Daarmee liep N. allerminst vooruit op het door de verzekeringsmaatschappij in te nemen standpunt.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-11-oktober-2005/
Uitspraak 11 oktober 2005
De Raad heeft evenmin kunnen vaststellen, dat beklaagde bij de aanvang verwachtingen heeft gewekt t.a.v. de uitkomst van haar onderzoek. Weliswaar is komen vast te staan, dat beklaagde bij klager de indruk heeft gewekt, dat zij – klager – volledig gelijk had m.b.t. haar aanspraken op interne re-integratie bij haar eigen werkgever, doch niet is komen vast te staan dat zij heeft toegezegd daartoe te zullen adviseren.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-3-januari-2006/
Uitspraak 3 januari 2006
De Raad is tevens van oordeel dat de klacht, hiervoor genoemd onder nr. 6, betreffende de verwachtingen die door beklaagde zouden zijn gewekt ten aanzien van het door hem uit te brengen advies, ongegrond is. De Raad acht deze klacht door beklaagde voldoende gemotiveerd weersproken, doordat beklaagde stelt zich nimmer op dergelijke wijze te uiten in het contact met door hem te beoordelen personen en dat hij zich ook tegenover klager niet heeft uitgelaten over uitkeringspercentages dan wel anderszins verwachtingen zou hebben gewekt ten aanzien de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Nu uit geen enkel aan de Raad ter kennis gebracht stuk blijkt dat beklaagde jegens klager verwachtingen omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van klager heeft gewekt, dient ook deze klacht ongegrond te worden verklaard.
(Uitspraak ontbreekt op de website; link gaat naar een lege pagina) https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-30-juni-2006/
Uitspraak 31 juni 2006
In de onderhavige situatie heeft beklaagde bij klager nadrukkelijk het vertrouwen gewekt dat hij geen positief advies inzake de ontslagprocedure zou afgeven. Beklaagde was het immers naar zijn zeggen niet eens met het voornemen van de werkgever om het dienstverband te beëindigen. Beklaagde heeft dit ook nadrukkelijk zo met klager besproken, hetgeen door beklaagde niet wordt ontkend. Gelet op voornoemde Gedragsregel 2 (Oud) had het op de weg van beklaagde gelegen zijn wijziging van standpunt met klager te bespreken, zodat deze bij het voeren van verweer in de ontslagprocedure tijdig met de gevolgen hiervan rekening had kunnen houden. Een dergelijk verweer werd door klager vooralsnog achterwege gelaten omdat hij vertrouwde op een door beklaagde uit te brengen negatief advies. Tevens oordeelt de Raad dat door beklaagde in het gesprek op 1 juni 2004 ten onrechte verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van de inhoud en de gevolgen van het door hem aan de CWI uit te brengen advies.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-3-mei-2007/
Uitspraak 3 mei 2007
Evenmin kan worden ontkend dat de expliciete uitspraken van beklaagde tijdens het eerste gesprek omtrent de te verwachten uitkomst van het arbeidsdeskundig onderzoek door hem in een te vroeg stadium en te stellig werden gedaan, zonder dat beklaagde daarbij voldoende nuancering heeft aangebracht. Beklaagde heeft zich naar het oordeel van de Raad buiten de in de Gedragsregels, in het bijzonder Gedragsregel 2 (Oud), neergelegde kaders begeven door zich tijdens het eerste gesprek met klaagster uit te spreken over de bij hem op dat moment bestaande verwachting dat klaagster op basis van de herbeoordeling volledig arbeidsgeschikt zou worden verklaard.
Regel 8 Gelijkwaardigheid en onderlinge verhoudingen
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-16-maart-2010/
Uitspraak 16 maart 2010
De Raad vindt de bewoordingen van de conclusie van beklaagde dat het onderzoek van klaagster “niet adequaat” is geweest, vrij neutraal en niet grievend. Deze kwalificatie doet geen afbreuk aan de reputatie van klaagster. Het enkele feit dat beklaagde tot een ander oordeel dan klaagster is gekomen, is dat evenmin. Mede naar aanleiding van het verhandelde bij de mondelinge behandeling stelt de Raad vast dat het standpunt van klaagster er op neer komt dat de onderlinge collegialiteit van Register-Arbeidsdeskundigen voor beklaagde een verplichting schiep om in een geval als hier aan de orde (het oordeel van beklaagde als UWV arbeidsdeskundige week af van het oordeel van klaagster als door de werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige) op voorhand contact op te nemen met klaagster. Resteert dus nog de vraag of er sprake is van een schending van de in de eerste volzin omschreven verplichting (= het streven naar het bevorderen van goede collegiale verhoudingen) (Gedragsregels Oud) nu beklaagde niet heeft voldaan aan de door klaagster voorgestane verplichting om op voorhand contact met haar op te nemen ter zake zijn van haar afwijkende arbeidskundige oordeel. De Raad stelt voorop het wellevender te hebben gevonden, indien beklaagde met klaagster contact had opgenomen, om haar mee te delen dat hij tot een ander oordeel was gekomen. Dat oordeel levert echter nog geen schending van de betreffende Gedragsregel (Oud) op. De Raad kan in de eerste volzin van opgemelde Gedragsregel (Oud) geen verplichting lezen, dat twee arbeidsdeskundigen, die verschillend oordelen over een gelijke casus, daarover onderling contact moeten hebben. Dat staat er niet en vloeit ook niet noodzakelijkerwijs uit deze in de Gedragsregel wel zeer ruim omschreven “verplichting” voort. Voor de uitleg van deze bepaling acht de Raad richtinggevend de doelstelling van de SRA, te weten het scheppen en in stand houden van waarborgen t.a.v. de kwaliteit van de beroepsuitoefening van arbeidsdeskundigen en het beschermen van de belangen van een ieder in de Nederlandse samenleving, die met de beroepsuitoefening van de Register-arbeidsdeskundige in aanraking komt. In dat kader zijn immers de Gedragsregels SRA opgesteld. Het is zeer goed mogelijk, dat arbeidsdeskundigen – zorgvuldig, deskundig en onpartijdig – tot een verschillend oordeel komen over een zelfde vraag in een zelfde casus. Dit moet niet gemaskeerd, maar juist transparant gemaakt worden. De verschillen van mening zullen toch primair moeten blijken uit de in het verslag van de beide arbeidsdeskundigen beschreven methode van onderzoek en de motivering van hun resultaten. Het is de Raad niet duidelijk, wat het door klaagster bepleite (voor)overleg tussen de twee arbeidsdeskundigen daaraan kan bijdragen. Kritiek op het onderzoek van een collega mag scherp zijn, mits ter zake en fair en goede collegiale verhoudingen brengen o.a. met zich mee dat zulks mogelijk is en gerespecteerd wordt. De Raad acht het denkbaar, dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn, die in afwijking van bovenstaande wél tot voorafgaand onderling overleg nopen. Naar het oordeel van de Raad is in casu van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden die noopten tot het door klaagster verlangde vooroverleg echter niet gebleken.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-at-22-december-2016/
Uitspraak 22 december 2016
Beklaagde heeft met zijn grensoverschrijdende gedrag naar het oordeel van het Tuchtcollege ernstig in strijd gehandeld met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode. Te meer daar beklaagde op de hoogte was van de kwetsbaarheid van klaagster bij het aangeven en bewaken van grenzen. Beklaagde heeft niet kunnen aantonen dat hij, zeker gezien zijn bekendheid daarmee, de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht bij de begeleiding van klaagster.
https://www.register-arbeidsdeskundigen.nl/jurisprudentie/uitspraak-cat-27-oktober-2017/
Uitspraak CAT 27 oktober 2017
Beklaagde heeft, als overwogen in 4.4, als arbeidsdeskundige in de uitoefening van zijn reguliere werkzaamheden in contact gekomen met klaagster, misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en haar ernstig seksueel misbruikt. Het misbruik heeft plaatsgevonden bij klaagster thuis – haar privédomein, waar klaagster zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen – en op kantoor – de plaats waar een uitkeringsgerechtigde in het kader van zijn aanspraken soms geacht wordt te verschijnen. Daarmee heeft beklaagde het vertrouwen dat in een register-arbeidsdeskundige mag worden gesteld in ernstige mate beschadigd. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 1 (de algemene zorgvuldigheidsnorm) en artikel 7 (respect) van de gedragscode.
Uitspraak 26 augustus 2020 (zaaknummer: 20/62 AT)
6.2 Het Tuchtcollege stelt vast, dat de taak en verantwoordelijkheid van beklaagde jegens klager beperkt was tot uitsluitend de begeleiding van de re-integratie tweede spoor van klager. Daar heeft beklaagde klager, zowel bij de start als herhaalde malen gedurende de begeleiding, naar het oordeel van het Tuchtcollege duidelijk en zorgvuldig over geïnformeerd. Daarbij heeft beklaagde zich steeds (mogen) laten leiden door de informatie van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige rapportages, waaruit bleek dat re-integratie tweede spoor (nog) aan de orde was. Dat klager de mening was toegedaan, dat re-integratie tweede spoor niet (meer) aan de orde was, maar hij gere-integreerd diende te worden in het eigen werk, doet daar niet aan af. Zoals beklaagde klager een en ander maal en naar het oordeel van het Tuchtcollege terecht heeft uitgelegd, was zij in die discussie geen partij en diende zij, zo lang dit volgens de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige rapportages nog aan de orde was, uitvoering te geven aan haar taak om klager te begeleiden bij de re-integratie tweede spoor.
6.3 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft klager aan deze taak en verantwoordelijkheid, ondanks de spanningsvolle situatie waarin zij moest werken, op een jegens klager zeer zorgvuldige en respectvolle wijze uitvoering gegeven… Het verwijt van klager dat beklaagde zich niet heeft laten leiden door het beginsel van rechtvaardigheid en geen toenaderingsverantwoordelijkheid heeft getoond, acht het Tuchtcollege dan ook ongegrond.
6.4 Ook het verwijt van klager dat beklaagde haar taak niet op een onafhankelijke en objectieve wijze heeft vervuld, acht het Tuchtcollege ongegrond.
6.7 Wel geeft het Tuchtcollege aan beklaagde in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit in de vorm van een overweging ten overvloede mee, dat wanneer zij de re-integratiebegeleiding verzorgt in een dossier waarin haar compagnon reeds arbeidsdeskundig werk verrichtte, zij zich zeer bewust dient te zijn van het belang om in het kader van de onafhankelijkheid en objectiviteit aan betrokkenen aan te geven welke ten opzichte van haar compagnon andere taak en verantwoordelijkheid zij heeft.
Uitspraak 1 december 2022 (zaaknummer: 22-71/AT)
6.8 Van verweerder mocht evenwel worden verwacht dat hij zorg zou dragen voor het vergaren van voldoende betrouwbare, actuele en verifieerbare gegevens waaruit in voldoende mate zou blijken van de beperkingen van klaagster.
6.17. Met betrekking tot de totstandkoming van het loonwaarderapport van 11 februari 2022 is het Tuchtcollege van oordeel dat van een arbeidsdeskundige mag worden verlangd dat hij duidelijk uiteenzet op basis van welke feiten hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarbij acht het Tuchtcollege de toenaderingsverantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van de ethiek van groot belang. Uit deze professionele verantwoordelijkheid vloeit voor de arbeidsdeskundige voort dat hij met betrokkene in gesprek komt, waar dat nodig is ter uitvoering van de opdracht, en in gesprek te blijven.
6.18. Verweerder heeft zich beperkt tot contact met de gemachtigde van klaagster en haar vader. Uit de stukken, noch ter zitting is gebleken dat verweerder pogingen heeft ondernomen om alsnog met klaagster zelf in contact te komen. Anderzijds betrekt het Tuchtcollege hierbij dat, hoewel de gemachtigde van klaagster ter zitting heeft betwist dat klaagster niet goed bereikbaar was, er kennelijk door de gemachtigde van klaagster evenmin rechtstreeks contact tussen klaagster en verweerder tot stand is gebracht.
6.19. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij ook niet bij de gemachtigde van klaagster of haar vader heeft geverifieerd of en in hoeverre zij bevoegd waren om namens klaagster op het door verweerder opgestelde concept te reageren.